vrijdag 24 juli 2015

Een dorp al 60 jaar op zoek naar een plek? Nee, een NRC correspondent op zoek naar zijn draai


Het dorpje Susiya dat dreigt te moeten wijken voor een Joodse nederzetting van onder meer bekeerde christenen uit Dordrecht.

Is het kinderachtig om collega-journalisten te bekritiseren? Niet om hun opinie, dat is natuurlijk de gewoonste zaak van de wereld, maar om hun berichtgeving en reportages? Sommige journalisten vinden dat. Ik moet zeggen dat het ook niet mijn meest geliefkoosde bezigheid is. In sommige gevallen is het ook nauwelijks interessant, zoals in het geval van de correspondent van het Reformatorisch Dagblad van wie je van tevoren al weet wat hij over het Heilige Land gaat schrijven. Of in het het geval van Monique van Hoogstraten van de NOS (en Het Parool) van wie de reportages van knulligheid en vooringenomenheid aan elkaar hangen.
Maar soms kan ik het niet laten, om de doodeenvoudige reden dat berichtgeving in sommige kranten nu eenmaal door veel mensen serieuzer worden genomen dan een blog, zodat ik het gevoel heb dat mijn geloofwaardigheid in het geding is. Dat is bijvoorbeeld het geval met de correspondent van NRC-Handelsblad in Israel, Derk Walters.
Hij is nog niet zo lang bezig, Walters, maar de afgelopen dagen had hij drie stukken in de krant. Om met het laatste te beginnen: in de krant van donderdag 23 juli schrijft hij over Tzipi Hotovely, de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Geen slecht stuk, overigens Hij meldt dat ze heeft ingevoerd dat bezoekende diplomaten en politici nu als onderdeel van hun officiële programma een bezoek aan de Westelijke Muur (ook wel Klaagmuur) in Jeruzalem moeten brengen. Een lastige eis, want deze muur ligt in het door Israel geannexeerde Oost-Jeruzalem, ofwel gebied dat voor ongeveer al die bezoekers geldt als bezet gebied.
Ook meldt hij dat ze de bezoekende minister Koenders heeft gevraagd op te houden met het subsidiëren van ''linkse'' NGO's die zich inzetten voor de mensenrechten en dus botsen met Israel beleid. Onder die organisatie verstaat Hotovely Palestijnse mensenrechtenorganisaties als Al-Haq en PCHR, maar ook de Israelische organisaties B'tselem, Yesh Din en Adalah, plus de organisatie van afzwaaiende militairen, Breaking the Silence. Er is ook wetgeving in de maak om buitenlandse subsidiëring van dit soort organisaties te verbieden. Het huidige Israel heeft niet zo'n boodschap aan mensenrechten, kennelijk.
Tot zover niets mis met Walters' berichtgeving. Alleen die kop erboven: ''Orthodoxe bewindsvrouw is op heilige missie voor Israel'' is wel erg larmoyant. Waarschijnlijk kom dat doordat Walters in het stukje wel erg veel nadruk legt op het feit dat Hotovely orthodox is en vindt dat de hele wereld ''Israel recht op Judea en Samaria'' (= de Westoever) moet erkennen.  Maar wat hij nalaat te schrijven is dat Hotovely behalve orthodox, wat niet zo bijzonder is in Israel, ook voor de annexatie van de Westoever en Samaria pleit. En dat is wèl redelijk curieus voor een Israelische minister die het corps diplomatique moet aansturen dat opereert in een wereld waar iedereen het altijd heeft over een twee-statenoplossing.

Maar dan het stuk dat Walters woensdag schreef. Dat zit er gewoon naast. Om te beginnen deugt de kop al niet: ''Israel vertienvoudigt straf voor stenengooien''. Ook wat Walters daaronder schrijft is onjuist:
Nu worden de straffen voor stenengooien drastisch verhoogd. De Israëlische Knesset stemde gisteren in met een wetsvoorstel waarmee 10 jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd, of zelfs 20 als bewezen wordt dat het de intentie was om de inzittenden van een voertuig te verwonden. Tot nu toe stond er twee jaar cel op het gooien van stenen. Als niemand gewond was geraakt, kwamen stenengooiers er geregeld vanaf met drie maanden.
Het echte nieuws was namelijk dat Israel de veroordeling van stenengooiers tot zeer zware straffen veel makkelijker heeft gemaakt. De maximumstraf voor het gooien van stenen  met de intentie om schade of letsel toe te brengen was al 20 jaar, en die straf blijft bestaan. Maar nieuw is dat stenengooiers nu ook tot maximaal 10 jaar veroordeeld kunnen worden zonder dat de openbare aanklager hoeft aan te tonen dat er een intentie was om schade of letsel toe te brengen. De clou is dat dit aantonen van een intentie meestal onmogelijk bleek, en de wet daarom zodanig is veranderd  dat vanaf nu iedereen met een steen in de hand zonder verder gedoe tot tien jaar gevangenisstraf worden veroordeeld.
Dat de maximumstraf vóór het aannemen van de wet twee jaar bedroeg, zoals Walters schreef, is trouwens evenmin juist. En dat geldt ook voor de bewering dat stenengooiers er tot nu toe geregeld vanaf kwamen met drie maanden, zelfs als er iemand gewond was. Ik hoef alleen maar te verwijzen naar het verhaal van de 17-jarige studente Lina Khattab, die de eerste helft van dit jaar zes maanden gevangenisstraf uitzat omdat een politieman had beweerd dat ze bij een vreedzame demonstratie met stenen had gegooid. Een bewering die volgens omstanders onwaar was.

Ook het derde stuk dat Walters deze week schreef (of eigenlijk het eerste, ik behandel ze in omgekeerde volgorde) is ernaast. Dat ging over het het Bedoeïenendorpje Susiya dat door de Israelische regering met sloop wordt bedreigd. De kop erboven luidde ''Dit dorp zoekt al zestig jaar een plek''. De kopt dekt de lading,  want Walters vertelt in het stuk dat de inwoners van Susiya in 1948 vanuit de Negev zijn verjaagd toen deze woestijn Israel was geworden, en zich toen op deze plek hebben gevestigd.
Maar helaas, daar klopt dus niets van. Zelfs Plia Albeck, de inmiddels overleden functionaris van het Israelische ministerie van Justitie die in de jaren '80 en '90 als geen ander met juridische spitsvondigheden en verdraaiingen van wetten en regels heeft bijgedragen aan de landroof ten behoeve van de stichting van nederzettingen 1), verklaarde in 1982 nog dat de grond van Susiya eigendom was van de inwoners.  Dat had nooit het geval kunnen zijn geweest als de inwoners er niet al in de Britse mandaatperiode hadden gewoond - dus heel wat eerder dan de ''zestig jaar''van Walters.
Ik weet niet waar Walters zijn informatie vandaan heeft, maar waarschijnlijk heeft hij het verhaal van Susiya verward met het verhaal van de Jahalin-Bedoeïenen die in de buurt van Jeruzalem wonen. Die zijn wèl in 1948 uit de Negev verjaagd en zij worden, net als de inwoners van Susiya nu, met een (in hun geval nieuwe) gedwongen verhuizing bedreigd. Het verhaal van Susiya is echter dat de inwoners al in de 19e eeuw (en mogelijk nog veel eerder) in het gebied woonden waar ze nu zitten. Oorspronkelijk bewoonden ze een gebied waar resten van een antieke synagoge zijn aangetroffen. Zij werden daar echter vandaan gejaagd nadat in 1983 de Joodse nederzetting Susiya was opgericht, die grote delen van hun grond toegewezen had gekregen die voor dat doel eerder tot ''staatsland'' waren verklaard.  Hun oorspronkelijke grotwoningen bij de overblijfselen van de synagoge, werden later tot '' beschermd archeologisch gebied'' verklaard, waar de inwoners van de nederzetting wèl en de oorspronkelijke inwoners niet meer mogen komen. Walters laat de rol van de nederzetting (en een inmiddels verrezen afsplitsing daarvan) helemaal buiten beschouwing. Zoals hij ook verzuimt het pikante feit te vermelden dat de kern van de inwoners van het Joodse Susiya wordt gevormd door christelijke bekeerlingen uit het Nederlandse Dordrecht en uit Zuid-Afrika.
De inwoners van het oorspronkelijke Susiya betrokken vervolgens andere grotten op hun land, niet ver van de plek waar ze eerst woonden. Van daaruit werden ze echter in 2001 voor een tweede keer verjaagd, nadat tijdens de Tweede Intifada een inwoner van het Joodse Susiya was vermoord. Hun grotten werden opgeblazen en hetzelfde gebeurde met hun waterputten. Sinds die tijd wonen ze in armoedige geïmproviseerde bouwsels en tenten, waarvan Walters terecht  opmerkte dat je het nauwelijks een dorpje kan noemen. En inderdaad  hebben ze sindsdien nooit een vergunning gekregen voor die geïmproviseerd huizen, laat staan dat er van de kant van de regering ooit een ontwikkelingsplan is gemaakt. Zodat de regering nu kan aanvoeren, daarbij gesteund door Israel hoogste rechtscollege, dat de behuizingen van de inwoners van Susiya ''illegaal'' zijn. jawel, u let het goed, twee keer gedwongen verhuisd en daarom nu wonend in huizen die ''illegaal'' zijn.
Walters schreef natuurlijk over Susiya 2) naar aanleiding van de waarschuwingen die de VS en de EU hebben geuit tegen het Israelische plan plan om nu aar het hele dorp af te bren en te verhuizen. Hij noemde het - terecht - een internationaal symbool van de strijd tegen onrecht in de Palestijnse gebieden. Maar hij miste wel volledig de draagwijdte van dat onrecht: namelijk dat voor het eerst is sinds de bezetting van 1967 dat een heel dorpje (350 inwoners) dreigt te worden verjaagd van nota bene hun eigen grond, om plaats te maken voor een Joodse nederzetting die - om het nog schrijnender te maken - wordt bewoond door leden van een tot het jodendom bekeerde christelijke secte. Een dorp dat al zestig jaar zoekt naar een plek? Nee hoor, waarschijnlijk een correspondent die zijn draai nog vinden.

1)  Het parlemenstlid Dov Khenin van de Verenigd (Arabische) Lijst haalde Plia Albeck aan tijdens een debat met onderminiser van defesi Ben Dahan van Defesnie. Albecks rol wordt uitgebreid beschreven in het boek ''Lords of the Land'' van Idith Zertal en Akiva Eldar. Zie onder meer pagina 366 en volgende. Ikzelf heb Albeck een keer gesproken in 1987, toen ik een ploeg verslaggevers van de Volkskrant aanvoerde bij het maken van een zaterdagbijlage over 20 jaar bezetting. Tijdens het gesprek met Albeck liepen steeds mensen in en uit met landmeters gereedschap en grote kaarten die ze ontolden om haar over specifieke plekken om raad te vragen.
2)  Walters doet een poging de naam Susiya, of Khirbet Susiya, te vertalen. Dat levert de naam op ''Ruïne van de Zoethoutplant''. Redelijk komisch en ook niet echt correct, vrees ik.  Khirba (khirbet in samenstellingen) betekent inderdaad ruïne, maar ook verlaten plek en wordt in Palestina vaak gebruikt om een gehucht of afgelegen wijk aan te duiden.  En Sus betekent inderdaad zoethout, maar dan wel in de samenstelling 'iriq sus (in het Hebreeuws  susi). Maar Susiya?  Ikzelf zou, gezien de grotwoningen, eerder denken aan een etymologische verwantschap met susa of susaya, boorkever.          

Geen opmerkingen: