donderdag 13 januari 2011

Het Westen moet ten aanzien van Tunesië zijn verantwoordelijkheden nemen

De protesten in Tunesië hebben intussen zodanig vormen aangenomen dat zelfs de meest sceptische waarnemer waarschijnlijk intussen moet toegeven dat het bewind van Ben Ali  het niet lang meer zal maken. De manier waarop leger en politie de laatste dagen geprobeerd hebben met keihard optreden - zoals het schieten met scherpe munitie op menigten - de demonstranten af te schrikken, heeft alleen maar meer woede gewekt en de vastbeslotenheid van de Tunesiërs extra voedsel gegeven, zo lijkt het. Het optreden van Ben Ali's troepen als provocateurs - zoals in Kasserine waar sluipschutters op daken plaatsnamen en agenten in burger winkels gingen plunderen om het verhaal van de regering geloofwaardigheid te verschaffen dat de demonstranten vooral uit criminele bendes zouden bestaan,  heeft daar zeker mee te maken gehad. Dit demonstreerde nog eens te meer wat voor een immoreel en zelfs moorddadige  karakter de kliek heeft die Tunesië de afgelopen twee decennia heeft geregeerd.
Ben Ali's beloften van vanavond, donderdagavond, dat het schieten met scherpe munitie onmiddellijk zal ophouden, dat er meer persvrijheid zal komen, het blokkeren van sites zal ophouden en dat hij in 2014 geen  nieuwe termijn zal ambiëren, lijken in dit verband een zaak van too little too late, of gewoon simpelweg een zwaktebod van een man in een verloren positie. Het zou werkelijk een wonder zijn als de Tunesiërs zich hierdoor zand in de ogen laten strooien.   
En intussen blijft het verbazen dat het zolang heeft geduurd voordat tot de Westerse wereld begon door te dringen dat hier iets bijzonders gebeurde en de pers over de onlusten begon te berichten. Dat had niet alleen te maken met de nieuws black-out die Ben Ali's regering eigenlijk al jaren - maar zeker tijdens deze crisis - wist te bewerkstelligen. Inderdaad was het moeilijk zoniet bijna onmogelijk om bijzonderheden aan de weet te komen vanuit het een land waar buitenlandse journalisten aan beperkingen onderhevig waren (Al-Jazeera was bijvoorbeeld enkele maanden geleden het land uitgezet), en waar de regering als enige instantie die de internet concessie beheert, in staat was email-verkeer, Facebook en zelfs Twitter grotendeels als communicatiemiddelen voor de activisten uit te schakelen. Maar natuurlijk waren er ook in dit geval mensen die de mazen wisten te vinden en via buitenlandse IP adressen, de telefoon of hoe dan ook, in ieder geval wát nieuws te brengen.
De Arabische wereld sprong daarop in. Al Jazeera, Al-Arabia, de Algerijnse krant Al-Watan en zelfs Al-Ahram in Egypte leverden meer nieuws dan - om me tot Nederland te beperken - de Volkskrant of de NRC. En de reden waarom was niet moeilijk te begrijpen. Wat in Tunesië plaatsvind is van ongewone betekenis voor de hele Arabische wereld. Iedereen in de Arabische wereld die ook maar een beetje in nieuws is geïnteresseerd wist dat van alle onvrije staten zoals Algerije, Marokko, Egypte., Libië of Jordanië, Tunesië misschien nog wel de kroon spande als politiestaat, waar ongebreideld werd gevonnist of gemarteld, en waar de vrijheid van meningsuiting niet aan banden was gelegd, maar gewoon domweg geheel ontbrak. Niet voor niets was Ben Ali 23 jaar geleden, toen hij president Bourguiba dement liet verklaren en in een inrichting opborg, diens minister van binnenlandse zaken en daarvoor politiechef. Ben Ali, super flic, oppersmeris, was zijn bijnaam.

Die afgelopen 23 jaar zijn voor Tunesië, dat eigenlijk een van de meer ontwikkelde Arabische landen is met een grote graad van geschooldheid, een nachtmerrie geweest. Via Wikileaks kregen we, vrij recent, nog een doorkijkje op de manier waarop Ben Ali, samen met zijn familie en die van zijn tweede vrouw, Leila Trabelsi, als een maffiose bende het land als een soort privé bezit is gaan runnen, daarbij corruptie, nepotisme en totale rechteloosheid als bijverschijnselen mede introducerend. Ik citeerde een aantal zaken uit Wikileaks op mijn zusterblog, nog redelijk in het begin van de opstand, die in feit al begon op 17 december. De Tunesische site Nawaat geeft vandaag een nog veel uitgebreider verhaal over hoe de Ben Ali's en de Trabelsi's en hun handlangers,  de verschillende poten van het zakenleven overnamen, vaak ver beneden de prijs en er goed sier mee maakten. Banken, auto-import bedrijven, Tunisair, het vliegveld van Tunis, de scheepvaartlijn, de belangrijkste onroerend goed firma's en de hypotheekverstrekkers, (mobiele) telefonie en internet, kranten, radio en tv, het is allemaal in handen van de Ben Ali's en hun verwanten en getrouwen, en hetzelfde geldt voor nog wat monopolies op het gebied van suiker, alcohol, tonijn en visrechten. Vanzelfsprekend betekent dat ook dat de familie in wezen de economie van Tunesië in een ijzeren greep hield en dus ook rechtstreeks (mede) verantwoordelijk kan worden gehouden voor de groeiende werkloosheid, met name onder beter opgeleiden.  Het valt allemaal na te lezen op de site van Nawaat       
In het Westen was dit - zie Wikileaks - ook allemaal wel bekend, maar daar deed men alsof zijn neus bloedde. Tunesië was immers een prettig kapitalistische land waar rust heerste, waar een  president aan het bewind was die korte metten had gemaakt met de islamisten, en die als volstrekt pro-Westers te boek stond. Dat was waarschijnlijk de echte reden dat het drie weken moest duren voordat de westerse media aarzelend over de gebeurtenissen begonnen te schijven. Sterker: dat móet de reden zijn geweest. Stel je voor dat dit net een opstand in Tunesië maar in Iran zou zijn geweest. Hoe anders zou er dan zijn gereageerd.( Ik pretendeer niet dat ik de eerste ben die deze opmerking maakt, maar toch, ik had het ook zelf kunnen verzinnen).
Maar nu staat Tunesië dan dus echt op de rand van een omwenteling. Voor Arabische heersers een doodgriezelig moment, voor de Arabische massa's in Egypte, Libië, Algerije, en waar al niet, een moment van ongekende hoop. Zal het volk van Tunesië de weg gaan wijzen naar vrijheid, naar een legitieme regeringsvorm, naar democratie? 
Ook voor het Westen is dit 'une heure du choix', zoals het in Frans heet, een uiterst betekenisvol moment. Ooit ging het Algerijnse volk het Tunesische voor. Dat was in 1988. ook daar waren heftige demonstraties en een hoop geweld. Het mondde uit in een meer-partijen stelsel, persvrijheid en vrije verkiezingen. Die dreigden in december - januari 1990-91 te worden gewonnen door de Islamitische Reddingsfront FIS ( Front Islamique du Salut) en daarop volgde een coup van het leger, waarbij de toenmalige president Chadli Benjedid werd afgezet en de verkiezingen geannuleerd. Het liep uiteindelijke allemaal uit op een burgeroorlog en een ongekend bloedbad waarbij honderdduizenden het leven lieten. Algerije is dat niet te boven gekomen. Het is sindsdien volledig teruggekeerd naar de lethargische en onvrije staat van voor 1988.
In Tunesië weten we nog niet wat er gaat gebeuren. Ook daar is - net als in Algerije - de oppositie jarenlang geknecht en vervolgd, was de persvrijheid een onbekend goed en is het leger een van de weinige goed geoliede organisaties. Maar het zou de Westerse landen sieren als ze zich rekenschap gaven van wat destijds in Algerije fout is gegaan, en zij zich sterk zouden maken voor het helpen en stimuleren van een ontwikkeling naar een democratisch Tunesië. Wat de Tunesiërs willen is door de demonstraties van de afgelopen weken duidelijk genoeg. En het Westen zou dat niet alleen moeten respecteren, maar ook moeten helpen die wil op een goede manier te kanaliseren.

Geen opmerkingen: