Posts tonen met het label Shoa. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Shoa. Alle posts tonen

maandag 10 februari 2014

Hongaarse Joden protesteren tegen wegmoffelen eigen rol Hongaren bij Holocaust-herdenking

Members of the fascist Arrow Cross Party arrest Jews. Budapest, Hungary, October-December 1944.
1944: Joden worden opgebracht tijdens een razzia door Hongaarse Pijlkruisers. 

De Vereniging van Hongaarse Joodse Gemeentes Mazsihizs, een overkoepelende organisatie van Hongaarse Joden, heeft zondag besloten om de officiële herdenking van de Holocaust in Hongarije te gaan boycotten, tenzij de rol van de de Hongaren zelf bij de deportatie en het doden van Joden duidelijker naar voren wordt gebracht. Mazsihizs stelde voorwaarden waaraan voldaan moet worden willen de Joden niet wegblijven bij de 70ste herdenking van juni 1944, toen 437.000 Joden in het tijds bestek van slechts enkele weken naar de vernietigingskampen werden gedeporteerd 

vrijdag 11 mei 2012

Niemand heeft een monopolie op de 4 mei herdenking

Ewoud Sanders schreef in NRC Handelsblad een stukje naar aanleiding van alle heisa die er ook dit jaar weer ontstond rond de nationale dodenherdenking onder de titel 'Maak van nationale dodenherdenking geen exclusieve Jodenherdenking'. Wat hij schrijft was me uit het hart gegrepen. Ik geeft hier zijn betoog verkort weer, hopelijk zonder het al te veel te kort te doen. Het origineel staat hier en is  uiteraard uitgewogener en daardoor beter: 

Herdenking op de Waalsdorpervlakte bij  Den Haag, plek waar verzetsstrijders werden gefusilleerd.

Als Auke de Leeuw, een jongen van vijftien, op de Dam een gedicht wil voordragen waarin hij een oudoom herdenkt die „koos voor een verkeerd leger”, dan weet het Nederlands Auschwitz Comité dit te voorkomen. Voordragen van het gedicht zou volgens dit comité strijdig zijn „met iedere vorm van zindelijk denken en fatsoen”.
Belangenvereniging Federatief Joods Nederland voorkwam via de rechter dat tijdens de dodenherdenking in Vorden, Gelderland, ook tien Duitse dienstplichtigen werden herdacht. De voorzitter van Federatief Joods Nederland, een miniclubje dat een handvol mensen vertegenwoordigt, noemde dit voornemen „grievend” en „misselijkmakend”.
Een Joodse groepering die zich TOF noemt, een Jiddisch woord voor ‘goed’, maar hier als afkorting van Tradition is Our Future, bestond het zelfs om een vliegtuigje boven Vorden te laten vliegen met op een reclamesleep de tekst „Vorden is fout!”
Ik vind dit kwalijke ontwikkelingen. Nederland telt niet één Joodse gemeenschap, het gaat om een zeer verdeelde groep van zo’n 52.000 mensen. Leden van kleine groepjes eisen buitensporig veel macht op. Zij doen dit op basis van een vast argument: respect voor het ongekende leed dat de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan.

En: 
Als de geschiedschrijving van de laatste decennia ons iets over de Tweede Wereldoorlog heeft geleerd, dan is het wel dat de tweedeling tussen goed en fout veel te simplistisch is.  (..) Steeds meer mensen zien ook sommige daders als slachtoffers – slachtoffers van de omstandigheden.
......als het aan mij had gelegen, had Auke de Leeuw zijn ontroerende gedicht voorgelezen op de Dam en had het gemeentebestuur in Vorden gerust bij de graven van die Duitse dienstplichtigen mogen stilstaan.
Waarom? Omdat de dodenherdenking een nationale herdenking is, geen Jodenherdenking (die bestaat al en heet Jom Hasjoa). ....(....)  De toenemende Joodse monopolisering van de dodenherdenking wekt wrevel op, merk ik om mij heen. De nationale ontwikkeling volgen en mededogen opbrengen voor sommige daders zou juist respect opleveren.

De dodenherdenkingen op 4 mei, het is me wat. Ze leveren al een paar jaar gedonder op. Twee jaar geleden mocht de Duitse ambassadeur niet naar de herdenking op de Dam, een jaar geleden was er stampei over het feit dat Grimbert Rost van Tonningen, zoon van één van de beruchtste Nederlandse nazi's maar zelf wel degelijk ook een slachtoffer, een rede zou houden. Dit jaar was het dus Vorden en de 15-jarige Auke de Leeuw. Volgend jaar is er vast wel weer iets anders aan de hand.
Op 3 mei was er, als voorbereiding op de herdenking - en juist ook omdat er alweer van alles om te doen was geweest - een debat in De Balie in Amsterdam onder de titel `De 2e Wereldoorlog: IJkpunt of zeikpunt?  Deelnemers waren onder meer acteurs, de psychoanalyticus en traumadeskundige Wouter Gomperts, de historicus Von der Dunk (sr),  en hoogleraar journalistiek Frank van Vree, plus de zaal. (Strafpleiter Bram Moszkowicz zei op het laatst af).  Felix Rottenberg leidde en zorgde voor een soort constructieve chaos, waaruit naar voren kwam dat weliswaar ongeveer iedereen die twee minuten stilte op 4 mei wel wil behouden, maar dat de inhoud ervan lang niet meer voor iedereen hetzelfde vertegenwoordigt. Von der Dunk had dat in een inleiding waarmee hij de spits mocht afbijten ook al geconcludeerd. Het was volgens hem de verklaring voor die steeds terugkerende ´´affaires´´ rond 4 mei. De zwart -wit  tinten (goed of fout) waarin na de oorlog op de gebeurtenissen werd teruggekeken, hebben plaatsgemaakt voor meer grijs, zei hij, en steeds minder mensen kunnen zich daarom herkennen in - of claimen te spreken vanuit - een soort vanzelfsprekend wij-gevoel.
Als ik de avond in mijn eigen woorden resumeer, kwam eruit dat discussie over de inhoud van de herdenking goed en nodig is om de verschillende visies tot hun recht te laten komen en te zorgen dat er überhaupt, nu de generatie die het heeft meegemaakt aan het uitsterven is, nog wel een inhoud aan gegeven kan worden. De suggestie uit de zaal van de historicus Blom (ex-directeur van het NIOD) om op of rond 4 mei voor debatten over historische onderwerpen te zorgen, klonk wat dat betreft zinvol.
 Publiek bij een voorstelling van de Barbaren.

Twee mensen die al een tijdje zorgen voor die extra inhoud - en die ook het debat in De Balie hadden georganiseerd - zijn Jaïr Stranders en Bo Tarenskeen, theatermakers en toevallig ook filosoof. Of  misschien is dat laatste niet zo toevallig. Drie jaar geleden begonnen zij met 'Theater na de Dam', dat inmiddels is uitgegroeid tot een uitgebreide onderneming. Afgelopen 4 mei was van alles te doen in diverse theaters, van Toneelgroep Amsterdam en Ramsy Nasser tot theatergroep Nieuw  West met ´Lokjoden´. Zelf was ik bij een voorlezing van ´Het vuil, de stad en de dood´van Rainer Werner Fassbinder, door de groep ´Barbaren & Co. die duidelijk maakte dat het achteraf totaal onbegrijpelijk is dat dit stuk zo´n 25 jaar geleden een gigantische rel veroorzaakte en niet mocht worden opgevoerd omdat het antisemitisch zou zijn. Ook dat is een bewijs voor hoe de perspectieven in toch maar enkele jaren tijd radicaal kunnen veranderen. Vandaar ook deze keuze natuurlijk van Barbaren & Co. Wat mij betreft: alle hulde voor Stranders en Tarenskeen voor de manier waarop zij proberen de rituele 4 mei gebeurtenis van een nieuwe inhoud te voorzien en voor wie er dit jaar nog niet heen is geweest een aanrader om het volgend jaar te doen.

woensdag 7 oktober 2009

Wat werd weggelaten uit de bio van Marek Edelman, held van de getto opstand in Warschau

Philip Weiss van de site Mondoweiss wijst op een aspect van de vrijdag op 90-jarige leeftijd overleden 'laatste held' van de opstand van het Warschauer getto, Marek Edelman, dat in de meeste kranten werd weggelaten: zijn houding tegenover de Palestijnse bevrijdingsstrijd. Ik moet bekennen dat ik het ook niet echt wist.
Alle necrologieën vermeldden Edelmans ervaringen in de oorlog, maar vrijwel nergens werd geschreven over de pro-Palestijnse uitingen van Edelman, die voor de oorlog lid was van de socialistische (anti-zionistische) Bund, zich altijd heeft verzet tegen het beeld dat de getto-opstand zou zijn mislukt doordat de 'anti-semitische' Polen te weinig hulp zouden hebben gegeven, en die altijd Polen, waar hij werkte als hartchirurg, is blijven verkiezen boven emigratie naar Israël. Op deze site van de Britse Socialist Workers Party is de volgende, noodzakelijke aanvulling te vinden op het beeld van Edelman, de oorlogsheld:
'In de zomer van 2002 mengde de nog volop actieve Edelman zich in het showproces van de nu gevangen zittende Palestijnse leider Marwan Barghouti. Hij schreef een solidariteitsbrief aan de Palestijnse beweging waarmee hij, hoewel hij kritiek leverde op de zelfmoordaanslagen, de woede wekte van de Israëlische regering en pers. Edelman had altijd bezwaar gehad tegen de Israëlische claim dat de opstand van het Warschauer getto een symbool van Joodse bevrijdingsstrijd was geweest. Nu zei hij dat dit symbool de Palestijnen toekwam. Hij richtte zijn brief aan de ''commandanten van de Palestijnse militaire, paramilitaire en partizanen operaties – aan alle soldaten van de strijdende Palestijnse organisaties''. Waarmee de oude Joodse anti-nazi strijder uit het getto, zich met zijn immense morele autoriteit schaarde achter de enige kant die hij dat waard achtte.'

donderdag 16 april 2009

Amos Elon en The Blood Dimmed Tide

Boeksbespreking in het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW):
AMOS ELON, A Blood-Dimmed Tide, Dispatches from the Middle East,
Allen Lane/The Penguin Press, 2000

Door Maarten Jan Hijmans
Israel heeft geen gebrek aan goede journalisten, maar sommigen weten toch nog net wat meer indruk te maken dan anderen. Zo iemand is Amos Elon. Hij schrijft mooi, is liberaal in zijn oordeel, scherp in zijn observaties, en weet de tragische of absurde kanten van situaties vaardig in woorden te vangen.
Elon loopt al een tijd mee. Hij heeft de Israelische politieke elite jarenlang van nabij meegemaakt, evenals de hoogte- en dieptepunten in het Israelische openbare leven. ‘A Blood-dimmed Tide, Dispatches from de Middle East’ is een bundel artikelen die in een periode tussen nu en ruim dertig jaar geleden verschenen in diverse bladen en periodieken, waaronder de New Yorker en de New York Review of Books. De titel van de bundel is ontleend aan een dichtregel van Yeats:
The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere
The ceremony of innocence is drowned

Het is bovendien ook de titel van één van de artikelen. Niet toevallig een verhaal over de situatie na de inval in Libanon van 1982. Elon’s relaas van de ‘kater na Libanon’ schetst een onheilspellend portret van de stemming, nadat deze veldtocht niets heeft opgeleverd behalve een boel bloedvergieten. De Israelische top is besluiteloos over de vraag wat te doen met de troepen die vastzitten in het ‘Libanese moeras’. De militairen hebben er genoeg van en ook in Libanon is eigenlijk niemand blij met de situatie. Israel gaat intussen gebukt onder een galopperende inflatie, alarmerend geslonken reserves, een stagnerende economie en politieke malaise. Elon’s verhaal is doortrokken van een verstikkend pessimisme. Het lijkt nooit meer goed te kunnen komen. Wij kennen de afloop en weten dat het allemaal met kunst en vliegwerk toch weer zo’n beetje is rechtgetrokken. Maar Elon’s verhaal haalt de collectieve depressie van toen weer terug. Zo erg was het ...
Journalistiek is een tijdgebonden bezigheid. Heruitgaven van artikelen die tóen zijn geschreven zijn per definitie een beetje achterhaald. De uitleg van toen is overbodig geworden, want intussen weten we allemaal wel hoe het zat. Niettemin hebben de meeste van Elon’s artikelen toch net zo’n soort meerwaarde als dat over de stemming-na-Libanon. We weten het wel, maar ...zo voelde het dus.
Het boek begint met de Zesdaagse oorlog en een artikel van kort daarna, dat de veelzeggende titel ‘Veroveraars’ (conquerors) heeft meegekregen. Ook deze verhalen gaan over besluiteloosheid van Israelische leiders. In dit geval het kabinet-Eshkol dat na juni ‘67 ineens heerste over Jeruzalem, de Westoever en de Gazastrook (nog afgezien van de Golan en de Sinai) en geen idee had hoe het met die gebieden moest omgaan, laat staan met de Arabische inwoners ervan (Palestijnen mochten ze toen nog niet worden genoemd). Elon beschrijft, toen al tergend duidelijk, hoe de officiële retoriek over teruggave van de gebieden in ruil voor vrede (‘Wij wachten op een telefoontje uit Amman’) haaks stond op de territoriale en militair strategische honger die zich tegelijkertijd in de boezem van het kabinet ontwikkelde. Maar niet alleen daar, ongeveer heel Israel reageerde half-dronken op gebiedsuitbreiding. Maandenlang zag de Westoever zwart van de Israelische toeristen. En de eerste lobby-groepen voor een ‘Groter Israel’ dienden zich al kort na de overwinning aan.
De meeste van Elon’s verhalen zijn net zo to the point en treurigmakend. Neem bijvoorbeeld het verhaal ‘Jerusalem Blues’ (1987) dat grotendeels gaat over de ‘deal’ die Shimon Peres als minister van buitenlandse zaken in een kabinet van Arbeiderspartij en Likoed, een zogenoemde 'brede coalitie', had gesloten met koning Hussein van Jordanië. Het akkoord (een regeling van het probleem van de Westoever, te bekrachtigen via een internationale vredesconferentie) werd door premier Yitschak Shamir getorpedeerd. Peres, de eeuwige weifelaar, had er een breekpunt van kunnen maken, het brede kabinet kunnen opblazen, en de deal inzet kunnen maken van nieuwe verkiezingen. Maar Peres liet het allemaal gebeuren. Hij gaf daarmee Elon alle gelegenheid uit te wijden over de merkwaardige, nooit helemaal verklaarde, zwakke kanten van deze staatsman die hem op beslissende momenten meestal deden misgrijpen.
Andere verhalen gaan over de intifadah van 1988, de Golfoorlog of de moord op Rabin. Ook al geen dingen die aanleiding geven tot vrolijkheid. Amusanter zijn drie verhalen over bezoeken aan Egypte (uit 1978, ‘88, en ‘95). Er valt wat te lachen en ze geven een redelijk beeld van de stemming in Egypte ten aanzien van de vrede. Geen slechte prestatie, want Israeli’s vinden heel wat deuren in Cairo voor hen gesloten. Meestal worden ze rondgeleid in een bepaald ‘gezagsgetrouw’ circuit en afgescheept met niet veel meer dan de helft van de waarheid. Ook Elon ontsnapt er niet aan, maar hij kijkt er hier en daar wel doorheen.

Tijdlozer dan al deze verhalen zijn twee artikelen over respectievelijk het omgaan van de Israeli’s met de holocaust en de nationale obsessie voor archeologische vondsten. In ‘De politiek van de herinnering’ geeft Elon aan hoe de holocaust, waar de Israeli’s ooit met een gevoel van schaamte op reageerden (‘joden die zich als makke schapen hadden laten wegvoeren’) geleidelijk tot een soort rode draad in het onderwijs is geworden, terwijl het bovendien een thema is dat na de Zesdaagse oorlog steeds meer een politieke functie heeft gekregen als rechtvaardiging voor een harde opstelling (‘de hele wereld is toch tegen ons’). Vooral de Likoed, aldus Elon, is altijd sterk geweest in het leggen van paralellen tussen het nazi-verleden en hedendaagse omstandigheden. Menachem Begin, bijvoorbeeld, rechtvaardigde in 1982 in een brief aan president Reagan de aanval op Beiroet met de opmerking dat de oprukkende tanks hem het gevoel gaven alsof ze ‘op weg waren Hitler gevangen te nemen in zijn bunker’. Elon waarschuwt tegen het gebruik van de holocaust als een soort Leitmotiv. Met instemming citeert hij de hoogleraar Yehuda Elkana, zelf overlevende van Auschwitz, die pleit voor ‘het loslaten van het verleden als bepalend element voor de toekomst’. ‘Niet vergeten’ geldt voor de wereld als geheel, maar juist voor Israel en de joden zou het opbouwen van een nieuwe toekomst voorop moeten staan om Hitler niet alsnog ‘een tragische en paradoxale overwinning’ te laten behalen.
In ‘Politiek en archeologie’ neemt Elon de Israelische liefde voor archeologische vondsten op de hak, die tijden lang een nationale passie is geweest als een soort manier om met behulp van bodemvondsten uit het niets een historische continuïteit te smeden en daarmee de Israelische identiteit meer wortels te geven. Met name Yigal Yadin en de (gelukkig inmiddels weer afgeschafte) barokke gewoonte om officieren ‘s nachts op Masada te beëdigen, moeten het ontgelden. In deze twee laatste stukken toont Elon zich eigenlijk op zijn best. Maar ja, identiteit en geschiedenis, dat zijn als het om Israel gaat, ook wel de onderwerpen die het meest blijven intrigeren.

vrijdag 10 april 2009

Jules Schelvis, van overlevende tot geschiedschrijver van Sobibor


Uit Kol Mokum, kwartaalblad van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam,
jaargang 2007, nr 3


Zo’n veertig jaar lang zweeg Jules Schelvis. Zijn omgeving was er niet in geïnteresseerd - dacht hij. Pas toen hij in 1982 met de VUT ging, begon hij zich vast te bijten in wat hem in de oorlog overkomen was. Maar daarna hield het ook niet meer op. In 1983 verscheen  het boek ‘Binnen de poorten’ over zijn gedwongen verblijf in een hele serie kampen. En in 1993 een boek over Sobibor (‘Vernietigingskamp Sobibor’) dat inmiddels in vakkringen van historici geldt als een standaardwerk over dit kamp. In 1999 richtte hij de Stichting Sobibor' op. En tot de dag van vandaag is hij – inmiddels 86 – betrokken bij lessen op scholen, herdenkingsreizen, het inrichten van monumenten of het vervaardigen van materiaal. Zoals de DVD die dit jaar verscheen over het beruchte kindertransport uit het kamp Vught, waarbij bijna 1300 kinderen naar Sobibor werden gedeporteerd.

Sobibor is van alle kampen lang een van de onbekendste geweest. Het heeft maar relatief kort bestaan: van mei 1942 tot oktober 1943. Op 14 oktober van dat jaar brak een opstand van de gevangenen uit, die leidde tot een ontsnapping van enkele honderden Häftlinge, van wie een klein aantal de oorlog overleefde. De SS maakte hierna het kamp met de grond gelijk en wiste de sporen uit. Na de oorlog had vrijwel niemand van Sobibor gehoord, totdat het Rode Kruis er melding van maakte en langzaam duidelijk werd dat Sobibor in de vernietiging van het Nederlandse Jodendom een heel grote rol heeft gespeeld. Tenminste 34.313 Nederlandse Joden werden naar dit Vernichtungslager gedeporteerd. Vrijwel allen werden direct na aankomst vermoord. Van hen hebben slechts 18 mensen - 15 vrouwen en drie mannen – dit kamp overleefd. (Ter vergelijking: het veel bekendere Auschwitz-Birkenau was deels Vernichtungslager, maar ook deels werkkamp. Hier werden ruim 65.000 Nederlandse Joden naar toe gedeporteerd en van hen overleefden rond de 1100 mensen).
Jules Schelvis is één van die overlevenden van Sobibor. Begin juni 1943 kwam hij met zijn vrouw Rachel Borzykowski en zijn voltallige, van oorsprong Poolse schoonfamilie aan in het kamp, slechts enkele dagen nadat ze bij een grootscheepse razzia in het Amsterdamse Judenviertel waren gearresteerd. Hij was 22, zijn vrouw 20. Kort na aankomst werden mannen en vrouwen gescheiden en verloor hij zijn vrouw uit het oog. Hij zou haar nooit meer terugzien.
Schelvis merkte dat bij de selectie tachtig jonge mannen apart werden gezet, onder wie zijn zwager. In een ingeving vroeg hij de dienstdoende SS-er - ‘ik was nog grasgroen, ik wist nog niet hoe gevaarlijk het kon zijn iets aan een SS-er te vragen’ - of hij ook bij deze groep kon gaan staan. De SS-er dacht er een moment over na en zei toen: ‘Na, vort.’ Zo redde Schelvis zijn leven. Terwijl zijn familie nog dezelfde dag werd vergast, werd hij te werk gesteld in het enkele kilometers verderop gelegen kamp Dorohucza, waar turf werd gestoken.
Het werk in Dorohucza was onvoorstelbaar zwaar. Niemand hield het er lang uit. Maar opnieuw had Schelvis ‘geluk’. Na enkele weken zocht de SS temidden van een groep overlevenden van het ghetto van Warschau die eveneens in Dorohucza te werk waren gesteld, naar drukkers voor de stad Radom, waar ongeveer de helft van de bevolking Joods was. Ook Schelvis, die in Amsterdam drukker was geweest, meldde zich aan – en met succes.
Na verloop van tijd werd het ghetto van Radom echter geliquideerd. Wie nog kon werken werd gespaard, en zo kwam Schelvis terecht in een kamp waar gewerkt werd in een wapenfabriek. In juli 1944 rukten de Sovjet-legers op tot de poorten van Radom en er volgde een mars van vier dagen en nachten naar een plaats 125 kilometer meer naar het Westen. Toen de grond ook daar te heet werd onder de voeten van de SS, werd de bestemming alsnog Auschwitz, waar Schelvis bij de selectie – opnieuw – de dans ontsprong.
Zijn volgende bestemming werd een plaats bij Stutttgart waar hij te werk werd gesteld bij de aanleg van een ondergrondse fabriek van Messerschmidt-vliegtuigen. Het complex kwam overigens niet op tijd af en heeft dus nooit heeft gefunctioneerd. Ook vandaar werd hij geëvacueerd en op 8 april 1945 werd hij in de buurt van het kamp Natzweiler-Strutthof bevrijd. Net op tijd, want hij had vlektyphus opgelopen. In een Frans ziekenhuis kwam hij weer op verhaal. ‘Toen ben ik eindelijk weer een beetje helder gaan denken en heb ik alles wat ik had meegemaakt op een rijtje gezet en opgeschreven. Op papier van de Duitse Wehrmacht. Het is er nog steeds, het maakt nu – met de rest van mijn dossier – deel uit van het archief van het NIOD.’

Personeelszaken
Terug in Amsterdam bouwde Schelvis met enige moeite zijn leven weer op. De ontvangst op het CS in Amsterdam was uiterst zuinig. ‘Ik had geen fanfare verwacht, maar je kreeg een ‘stamkaart’ en fl 130,-- om voorlopig van te leven en dat was het dan, voor de rest moest je maar zien waar je terecht kon en hoe je je verder redde. Huisvesting en alles moest je zelf maar zien te regelen. Je had natuurlijk geen werk en mijn huis en dat van mijn schoonouders waren inmiddels door anderen bewoond.’ Maar gelukkig kon Schelvis vrij snel al weer aan de slag bij zijn oude bedrijf, drukkerij Lindenbaum in de Jordaan, inmiddels niet meer in Joodse handen.‘Maar als je dan een baan had, kreeg je wel snel een briefje in huis dat je die fl. 130,-- voorschot weer terug moest betalen.’
Later kwam hij als drukker te werken bij het socialistische dagblad Het Vrije Volk. En toen de ‘Rode Burcht’ eind jaren zestig ten onder ging en van Het Vrije Volk alleen de editie Rotterdam als lokale krant kon worden gered, ging Schelvis als bedrijfsleider van de drukkerij mee. ‘We drukten op een oude Engelse rotatiepers. Dat ding vergde erg veel onderhoud en draaide eigenlijk alleen voor die ene editie van Het Rotterdamse Vrije Volk. Toen heb ik voorgesteld om dan maar bij de NRC te gaan drukken. Daarmee zaagde ik eigenlijk wel de poten door van mijn eigen stoel, maar zo kwam het dat ik er als chef personeelszaken ben geëindigd.’

Proces
‘Over mijn kampverleden heb ik al die jaren nauwelijks gepraat. Aanvankelijk was er helemaal geen belangstelling voor en later wilde ik er niemand mee lastigvallen. Alleen Rien Robijns, sterverslaggever van het Rotterdamse Vrije Volk, heeft me in die tijd een keer benaderd: ''Ik heb gehoord dat jij in allerlei kampen hebt gezeten, mag ik er een keer met je over praten.'' Zo kwam het dat er in ’75 of ’76 een verhaal over mij in het Vrije Volk heeft gestaan.’
‘Pas na mijn vertrek met de VUT in 1982 ben ik me echt met het kampverleden gaan bezighouden. Het begon nadat ik mijn zuster, die ook de oorlog heeft overleefd, in Australië had opgezocht en daar een andere overlevende van Sobibor was tegengekomen. Hij moest in Duitsland, in Hagen, getuigen in een proces tegen één van de kampbeulen, Karl Frenzel. Ik ben daar toen ook heengegaan. Twee dagen per week zat ik daar, wekenlang. Ik wist niets van Sobibor of Aktion Reinhardt waar Sobibor samen met de andere vernietigingskampen Belzec en Treblinka deel van uitmaakte. Niet hoeveel Joden daar waren vermoord en hoe, en waar ze vandaan kwamen. Dat heb ik toen daar allemaal gehoord. In Duitsland heb je de juridische constructie dat naast de officier van justitie een tweede aanklager functioneert namens de benadeelde partij, een Nebenklager. Dat was in dit geval een advocaat die er weinig werk van maakte en voornamelijk wat zat te slapen. Dat kan ik beter, dacht ik. Ik ben toen naar de president van de rechtbank gestapt en heb gevraagd of ik het niet kon doen. En zo heb ik in dat proces, aan het eind, in mijn beste Duits, vijf kwartier namens de slachtoffers gepleit en levenslange gevangenisstraf geëist. Die straf heeft Frenzel uiteindelijk ook gekregen, ja. Al werd hij een half jaar later al wegens een slechte gezondheid in een bejaardenhuis geplaatst.’
Het proces werd het begin van een ‘tweede loopbaan’ van Schelvis, die tot de dag van vandaag voortduurt. Vanaf het proces tot 1993 werd hij – ‘als eenvoudige HBS-er’ – docent holocaust studies naast prof. Houwink ten Cate aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef zijn boek ‘Vernietigingskamp Sobibor’ dat in het Duits is vertaald en waarvan binnenkort een Engelse editie volgt. En hij zette de Stichting Sobibor op, die er – in samenwerking met Duitse en Poolse organisaties – voor heeft gezorgd dat het vrijwel van de aardbodem verdwenen kamp Sobibor een ‘Gedenklaan’ kreeg met gedenkstenen, dat er regelmatig bezoeken aan Sobibor worden georganiseerd en dat – in het algemeen – de herinnering aan het kamp levend wordt gehouden.
Inmiddels heeft Schelvis het voorzitterschap van de stichting neergelegd, maar hij blijft actief, zoals in februari bij de presentatie van een DVD voor het onderwijs over het Kindertransport uit Kamp Vught in 1943 (bij welke gelegenheid hij een lintje kreeg), of in april tijdens een studiereis naar Polen. En op de vraag wat hem eigenlijk beweegt:
‘Ik ben historicus geworden en historici willen altijd alles weten. Nog altijd komt er materiaal boven water, zoals recent een radiotelegram van de ene SS-er aan de andere, waaruit we moeten opmaken dat het aantal doden in Sobibor naar beneden moet worden bijgesteld. We gingen uit van 250.000 slachtoffers, waarschijnlijk zat het dichter bij de 200.000. Het werk houdt nooit op.’

 Update: Jules Schelvis kreeg - nadat dit stuk al verschenen was - op 8 januari 2008 voor zijn historische speurwerk een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam.

woensdag 11 februari 2009

Is an Israeli Jewish sense of victimization perpetuating the conflict with Palestinians?

Een belangrijk artikel. Verklaart niet alleen waarom de meerderheid van de Israëli's zo snel bereid is (en eigenlijk onmachtig iets anders te doen) dan de officiële leugens te geloven over de 'noodzaak' van de inval in Gaza, maar ook waarom Israëli's zich collectief zo moeilijk losmaken uit een patroon dat mijns inziens alleen maar kan leiden tot een toekomst die nog zwarter is voor alle betrokkenen.


From: Haaretz 30-01-09
Akiva Eldar

A new study of Jewish Israelis shows that most accept the 'official version' of the history of the conflict with the Palestinians. Is it any wonder, then, that the same public also buys the establishment explanation of the operation in Gaza?

A pioneering research study dealing with Israeli Jews' memory of the conflict with the Arabs, from its inception to the present, came into the world together with the war in Gaza. The sweeping support for Operation Cast Lead confirmed the main diagnosis that arises from the study, conducted by Daniel Bar-Tal, one of the world's leading political psychologists, and Rafi Nets-Zehngut, a doctoral student: Israeli Jews' consciousness is characterized by a sense of victimization, a siege mentality, blind patriotism, belligerence, self-righteousness, dehumanization of the Palestinians and insensitivity to their suffering. The fighting in Gaza dashed the little hope Bar-Tal had left - that this public would exchange the drums of war for the cooing of doves.

"Most of the nation retains a simplistic collective memory of the conflict, a black-and-white memory that portrays us in a very positive light and the Arabs in a very negative one," says the professor from Tel Aviv University. This memory, along with the ethos of the conflict and collective emotions such as fear, hatred and anger, turns into a psycho-social infrastructure of the kind experienced by nations that have been involved in a long-term violent conflict. This infrastructure gives rise to the culture of conflict in which we and the Palestinians are deeply immersed, fanning the flames and preventing progress toward peace. Bar-Tal claims that in such a situation, it is hard even to imagine a possibility that the two nations will be capable of overcoming the psychological obstacles without outside help.
Scholars the world over distinguish between two types of collective memory: popular collective memory - that is, representations of the past that have been adopted by the general public; and official collective memory, or representations of the past that have been adopted by the country's official institutions in the form of publications, books or textbooks.

The idea for researching the popular collective memory of Israeli Jews was raised by Nets-Zehngut, a Tel Aviv lawyer who decided to return to the academic world. At present he is completing his doctoral thesis in the International Center for Cooperation and Conflict Resolution at Columbia University's Teachers College. The study, by him and Bar-Tal, entitled "The Israeli-Jewish Collective Memory of the Israeli-Arab/Palestinian Conflict," examines how official collective memory in the State of Israel regarding the creation of the 1948 refugee problem has changed over time.

Bar-Tal became enthusiastic about the idea and, with funding from the International Peace Research Association Foundation, he conducted a survey in the summer of 2008 among a representative sample of 500 Jewish Israeli adults. The study demonstrated that widespread support for the official memory testifies to a lower level of critical thinking, as well as belief in traditional values, high identification with Jewish identity, a tendency to delegitimize the Arabs, and support for taking aggressive steps against the Palestinians.

In a telephone interview from New York, Nets-Zehngut says it is very clear that those with a "Zionist memory" see Israel and the Jews as the victims in the conflict, and do not tend to support agreements or compromises with the enemy in order to achieve peace. This finding, he explains, demonstrates the importance of changing the collective memory of conflicts, making it less biased and more objective - on condition, of course, that there is a factual basis for such a change.

Bar-Tal, who has won international awards for his scientific work, immigrated to Israel from Poland as a child in the 1950s.

"I grew up in a society that for the most part did not accept the reality that the authorities tried to portray, and fought for a different future," he says. "I have melancholy thoughts about nations where there is an almost total identity between the agents of a conflict, on the one hand, who nurture the siege mentality and the existential fear, and various parts of society, on the other. Nations that respond so easily to battle cries and hesitate to enlist in favor of peace do not leave room for building a better future."

Bar-Tal emphasizes that the Israeli awareness of reality was also forged in the context of Palestinian violence against Israeli citizens, but relies primarily on prolonged indoctrination that is based on ignorance and even nurtures it. In his opinion, an analysis of the present situation indicates that with the exception of a small minority, which is capable of looking at the past with an open mind, the general public is not interested in knowing what Israel did in Gaza for many years; how the disengagement was carried out and why, or what its outcome was for the Palestinians; why Hamas came to power in democratic elections; how many people were killed in Gaza from the disengagement until the start of the recent war; and whether it was possible to extend the recent cease-fire or even who violated it first.

"Although there are accessible sources, where it is possible to find the answers to those questions, the public practices self-censorship and accepts the establishment version, out of an unwillingness to open up to alternative information - they don't want to be confused with the facts. We are a nation that lives in the past, suffused with anxiety and suffering from chronic closed-mindedness," charges Bar-Tal.

That describes the state of mind in 2000, when most of the pubic accepted the simplistic version of then-prime minister Ehud Barak regarding the failure of the Camp David summit and the outbreak of the second intifada, and reached what seemed like the obvious conclusion that "there is no partner" with whom to negotiate.

Bar-Tal: "After the bitter experience of the Second Lebanon War, during which the memory of the war was taken out of their hands and allowed to be formed freely, the country's leaders learned their lesson, and decided that they wouldn't let that happen again. They were not satisfied with attempts to inculcate Palestinian awareness and tried to influence Jewish awareness in Israel as well. For that purpose, heavy censorship and monitoring of information were imposed" during the Gaza campaign.

The professor believes that politicians would not have been successful in formulating the collective memory of such a large public without the willing enlistment of the media. Almost all the media focused only on the sense of victimization of the residents of the so-called "Gaza envelope" and the south. They did not provide the broader context of the military operation and almost completely ignored - before and during the fighting - the situation of the residents of besieged Gaza. The human stories from Sderot and the dehumanization of Hamas and the Palestinians provided the motivation for striking at Gaza with full force.

Nets-Zehngut and Bar-Tal find a close connection between the collective memory and the memory of "past persecutions of Jews" ("the whole world is against us," and the Holocaust). The more significant the memory of persecution, the stronger the tendency to adopt Zionist narratives. From this we can understand the finding that adults, the religious public and those with more right-wing political views tend to adopt the Zionist version of the conflict, while young people, the secular public and those with left-wing views tend more to adopt critical narratives.

The atmosphere in the street and in the media during the weeks of the Gaza war seems to have confirmed the central finding of the study: "The ethos of the conflict is deeply implanted in Jewish society in Israel. It is a strongly rooted ideology that justifies the goals of the Jews, adopts their version, presents them in a very positive light and rejects the legitimacy of the Arabs, and primarily of the Palestinians," notes Bar-Tal.

For example, when asked the question, "What were the reasons for the failure of the negotiations between [Ehud] Barak and [Yasser] Arafat in summer 2000?" 55.6 percent of the respondents selected the following answer: "Barak offered Arafat a very generous peace agreement, but Arafat declined mainly because he did not want peace." Another 25.4 percent believed that both parties were responsible for the failure, and about 3 percent replied that Arafat did want peace, but Barak was not forthcoming enough in meeting the needs of the Palestinians. (Sixteen percent replied that they didn't know the answer.)

Over 45 percent of Israeli Jews have imprinted on their memories the version that the second intifada broke out only, or principally, because Arafat planned the conflict in advance. Only 15 percent of them believe the viewpoint presented by three heads of the Shin Bet security services: that the intifada was mainly the eruption of a popular protest. Over half those polled hold the Palestinians responsible for the failure of the Oslo process, 6 percent hold Israel responsible, and 28.4 percent said both sides were equally responsible.

Among the same Jewish public, 40 percent are unaware that at the end of the 19th century, the Arabs were an absolute majority among the inhabitants of the Land of Israel. Over half of respondents replied that in the United Nations partition plan, which was rejected by the Arabs, the Arabs received an equal or larger part of the territory of the Land of Israel, relative to their numbers; 26.6 percent did not know that the plan offered the 1.3 million Arabs a smaller part of the territory (44 percent) than was offered to 600,000 Jews (55 percent).

Bar-Tal claims that this distortion of memory is no coincidence. He says that the details of the plan do not appear in any textbook, and this is a deliberate omission. "Knowledge of how the land was divided could arouse questions regarding the reason why the Arabs rejected the plan and make it possible to question the simplistic version: We accepted the partition plan, they didn't."

However, his study shows that a larger percentage of the Jewish population in Israel believes that in 1948, the refugees were expelled (47.2 percent of respondents), than those who still retain the old Zionist version (40.8 percent), according to which the refugees left on their own initiative. On this point, not only do almost all the history books provide up-to-date information, but some local school textbooks do as well. Even on the television program "Tekuma" ("Rebirth," a 1998 documentary series about Israel's first 50 years), the expulsion of the Arabs was mentioned.

Nets-Zehngut also finds a degree of self-criticism in the answers relating to the question of overall responsibility for the conflict. Of those surveyed, 46 percent think that the responsibility is more or less evenly divided between Jews and Arabs, 4.3 percent think that the Jews are mainly to blame, and 43 percent think that the Arabs and the Palestinians are mainly to blame for the outbreak and continuation of the conflict. It turns out, therefore, that when the country's education system and media are willing to deal with distorted narratives, even a collective memory that has been etched into people's minds for years can be changed.

Bar-Tal says he takes no comfort in the knowledge that Palestinian collective memory suffers from similar ills, and that it is also in need of a profound change - a change that would help future generations on both sides to regard one another in a more balanced, and mainly a more humane manner. This process took many decades for the French and the Germans, and for the Protestants and the Catholics in Northern Ireland. When will it finally begin here, too?

Israel begint serieus met de annexatie van de Westoever

  Het is natuurlijk onvergeeflijk als je al jaren blogt over het Midden-Oosten en vooral over Israel en de Palestijnen en juist nu, als Isra...