woensdag 18 januari 2012

Gustav Leonhardt, exponent van een revolutionaire periode














Mede als een soort herinnering aan het feit dat een tijdperk ten einde loopt was er gisteren het bericht dat Gustav Leonhardt (83) is overleden. Leonhardt die nog in december in Parijs optrad, was een legende. Niet alleen omdat hij onnavolgbaar prachtig klavecimbel en orgel speelde,  maar vooral ook door de geweldige invloed die hij heeft gehad op de uitvoeringspraktijk van de muziek. Hij behoorde tot een select gezelschap musici dat in opstand kwam tegen de praktijk die onder invloed van grote componisten als Wagner, Mahler, Bruckner en anderen was ontstaan om orkesten steeds groter te laten worden en muziek -ongeacht de periode waarin die was ontstaan - op een romantische wijze en met de middelen der romantiek uit te voeren. Denk aan de traditie van de Matthäus Passion van J.S. Bach die in de uitvoering van Mengelberg - of Eugen Jochum - met een zwaar bezet Concertgebouworkest een dikke drie uur duurde en nadrukkelijk plechtstatig klonk.
Leonhardt was één van diegenen die met die praktijk brak. Rond hem was er een grotere groep onder meer bestaande uit de fluitist Frans Vester,de violist Jaap Schröder, de blokfluitist Frans Brüggen en de cellist Anner Bijlsma. Ieder van hen droeg op een eigen manier bij aan het totaal veranderen van de manier waarop werd gespeeld. Brüggen zorgde voor de herontdekking van  de blokfluit - op dat moment een soort instrument waarop kinderen tegen hun zin wat kinderachtige wijsjes leerden spelen. Hij zorgde ervoor dat het weer gezien werd als een volwaardig instrument. Bijlsma stortte zich op het herontdekken van een hoop vergeten cellomuziek en het afstoffen van wat minder vergeten componisten als Boccherini, die hij in de originele versies begon te spelen. Ook was hij één van de eersten die 17e eeuwse muziek begon te spelen op instrumenten die waren teruggebracht in de staat waarin zij in die tijd verkeerden.
De fluitist Frans Vester was misschien nog degene die het meeste overhoop haalde. Hij pionierde zowel op het gebied van de moderne muziek (met zijn Danzi-blaaskwintet was hij de eerste die het onspeelbaar geachte blaaskwintet van Schönberg uitvoerde) als op het gebied van de oude muziek. Hij begon antieke houten fluiten (traverso's) te bespelen, voerde het vak 'methodiek en uitvoeringspraktijk' in voor zijn leerlingen op het Conservatorium, waarin uitgebreid aandacht werd besteed aan boeken van 17e eeuwse musici als Quandt en Leopold Mozart (de vader van) over hoe de muziek uit die tijd diende te worden gespeeld. Het was een roerige - zeg maar revolutionaire - tijd die ik als conservatoriumstudent in die tijd volop heb meegemaakt en die zich afspeelde eind jaren zestig. Niet toevallig viel dat ongeveer samen met de studentenopstanden van die tijd in Frankrijk en in mindere mate ook hier en met zaken als de Actie Tomaat. Het eindresultaat van woelige vergaderingen en verhitte discussies was dat er een soort tweedeling op het Conservatorium in Den Haag ontstond tussen leraren die de 'oude stijl' trouw bleven en diegenen die alles wat niet aan de wetten van de 'nieuwe,oude' uitvoeringspraktijk beantwoordde een gruwel vonden (Bach op de piano, gedver!!). Ook kwamen er twee soorten ensembles, barok en 'eigentijdse',  (waarvan er één,  het Schönberg Ensemble tot op de dag van vandaag voortleeft en nog steeds wordt geleid door Reinbert de Leeuw)).
Leonhardt speelde in het verhaal van de omwenteling die in de jaren zestig plaatsvond een rol als van een spin in het web - alhoewel niet rechtstreeks op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag waar ik leerling was, want hij gaf les in Amsterdam. Maar hij gaf concerten en maakte opnamen met alle hoofdrolspelers, was niet minder doorkneed in, en serieus bezig met de uitvoeringspraktijk en had zijn eigen 'Leonhardt Consort', met onder meer zijn vrouw Marie, een uitstekende violiste. Dit Consort kan zonder al teveel moeite worden beschouwd als een voorloper voor latere ensembles als het Quadro Hotteterre (dat niet meer bestaat), Het Amsterdam Baroque Ensemble van Ton Koopman, of 'La petite bande' van de violist Sigiswald Kuijken en de diens cello en fluit spelende broers Wieland en Barthold.  Zelfs kan gezegd worden dat Leonhardt indirect een soort voorloper was van het veel grotere Orkest van de 18e Eeuw van Frans Bruggen, want samen met de Weense musicus Nikolaus Harnoncourt stortte hij zich ook op op werken voor groter orkest. Vanaf eind jaren zestig namen zij samen alle Bach cantates op - iets wat hen in 1980 een gezamenlijke Erasmus Prijs opleverde. ( Harnoncourt was ook de eerste dirigent die het Concertgebouworkest leidde bij een uitvoerig van de Matthäus Passion van Bach op een manier die de baroktraditie zoveel mogelijk benaderde - de uitvoering duurde ongeveer half zo lang als die van Mengelberg en Jochum destijds).
Maar bovenal was Leonhardt toch uitvoerend musicus, een zonder meer fantastische klavecinist. Hieronder als staaltje van zijn kunnen, een Youtube opname van de cadens uit het Vijfde Brandenburgse Concert van Bach dat hij hier uitvoert met een gecostumeerd Leonhardt Consort.   
     

2 opmerkingen:

clara legêne zei

Dank voor dit uitgebreide eerbetoon aan Leonhardt dat je terecht breder in de tijd zet. Ik wist niet dat je ook musicus was/bent!

Ik wil er een lans voor breken om in je rijtje grote geesten de naam van Gerrit Vellekoop op te nemen. Ik denk dat de restauratiebeweging in Nederland niet zo de wind mee had gekregen als Gerrit niet tegelijkertijd had gezien dat de renaissancemuziek enorm toegankelijk is voor amateurs en ervoor zorgde dat die daarbij niet zomaar wat deden, maar ook verantwoord en doordacht met bronnen en instrumenten omgingen. Zijn Vereniging voor Huismuziek (voor amateurmusici en instrumentenbouwers) werd een broedplaats van nieuwe in oude muziek geïnteresseerde musici. Van de huidige generatie musici heeft nog steeds twee derde een Huismuziek-achtergrond.

Ik heb zelf jaren achtereen als musicus muziekweken voor kinderen, jongeren en volwassenen geleid, maar ook een aantal jaren de Vereniging voor Huismuziek zelf, en heb die lijn van Vellekoop altijd zorgvuldig bewaard.

De restauratiebeweging van Leonhardt c.s. was ook nieuw en vernieuwend in de zin dat hun publiek, voor een groot deel bestaand uit actieve amateurmusici, zich samen met hen ontwikkelden en op zoek gingen naar de bronnen. En daarover actief met de beroepsmusici in gesprek gingen. Nederland was mede daardoor lange tijd letterlijk toonaangevend.

groet,
Clara Legêne

Abu Pessoptimist zei

Ik moet je eerlijk zeggen dat ik destijds - onder meer als puber samenspelend met een oprechte amateur, Carla Kohnstam - de Vereniging voor Huismuziek en Vellekoop wel op allerlei manieren in mijn ooghoeken voorbij heb zien komen - inclusief zelfgebouwde vedels en dat soort dingen - maar er nooit rechtstreeks mee te maken heb gehad.
Ik geloof je graag als je zegt dat Vellekoop mede een belangrijke pionier was. Ik heb daar eigenlijk nooit zo bij stilgestaan, maar inderdaad was het natuurlijk enorm belangrijk dat Leonhardt, Brüggen en al die anderen ook een podium kregen en een publiek dat de ontwikkelingen toejuichte. En het is absoluut waar dat een belangrijk deel van het enthousiasme voor de afgestofte stijl van de kant van die Huismuziekmensen kwam.
Maar het zat hoe dan ook een beetje in de lucht. Ik herinner me dat ik een paar jaar voordat Bruggen en Bijlsma hun eerste opnames maakten, al behoorlijk stijlkritisch onder handen werd genomen bij het studeren van de Bach suites voor cello door mijn Haagse leraar Edvard Röntgen, met de Urtext in de hand. Wie ermee begonnen is, met dit soort dingen, ik zou het niet weten. Misschien kwam het wel van alle kanten tegelijk. Het lijkt me dat er wel een proefschrift in zit om het eens goed uit te zoeken.