maandag 4 april 2016

Jules Schelvis 1921 - 2016

Vandaag kwam het bericht dat Jules Schelvis, de man die het nazi-vernietigingskamp Sobibor uit de vergetelheid haalde,  95  jaar oud is overleden. Eind jaren '70 leerde ik hem kennen als de beminnelijke, humorvolle personeelschef van Het Vrije Volk, waar ik als journalist begon. Na zijn pensionering ontwikkelde hij, de overlevende van Sobibor en diverse andere kampen, zich tot historicus, schrijver van een internationaal erkend standaardwerk over Sobibor en oprichter van de Stichting Sobibor. 
Negen jaar geleden interviewde ik hem, nog steeds even beminnelijk, voor het kwartaalblaadje van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam (Kol Mokum, jaargang 2007, nr 3). Ik herplaats het hierbij als eerbetoon aan een bijzondere man. 

Zo’n veertig jaar lang zweeg Jules Schelvis. Zijn omgeving was er niet in geïnteresseerd - dacht hij. Pas toen hij in 1982 met de VUT ging, begon hij zich vast te bijten in wat hem in de oorlog overkomen was. Maar daarna hield het ook niet meer op. In 1983 verscheen zijn het boek ‘Binnen de poorten’ over zijn gedwongen verblijf in een hele serie kampen. En in 1993 een boek over Sobibor (‘Vernietigingskamp Sobibor’) dat inmiddels in vakkringen van historici geldt als een standaardwerk over dit kamp. In 1999 richtte hij de Stichting Sobibor' op. En tot de dag van vandaag is hij – inmiddels 86 – betrokken bij lessen op scholen, herdenkingsreizen, het inrichten van monumenten of het vervaardigen van materiaal. Zoals de DVD die dit jaar verscheen over het beruchte kindertransport uit het kamp Vught, waarbij bijna 1300 kinderen naar Sobibor werden gedeporteerd.
Sobibor is van alle kampen lang een van de onbekendste geweest. Het heeft maar relatief kort bestaan: van mei 1942 tot oktober 1943. Op 14 oktober van dat jaar brak een opstand van de gevangenen uit, die leidde tot een ontsnapping van enkele honderden Häftlinge, van wie een klein aantal de oorlog overleefde. De SS maakte hierna het kamp met de grond gelijk en wiste de sporen uit. Na de oorlog had vrijwel niemand van Sobibor gehoord, totdat het Rode Kruis er melding van maakte en langzaam duidelijk werd dat Sobibor in de vernietiging van het Nederlandse Jodendom een heel grote rol heeft gespeeld. Tenminste 34.313 Nederlandse Joden werden naar dit Vernichtungslager gedeporteerd. Vrijwel allen werden direct na aankomst vermoord. Van hen hebben slechts 18 mensen - 15 vrouwen en drie mannen – dit kamp overleefd. (Ter vergelijking: het veel bekendere Auschwitz-Birkenau was deels Vernichtungslager, maar ook deels werkkamp. Hier werden ruim 65.000 Nederlandse Joden naar toe gedeporteerd en van hen overleefden rond de 1100 mensen).
Jules Schelvis is één van die overlevenden van Sobibor. Begin juni 1943 kwam hij met zijn vrouw Rachel Borzykowski en zijn voltallige, van oorsprong Poolse schoonfamilie aan in het kamp, slechts enkele dagen nadat ze bij een grootscheepse razzia in het Amsterdamse Judenviertel waren gearresteerd. Hij was 22, zijn vrouw 20. Kort na aankomst werden mannen en vrouwen gescheiden en verloor hij zijn vrouw uit het oog. Hij zou haar nooit meer terugzien.
Schelvis merkte dat bij de selectie tachtig jonge mannen apart werden gezet, onder wie zijn zwager. In een ingeving vroeg hij de dienstdoende SS-er - ‘ik was nog grasgroen, ik wist nog niet hoe gevaarlijk het kon zijn iets aan een SS-er te vragen’ - of hij ook bij deze groep kon gaan staan. De SS-er dacht er een moment over na en zei toen: ‘Na, vort.’ Zo redde Schelvis zijn leven. Terwijl zijn familie nog dezelfde dag werd vergast, werd hij te werk gesteld in het enkele kilometers verderop gelegen kamp Dorohucza, waar turf werd gestoken.
Het werk in Dorohucza was onvoorstelbaar zwaar. Niemand hield het er lang uit. Maar opnieuw had Schelvis ‘geluk’. Na enkele weken zocht de SS temidden van een groep overlevenden van het ghetto van Warschau die eveneens in Dorohucza te werk waren gesteld, naar drukkers voor de stad Radom, waar ongeveer de helft van de bevolking Joods was. Ook Schelvis, die in Amsterdam drukker was geweest, meldde zich aan – en met succes.
Na verloop van tijd werd het ghetto van Radom echter geliquideerd. Wie nog kon werken werd gespaard, en zo kwam Schelvis terecht in een kamp waar gewerkt werd in een wapenfabriek. In juli 1944 rukten de Sovjet-legers op tot de poorten van Radom en er volgde een mars van vier dagen en nachten naar een plaats 125 kilometer meer naar het Westen. Toen de grond ook daar te heet werd onder de voeten van de SS, werd de bestemming alsnog Auschwitz, waar Schelvis bij de selectie – opnieuw – de dans ontsprong.
Zijn volgende bestemming werd een plaats bij Stutttgart waar hij te werk werd gesteld bij de aanleg van een ondergrondse fabriek van Messerschmidt-vliegtuigen. Het complex kwam overigens niet op tijd af en heeft dus nooit heeft gefunctioneerd. Ook vandaar werd hij geëvacueerd en op 8 april 1945 werd hij in de buurt van het kamp Natzweiler-Strutthof bevrijd. Net op tijd, want hij had vlektyphus opgelopen. In een Frans ziekenhuis kwam hij weer op verhaal. ‘Toen ben ik eindelijk weer een beetje helder gaan denken en heb ik alles wat ik had meegemaakt op een rijtje gezet en opgeschreven. Op papier van de Duitse Wehrmacht. Het is er nog steeds, het maakt nu – met de rest van mijn dossier – deel uit van het archief van het NIOD.’
De laatste jaren worden opgravingen in het verwoeste Sobibor uitgevoerd. Dit naamplaatsje van een Amsterdams-Joods meisje was één van de vondsten. Niet zo lang gekleden werd ook de basis blootgelegd van een gaskamer.
Personeelszaken
Terug in Amsterdam bouwde Schelvis met enige moeite zijn leven weer op. De ontvangst op het CS in Amsterdam was uiterst zuinig. ‘Ik had geen fanfare verwacht, maar je kreeg een ‘stamkaart’ en fl 130,-- om voorlopig van te leven en dat was het dan, voor de rest moest je maar zien waar je terecht kon en hoe je je verder redde. Huisvesting en alles moest je zelf maar zien te regelen. Je had natuurlijk geen werk en mijn huis en dat van mijn schoonouders waren inmiddels door anderen bewoond.’ Maar gelukkig kon Schelvis vrij snel al weer aan de slag bij zijn oude bedrijf, drukkerij Lindenbaum in de Jordaan, inmiddels niet meer in Joodse handen. ‘Maar als je dan een baan had, kreeg je wel snel een briefje in huis dat je die fl. 130,-- voorschot weer terug moest betalen.’
Later kwam hij als drukker te werken bij het socialistische dagblad Het Vrije Volk. En toen de ‘Rode Burcht’ eind jaren zestig ten onder ging en van Het Vrije Volk alleen de editie Rotterdam als lokale krant kon worden gered, ging Schelvis als bedrijfsleider van de drukkerij mee. ‘We drukten op een oude Engelse rotatiepers. Dat ding vergde erg veel onderhoud en draaide eigenlijk alleen voor die ene editie van Het Rotterdamse Vrije Volk. Toen heb ik voorgesteld om dan maar bij de NRC te gaan drukken. Daarmee zaagde ik eigenlijk wel de poten door van mijn eigen stoel, maar zo kwam het dat ik er als chef personeelszaken ben geëindigd.’



Proces
‘Over mijn kampverleden heb ik al die jaren nauwelijks gepraat. Aanvankelijk was er helemaal geen belangstelling voor en later wilde ik er niemand mee lastigvallen. Alleen Rien Robijns, sterverslaggever van het Rotterdamse Vrije Volk, heeft me in die tijd een keer benaderd: ''Ik heb gehoord dat jij in allerlei kampen hebt gezeten, mag ik er een keer met je over praten.'' Zo kwam het dat er in ’75 of ’76 een verhaal over mij in het Vrije Volk heeft gestaan.’
‘Pas na mijn vertrek met de VUT in 1982 ben ik me echt met het kampverleden gaan bezighouden. Het begon nadat ik mijn zuster, die ook de oorlog heeft overleefd, in Australië had opgezocht en daar een andere overlevende van Sobibor was tegengekomen. Hij moest in Duitsland, in Hagen, getuigen in een proces tegen één van de kampbeulen, Karl Frenzel. Ik ben daar toen ook heengegaan. Twee dagen per week zat ik daar, wekenlang. Ik wist niets van Sobibor of Aktion Reinhardt waar Sobibor samen met de andere vernietigingskampen Belzec en Treblinka deel van uitmaakte. Niet hoeveel Joden daar waren vermoord en hoe, en waar ze vandaan kwamen. Dat heb ik toen daar allemaal gehoord. In Duitsland heb je de juridische constructie dat naast de officier van justitie een tweede aanklager functioneert namens de benadeelde partij, een Nebenklager. Dat was in dit geval een advocaat die er weinig werk van maakte en voornamelijk wat zat te slapen. Dat kan ik beter, dacht ik. Ik ben toen naar de president van de rechtbank gestapt en heb gevraagd of ik het niet kon doen. En zo heb ik in dat proces, aan het eind, in mijn beste Duits, vijf kwartier namens de slachtoffers gepleit en levenslange gevangenisstraf geëist. Die straf heeft Frenzel uiteindelijk ook gekregen, ja. Al werd hij een half jaar later al wegens een slechte gezondheid in een bejaardenhuis geplaatst.’
Het proces werd het begin van een ‘tweede loopbaan’ van Schelvis, die tot de dag van vandaag voortduurt. Vanaf het proces tot 1993 werd hij – ‘als eenvoudige HBS-er’ – docent holocaust studies naast prof. Houwink ten Cate aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef zijn boek ‘Vernietigingskamp Sobibor’ dat in het Duits is vertaald en waarvan binnenkort een Engelse editie volgt. En hij zette de Stichting Sobibor op, die er – in samenwerking met Duitse en Poolse organisaties – voor heeft gezorgd dat het vrijwel van de aardbodem verdwenen kamp Sobibor een ‘Gedenklaan’ kreeg met gedenkstenen, dat er regelmatig bezoeken aan Sobibor worden georganiseerd en dat – in het algemeen – de herinnering aan het kamp levend wordt gehouden.
Inmiddels heeft Schelvis het voorzitterschap van de stichting neergelegd, maar hij blijft actief, zoals in februari bij de presentatie van een DVD voor het onderwijs over het Kindertransport uit Kamp Vught in 1943 (bij welke gelegenheid hij een lintje kreeg), of in april tijdens een studiereis naar Polen. En op de vraag wat hem eigenlijk beweegt:
‘Ik ben historicus geworden en historici willen altijd alles weten. Nog altijd komt er materiaal boven water, zoals recent een radiotelegram van de ene SS-er aan de andere, waaruit we moeten opmaken dat het aantal doden in Sobibor naar beneden moet worden bijgesteld. We gingen uit van 250.000 slachtoffers, waarschijnlijk zat het dichter bij de 200.000. Het werk houdt nooit op.’

 Update: Jules Schelvis kreeg - nadat dit stuk al verschenen was - op 8 januari 2008 voor zijn historische speurwerk een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam.

Geen opmerkingen: