donderdag 4 oktober 2012

Militair bestuur verklaart koop van huis in Hebron door kolonisten ongeldig


Het zogenaamde 'Beit haMachpela', het Palestijnse huis vlakbij de Ibrahim-moskee/Grot van Machpela, dat eind maart door 15 kolonistenfamilies in bezit van werd genomen.

Een nieuwe ontwikkeling in de zaak van het zogenoemde Machpela-huis. Dit huis, vlakbij de Ibrahim-moskee in Hebron, behoorde aan een Palestijnse familie maar werd eind maart bestormd en in bezit genomen door Joodse kolonisten die zeiden het huis te hebben gekocht. Dat zorgde onmiddellijk voor opwinding, zowel in Hebron als in het Israelische kabinet. De Palestijnse eigenaars betwistten de koop en kregen de steun van de Palestijnse autoriteiten in Hebron, die zeiden dat het een zaak was van vervalste papieren, waarbij bijvoorbeeld de naam van de kleinzoon van een van de eigenaars was gebruikt, die identiek was aan die van zijn opa.
Ook het Israelische leger en minister van Defensie Ehud Barak waren niet blij, omdat de gebeurtenis de de spanning in Hebron opvoerde en bovendien ook zonder goedkeuring had plaatsgevonden van het militaire bestuur van de Westoever, dat onder de misleidende naam 'Burgerbestuur' (Civil Administration) door het leven gaat. Op 4 april zorgde de Civil Administration dat de 15 families die inmiddels in de omstreden woning hum intrek hadden genomen werden verdreven en dat het gebouw werd ontruimd en hangende een onderzoek naar de authenticiteit van de koopovereenkomst op slot werd gedaan. De ontruiming was tegen de zin van een deel van de regering-Netanyahu. Minister Barak werd onder meer scherp bekritiseerd door vice-premier Moshe Ya'alon, die erop aandrong dat hem de verantwoordelijkheid voor de nederzettingen zou worden ontnomen. 'Ehud Barak gaat tegen de regering in en werkt de nederzettingen in Judea en Samaria tegen,' zei Ya'alon in een besloten kabinetszittingen waaruit werd geciteerd door Haaretz. 'Waarom zegt de minister van Defensie dat het controleren van de papieren weken gaat duren, terwijl het in een paar dagen kan?'
Maar inmiddels is er dus een uitspraak van de 'Civil Administration' en die houdt in dat de koop niet geldig was. Niet alle eigenaars van het huis hebben aan de overdracht deelgenomen, zo luidde het oordeel, ook is niet duidelijk uit de akte welk deel van het huis precies is gekocht. In de indeling van de kamers zijn namelijk intussen wijzigingen aangebracht die niet staan aangegeven. En tenslotte is een deel van de transactie gepasseerd op de Palestijnse ambassade in Amman (Jordanië). En dat geldt niet, aldus de militairen. Want Israel erkent de staat Palestina niet en zo'n ambassade kans dus ook niet bestaan.
Vanzelfsprekend heeft deze uitspraak opnieuw voor spanningen gezorgd. De kolonisten reageerden woedend dat de Civil Administration op slappe wijze haar best had gedaan om naar 'miscroscopisch kleine foutjes' in de koopakte te zoeken. De zullen nu hun best doen via politieke druk hun zin te krijgen, aldus Haaretz.. Vice-premier Ya'alon was woensdag al bij hen langs geweest om hen een hart onder de riem te steken, meldde de krant. Ook gaan de kolonisten in beroep.

Het Machpela-huis is overigens één van een serie van vier huizen in Hebron waarover vergelijkbare eigendomskwesties worden uitgevochten. Een tweede huis staat op een strategische plek aan de weg die leidt van de nederzetting Kiryat Arba naar de Ibrahimi-moskee /Grot van Machpela. Ook dit huis was indertijd - in 2008 - met geweld in bezit genomen, tegen de zin van de Palestijnse eigenaars die betwistten dat het was verkocht. Een rechter in Jeruzalem oordeelde echter de afgelopen maand, op 15 september, dat deze koop wèl rechtsgeldig was.
Het derde geval betreft een huis naast de nederzetting Tel al-Rumeida in de stad. Daarvan  bepaalde een Israelische rechter onlangs dat juist weer níét sprake was geweest van een rechtsgeldige koop. Het beroep van de kolonisten tegen deze uitspraak loopt nog. 
En een vierde huis betreft een gebouw aan de markt in Hebron die in 1994 door Israel is gesloten, omdat de aanwezigheid van zo'n markt in de stad van 250.000 inwoners  te gevaarlijk werd geacht voor de enkele tientallen Joden die intussen midden in de stad nieuwe nederzettingen hadden gesticht. Het betreffende huis was vóór 1948 Joods bezit, maar destijds door de Jordaanse overheid verhuurd aan Palestijnse winkeliers,  en het Israelische leger had erkend dat deze winkeliers huurbescherming genoten. Bewoners van de nabijgelegen nederzetting Avraham Avinu namen het huis echter in 2001 met geweld in bezit. Vervolgens bepaalde het Israelische hooggerechtshof dat de Joodse bezetters er weer uit dienden te worden gezet, een uitspraak die nooit is uitgevoerd. De organisatie Vrede Nu vroeg het hooggerechtshof jaren later om een nieuwe uitspraak waarin de staat werd gevraagd zich te verantwoorden voor het feit dat deze rechterlijke uitspraak was genegeerd. Deze zaak loopt nog steeds. Met name omdat de Israelische staat het geven van een antwoord steeds vertraagt.

Geen opmerkingen: