donderdag 6 februari 2020

In 'steen gebeitelde roof'', hoe Heidelberg Cement zich niets aantrekt van internationale wetgeving

Steengroeve op de Westoever (foto B'tselem).

The Duitse cementgigant Heidelberg Cement  maakt zich al jaren schuldig aan het roven van natuurlijke hulpbronnen op de door Israel bezette westelijke Jordaanoever. Dat gebeurt onder meer door de exploitatie van natuursteengroeven in bezet Palestijns gebied.
 In een deze week verschenen rapport, "Violations Set in Stone'' van de Stichting SOMO (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen) in samenwerking met de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al-Haq, wordt uitgebreid uit de doeken gedaan hoe dat in zijn werk  gaat.
Heidelberg, een onderneming die internationaal opereert, waaronder ook in Nederland, exploiteert drie steengroeven op de westelijke Jordaanoever, via zijn dochteronderneming Hanson Israel, een onderneming die overigens voor 98% eigendom is van Heidelberg. Uit deze drie groeven produceerde Heidelberg de afgelopen 13 jaar meer dan acht miljoen ton aan producten, waaronder stenen en gravel die gebruikt zijn voor de aanleg van infrastructuur.
Heidelberg ontkent dat dit materiaal geleverd wordt aan Israelische nederzettingen. Echter in juni 2013 en juni 2016 werd vastgelegd dat trucks van Hanson de groeve Nahal Raba verlieten om materiaal te leveren aan respectievelijk de industriële nederzetting Barkan en de nederzetting Ofarim. Daarnaast hebben de makers van het rapport een tender boven water gebracht van de ''Burgerregering" (de misleidende naam voor de militaire regering van de Westoever) uit juni 2018, waarin werd gesteld dat Hanson Israel 196.000 ton aan materiaal leverde voor Israelische infrastructurele werken op de Westoever. Uiteraard werken ten bate van de nederzettingen. In een brief aan de mensrechtenorganisatie Human Rights Watch  geeft Heidelberg daarenboven toe dat Hanson in 2014 ongeveer 3,2 miljoen euro aan royalties betaalde aan de ''Burgerregering'' en nog eens 430.000 euro aan de Regionale Raad voor ''Samaria'', de overkoepelende raad van de nederzettingen in het noorden van de Westoever. Dat alles in ruil voor het recht om de Nahal Raba steengroeve te mogen exploiteren.
Deze betalingen zijn een onomstotelijk bewijs dat Heidelberg naast leveringen aan de nederzettingen, ook nog eens betaalt aan de bezettingsautoriteiten om de natuurlijke hulpbronnen van het bezette Palestina te mogen exploiteren. De betalingen op zich vertellen dat Heidelberg daarmee tegelijkertijd steun verleent aan het ''nederzettingenproject'', terwijl de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen van bezette gebieden volgens diverse bepalingen van het internationale recht, waaronder de Reguleringen bvan Den Haag van 1907 en de Conventie van Genève met additionele protocollen, het gebruiken van grondstoffen van bezette volken of gebieden ten gunste van de bezetter, categorisch verbieden.
 Heidelberg maakt zich hieraan schuldig volgens het rapport hieraan schuldig, en dat komt neer op roof.
Het rapport besteedt vooral aandacht aan de groeve Nahal Raba, die ligt in gebied van de Palestijnse plaats al-Zawiya. Het grootste deel van die grond bevindt zich in ''Area C" (het deel van de Westoever dat onder exclusief bestuur van Israel staat op basis van de Akkoorden van Oslo). Israel verklaarde de betreffende grond tot 'staatsland', wat een vrijbrief is en was om zich het land illegaal toe te eigenen. Heidelberg verschuilt zich achter deze gang van zaken. En eveneens achter uitspraken van het Israelische hooggerechtshof, dat na aanvankelijke weigeringen uiteindelijk de exploitatie van steengroeven goedkeurde, hoewel dat in strijd is met alle bepalingen van het internationaal recht. Heidelberg onttekt zich aan zijn verantwoordelijkheden door zich te verschuilen achter deze gang van zaken. 
De groeve Nahal Raba besteelt de Palestijnse economie, bestendigt de diefstal van Palestijjnse grond, en draagt bij aan het nederzettingenproject waarbij Israel illegaal; een deel van zijn bevolking overhevelt naar bezet gebied. Bovendien veroorzaakt het grote milieuschade doordat het een voortdurende bron is van lawaai voor de belendende Palestijnse dorpen al-Zawiya  en Rafat, en zorgt vor een onophoudelijke stofregen, die alles en iedereen bedelft onder een grijze sluier
De uiteindelijke verantwoordelijke voor deze situatie is uiteraard de exploitant. .SOMO en al-Haq zien het rapport als een voorbeeld van hoe een internationale onderneming alw Heidelberg liegt en zich verschuilt achter Israelische bezettingsregulaties en Mickey Mouse wetgeving, zonder dat de internationale gemeenschap daar ooit met sancties op reageert. Heidelberg is wat dat betreft helaas zeker niet de enige onderneming die zich op deze wijze schandalig misdraagt. SOMO en al-Haq  hopen dat dit rapport ertoe bij zal dragen dat zulk gedrag na 53 jaar bezetting eindelijk eens een keer zal worden aangepakt.

Geen opmerkingen:

Israelische rechters onteigenen opnieuw een Palestijns huis in Silwan ten bate van de kolonisten

Het huis van de familie Samrin (Sumarin) in Silwan (FotoVrede Nu)  Een dag voor de deadline die Bibi Netanyhau zich had gesteld om dele...