vrijdag 23 augustus 2013

Klasgenoten

Dit is - voor alle duidelijkheid - geen verhaal over het Midden-Oosten, maar over mijzelf.


Aula van het Haags Montessori Lyceum.  Links zijn op één- en twee hoog borstweringen te zien, met daarachter de 'werknissen', de gang en de klaslokalen. 

Ik dacht destijds vaak aan ons als de drie musketiers. Het was toen op het Haags Montessori Lyceum  (HML) in ons intellectuele clubje helemaal niet zo de tijd van Dumas, maar vooral van Nescio (de Titaantjes) of  van Gerard Reve die toen nog Gerard Kornelis van het Reve heette. We spraken elkaar ook toe met citaten van die schrijvers. Ironisch keken we elkaar aan en zeiden dan met Nescio: 'Jongens waren we - maar wel aardige jongens. Al zeg ik het zelf''. Of als het erg laat werd 's avonds op z'n Reviaans: 'Je mag wel blijven zitten hoor, maar het licht gaat wel uit.' Andere citaten die de ronde deden kwamen vooral uit Van Anarchist tot Monarchist van Alexander Cohen.
Maar wij, Frank, Herman en ik, hadden ons eigen repertoire. Als we - wat heel vaak gebeurde - gedrieën in de nis zaten, aan de overkant van de gang van de derde gymnasiumklas van het Haags Montessori Lyceum, (HML), waar we naar goed Montessoriaans gebruik geacht werden 'samen te werken', ging het niet over Nescio of Van het Reve. Wij spraken over Sartre en Camus, de vrijheidsstrijd in Algerije (het was 1960), de Sinai-oorlog van '56, en bovenal over het proces tegen dokter O., een destijds uiterst geruchtmakend strafproces. De arts Obdam had eerst zijn vrouw vermoord en later in de strafgevangenis van Leeuwarden nog een medegevangene, welke laatste moord hem via een uiterst gecompliceerde constructie had moeten vrijpleiten van de eerste moord. Werken deden we eigenlijk nooit.     
En we spraken dus ook over de drie musketiers. Franks invloed, denk ik.

 Ik had het boek niet gelezen, van Herman weet ik dat niet, maar Frank was de francofiel van ons drieën. Hij sprak goed Frans. Zijn moeder was erg actief met volksdansen. Er waren bij hen thuis heel vaak gasten uit andere landen, onder wie dus vaak Fransen. Onze band als musketiers was hecht, maar heeft niet zo lang geduurd. Zo'n anderhalf jaar, denk ik. Frank en ik togen in die tijd ook samen met vakantie. Ik kan me een keer herinneren dat we met mijn ouders meereden naar de Dordogne en later door Zuid-Frankrijk liften en kampeerden. Een andere keer waren we in Parijs. Daar zochten we op Franks aanwijzingen naar een niet meer bestaande kampeerplaats, en misten we de laatste metro.Vervolgens werden we in het holst van de nacht door zwaar bewapende agenten (het was de tijd van de Algerijnse oorlog) van een bankje in het park geplukt en belandden we op een politiebureau, waar beschonken types met builen en krassen in hun gezicht achter tralies gevangen werden gehouden en agenten ons bang maakten met hun mitraillettes en racistische, schunnige taal. Al waren ze tegen ons heel vriendelijk en onthaalden ze ons op koffie.
Later werd het verband tussen Frank, Herman en mij losser. De reden was de 'Ban de Bom'. Leerlingen van het HML waren de eersten die in Nederland sit-downdemonstraties hielden tegen de atoombom. Ik was daar van het begin af aan actief bij betrokken. Met anderen werd ik opgepakt wegens nachtelijk pamfletten plakken en vervolgens voor overdag op straat zitten en het verkeer tegenhouden. Een opwindende periode. Ik onderscheidde me vooral door het verzorgen van de publiciteit. Berichtjes over demonstraties en de rechtszaken die er het gevolg van waren tikte ik uit en las ik voor aan de dictafoon van het ANP en aan krantenredacties. Eén keer bereikte een bericht van mij in ongewijzigde vorm zelfs de voorpagina van de NRC. Waarschijnlijk een voorbode voor wat er later van me zou worden, al was dat toen nog niet meteen zo duidelijk. Ineens had ik toen ook veel meer contact met Roel van Duyn en de wat oudere broer van Frank, Peter. Zij speelden bij het plannen van de acties een hoofdrol. En nu kwam ik dus nog steeds wel bij Frank thuis, maar dan toch meer voor Peter, de jazz-liefhebber, die  tijdens onze gesprekken onophoudelijk platen draaide uit zijn collectie. Door hem ging ik uiteindelijk ook van jazz houden, al duurde het gek genoeg jaren voordat  ik eindelijk ook platen en cd's ging kopen.  
Nog weer later verwaterde het contact met Frank en Herman helemaal. Eerst ging ik naar een andere school. Later gingen we in verschillende steden studeren - Frank en Herman in Leiden en ik in Amsterdam. En nog weer een paar jaar later stapte ik over naar het conservatorium in Den Haag. Ik zei de politiek waar ik ook in Amsterdam nog wel mee bezig was geweest (de Studentenvakbond) vaarwel en probeerde mijn intellectualistische opstelling in te ruilen voor de veel minder aan woorden gebonden wereld van de muziek en van de musici. Het was een bewuste keuze omdat  ik vond dat ik te veel in boekenwijsheid huisde en de dingen veel te weinig benaderde met mijn gevoel. Ik verhuisde naar een andere wereld, een wereld waar woorden minder belangrijk waren, waar de communicatie heel anders verliep, waar ook de mensen heel anders waren.   
Jaren gingen voorbij. Ik was musicus, maar werd uiteindelijk toch journalist en ging werken bij kranten. Eerst in Rotterdam, later Amsterdam. Ik trouwde, kreeg kinderen, scheidde, werd correspondent in Egypte, en kwam na een paar  jaar weer terug, trouwde nog eens, kreeg weer kinderen, en scheidde opnieuw. Natuurlijk dacht ik in al die tijd soms ook aan Frank en Herman. Vooral aan Frank, die Arabisch was gaan studeren. Wat geen verrassing  was, want al op het HML kalligrafeerde hij al voortdurend Arabische letters en zinnetjes in zijn schriften. Nu zou ik die zinnetjes eindelijk ook kunnen lezen. Bovendien, had ik uit artikelen die ik gezien had, begrepen dat dat hij een kenner was geworden van Snouck Hugronje, de eerste Nederlandse Islam-specialist van internationale faam. Maar ik zocht geen contact. Wie zoveel switcht in zijn leven, van een studie politicologie naar muziek en dan weer naar de journalistiek, en vervolgens ook nog eens naar het buitenland gaat, maakt steeds weer andere vrienden en laat onderweg veel oudere vrienden achter. Dat is een soort onvermijdelijk proces dat soms ook wel weemoedig stemt, maar waar je aan gewend raakt en mee leert leven alsof het zo hoort. . 
Maar zo'n tien jaar geleden stond ik op de Herengracht in Amsterdam ineens oog in oog met Frank. Ik was verbaasd hem daar te ontmoeten, maar hij verduidelijkte in een paar zinnen dat het met Arabisch toch niet helemaal was geworden wat hij had gehoopt en dat hij jarenlang op de Herengracht had gewerkt - bij Oorlogsdocumentatie. En dat alles met zijn innemende lachje en kenmerkende, bijna verontschuldigende schouderophalen, dat ik nog kende van destijds, van het HML. Het leek werkelijk alsof de tijd had stilgestaan. We spraken af. En ik reisde ook echt een keer naar Leiden en at bij hem en zijn vriendin Marjolijn. We haalden herinneringen op, lachten wat meewarig over de ruzie die we indertijd tijden het liften hadden gehad en die ertoe had geleid dat we toen verder apart waren gaan reizen. We spraken als wijze mannen over dromen die we als kinderen hadden gehad over onze carrières en die niet waren uitgekomen,. We praatten lang over Snouck Hugronje en de vele raadsels rond ie man, over wederzijdse vrienden en vriendinnen, en ook over Herman. Het was allemaal haast als vroeger, met dit verschil dat Frank geen alcohol dronk en bepaalde dingen niet kon eten. Hij was ook vervroegd met pensioen. 'Een levertransplantatie', was alles wat hij ter verduidelijking zei. Hij had, glimlachte hij, hepatitis c gehad.
Ik was zeker van plan het hervonden contact voort te zetten. Ik wilde hem en Marjolijn uitnodigen om een keer bij mij te komen eten. Maar hoe gaan die dingen? Ik kreeg ongeveer in dezelfde tijd een nieuwe vriendin. Dat slokte veel tijd en aandacht op. Emilie had bovendien een huis in Normandië waar van alles moest worden gedaan. We waren daar dus vaak, maakten er ook Franse vrienden met wie we regelmatig afspraken. Andere dingen bleven liggen, daaronder dus een afspraak met Frank.  
Emilie had, net als ik, een buitenlands verleden gekend. Kort nadat ze het ouderlijk huis uit was, had ze een Deense vriend gekregen. Met hem was ze naar Kopenhagen gereisd en ze vandaar in het nabije Lund in Zweden gestudeerd. Maar op een dag had haar moeder haar onder zware druk gezet om terug te komen. Zo was ze weer  in Nederland beland en daar was ze uiteindelijk blijven hangen. Nadat ik haar wat langer kende en ook haar moeder had ontmoet, vertelde ze een keer wat meer over die episode. Haar moeder had gedreigd zich van kant te maken als ze niet terugkwam. Haar vader, die na een loopbaan als schrijver, journalist en criticus hoogleraar Nederlands was geworden in Leiden (waar, tussen haakjes mijn oude vriend Herman één van zijn assistenten was geworden), was daar een verhouding begonnen met een mooie jonge studente, ene Marjolijn. Die had in plaats van haar moeder haar intrek genomen in het huis van de familie aan een gracht in Amsterdam. Emilie's moeder dacht dat Emilie, die altijd heel close met haar vader was geweest, hem, als ze terug was, wel weer op andere gedachten zou kunnen brengen. En intussen had Emilie's moeder ergens een optrekje gehuurd, bewoog ze zich in in feministische vrouwenpraatgroepen en had ze zelf ook maar een minnaar genomen - niet toevallig was dat de vriend van die Marjolijn, ene Frank, een Arabist.

Ik was een tijdje sprakeloos toen ik dit verhaal had aangehoord. Hier kwamen draden uit het verleden op een net iets te gecompliceerde manier bij elkaar. Herman die assistent was geweest van Emilies vader. Frank en Marjolijn die de tijdelijke minnaars waren geweest van haar ouders. Alles was overigens later weer goedgekomen. Emilie's ouders waren weer bij elkaar gekomen, nadat haar vader - zonder Emilie's tussenkomst - Marjolijn op een dag weer de deur had gewezen. Ook Frank en Marjolijn hadden blijkbaar hun relatie later weer voortgezet. Maar Frank en Marjolijn uitnodigen leek me ineens niet meer zo'n goed idee. Ik moest er niet aan denken hoe de tafelgesprekken zouden verlopen. Hoe gaat het nu met je? Ach, een nieuwe vriendin? En hoe heet ze, kennen we haar?
Verhalen hebben altijd een einde. En in dit geval kwam het einde abrupt, eigenlijk moet ik zeggen: eindigde alles nogal abrupt. Ruim twee jaar geleden overleed Herman. Hij had al een tijdje keelkanker. Ik hoorde het doordat hij al die tijd contact was blijven houden met Emilie's moeder. Korte tijd later overleed Emilie's moeder zelf. Vervolgens maakte Emilie  zo'n anderhalf jaar geleden ineens een einde aan onze relatie, na een woedebui waarvan niemand ooit de precieze reden heeft begrepen, inclusief wellicht zijzelf.
 En deze week was ik op de begrafenis van Frank. Daar hoorde ik dus het volledige verhaal van die nieuwe lever en de hepatitis c. In 1987 had hij bij een operatie bloed gekregen dat met hepatitis c was besmet. Om een levercirrose te onderdrukken had hij jarenlang medicijnen moeten slikken, tot hij in 2003 eindelijk een ruillever kreeg. Maar de medicijnen hadden toen zijn circulatie zo aangetast dat hij diverse attaques had gekregen. Op 14 augustus was één daarvan hem fataal geworden. Marjolijn vond hem 's ochtends vroeg op de keukenvloer.  
Van de drie musketiers was nog er toen - hoe unheimisch voelt dat - ineens nog maar ééntje over. Die ene had toen trouwens ook flink spijt dat hij niet gewoon een paar jaar geleden Frank en Marjolijn had uitgenodigd en dat tafelgesprek dan maar had getrotseerd. 'Een nieuwe vriendin? Jawel, en jullie kennen haar. Het is Emilie G.' Waarschijnlijk hadden we er even wat lacherig over gepraat. Daarna hadden we vast en zeker gewoon de draad weer opgepakt waar hij was blijven liggen.

4 opmerkingen:

trees zei

Daarom zeg ik altijd tegen mijn kinderen : Leer nu maar een vak , anders eindig je net als Abu .

Abu Pessoptimist zei

Originele reactie. trees. Maar als je goed gelezen had, had je gezien dat ook ik een vak heb geleerd.

Anoniem zei

Abu, dank voor een inkijkje in je leven, mooi geschreven. Ik bewonder je om je schrijfkunst en je bron van informatie, ga aub nog jaren door.
gr. Jose

Anoniem zei

Wat een prachtig verhaal Maarten Jan.

Ik had het kunnen weten. Je verhaal is heel herkenbaar.

We komen allebei uit de tijd van vlak na de oorlog. Uit de Leidse omgeving.

Het was de tijd van het "verbeteren van de wereld". Zo vlak na de oorlog was het bij ons thuis, maar ook op de Lorentzkade lagere school het gevoel van "... dat nooit weer!..."

Ik iep ook mee met "Ban de Bom" demonstraties op 1e Paasdag. Een groot laken met een globe er op geschilderd en een gat erin gescheurd. "... "en de aarde was weer woest en ledig...".

Met blaren aan mijn voeten - maar vol van de gesprekken onderweg - kwamen we de volgede dag in Amsterdam voor de grote demonstratie aan.
De nacht er voor was ik welkom om te overnachten bij heel lieve SJ mensen in Haarlem.

Na diverse pogingen lukte het me om in 1963 in de zomervakantie naar het "ïdealistische" Israel te liften. Op een kibboets werken natuurlijk. Ik was daar door diverse Israeliers die regelmatig bij ons professoren gezin in Leiden langs kwamen uitgenodigd.

Nou hoe dat afgelopen is kan je wel raden.

Daarna, in mijn studententijd in Utrecht probeerde ik ook als tweede vak Arabisch te leren. Bij mijn toch wel wat schoolse studie was dat te zwaar. Helaas moest ik afhaken.

De zanger Queen zingt het zo treffend: "Is this the world we created? "


Herman