Posts tonen met het label Personen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Personen. Alle posts tonen

zaterdag 11 november 2017

Willy Brill, performer, vertaler en pionier van de Jiddische revival, 1926 – 2017

Willy Briill op een oude foto
Dit stuk schreef ik in september 2009 voor Kol Mokum, toen het kwartaalblad van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam. Vandaag 11 november 2017 overleed Willy Brill, 91 jaar oud. Haar vertalingen, en haar aandeel aan de herleving van het Jiddisch zal voortleven.

Eén van de dingen die meteen opvallen aan Willy Brill is haar grote bescheidenheid. Ze wil best praten, over vroeger, over haar werk destijds bij de hoorspelkern van de radio, over haar vader, Samuel Brill (cellist en ooit mijn leraar op het Conservatorium), over optreden, over Jiddisch. Maar als ik haar voorzichtig voorhoud dat ze toch een soort eenzame pionier van het Jiddisch in Nederland is geweest als vertaalster, als docent en als uitvoerend kunstenaar – en dat jarenlang – dan zegt ze: 'Ach.' En wuift het een beetje weg. 


Er is voor deze bescheidenheid geen enkele reden. Er was een tijd, nog niet zo lang geleden dat gedacht werd dat Jiddisch op zijn retour was en dat in Nederland straks niemand meer documenten, grafschriften en andere historisch belangrijke teksten zou kunnen ontcijferen. Willy Brill is in die tijd heel lang een eenzame performer van liederen en teksten geweest, en een van de weinige docenten. Nu is er een leerstoel aan de UvA, bezet door een native speaker, Shlomo Berger (helaas inmiddels ook overleden, AbuP.). Er zijn twee studenten die een proefschrift voorbereiden. Er zijn klezmerbands, performers, er is een Stichting Jiddisj (www.stichtingjiddisj.nl), die nu bijna tien jaar bestaat en een eigen tijdschrift uitgeeft, Grine Mediene. Er is een flink aantal Jiddische boeken in het Nederlands vertaald. Willy Brill heeft bij dit alles, de oprichting van de Stichting Jiddisch, het performen, de vertalingen, een rol in de voorhoede gespeeld en een flink aantal Jiddische boeken in het Nederlands vertaald.

zaterdag 8 maart 2014

Victor Shem-Tov, oud-leider Mapam, 1915-2014

Victor Shem-Tov in 1980, file photo (Photo credit: CC-BY-SA GPO)
Shem Tov in 1980





Victor Shem-Tov, een vroegere leider van de Israelische Mapam-partij en één van laatst overgebleven linkse voormannen uit de tijd dat links in Israel nog iets voorstelde, is vrijdag overleden op de leeftijd van 99 jaar, melden de Israelische kranten. Shem-Tov was - met onderbrekingen -parlementslid van 1961 tot 1988. In de jaren '70 was hij twee maal minister, onder Golda Meir was hij minister van Gezondheid en onder Yitzhak Rabin van Sociale Zaken.
Het bekendst was Shem-Tov, die in 1939 uit Bulgarije naar Palestina emigreerde, echter als leider en boegbeeld van de ''Verenigde Arbeiderspartij'' Mapam, een partij die begin jaren  '90 is opgegaan in de nu nog bestaande kleine linkse Meretz-partij. Als zodanig was hij een representant van een soort zionisme waarvan heden ten dage nog waar weinig van over is.

vrijdag 9 augustus 2013

Dirk Jan van Baar en de pseudo-gematigdheid waar de Volkskrant tegenwoordig zo dol op is

 Er zijn in Nederland types die alles wat moslim is haten. Die blij zijn met iedere nieuwe oorlog die Israel ontketent, omdat dat tegen de moslims gaat (alsof er geen Arabische christenen bestaan). Die staan te juichen bij elke Palestijn die wordt gedood. Ze zijn aanhangers van Geert Wilders, Leon de Winter of Afshin Ellian.
Er zijn anderen die minder extreem uit de hoek komen. Die niet juichen  bij elke dode moslim, maar intussen - net als Wilders - wel vinden dat alle Syriërs, Irakezen, Palestijnen en Egyptenaren tot één en dezelfde, islamitische pot nat behoren van moslims die christenen en joden haten. Die in Israel - net als Wilders - een soort 'joods christelijke' culturele verwantschap menen waar te nemen en daarover op catechesatie of op hun roomse school over hebben geleerd. (Na de oorlog wel te verstaan. Vóór 1945 was er nergens sprake van een joods-christelijk erfgoed. Oh nee).
Die minder extreme mensen gaan vaak door voor 'gematigd'. Immers zij willen de Palestijnen niet deporteren of verjagen zoals Wilders. Nee, zij zijn voor een regeling. Maar dan wel één op Israels termen. Zij vinden dat de Palestijnen een toontje lager moeten zingen, omdat die zelf kansen op vrede zouden hebben laten lopen. Ook vinden zij dat de nederzettingen helemaal geen beletsel voor vrede vormen. En dat Jeruzalem Israelisch hoort te zijn, want het zou al 2000 jaar Joods zijn. En onder Israelisch beheer zou het 'beter af zijn'. Verder zouden wij meer oog moeten hebben voor de veiligheidseisen van Israel.   
Eén zo'n ''gematigd'' iemand is Dirk Jan van Baar. Op 8-8-13 schreef hij een stuk in de Volkskrant dat al deze zogenaamd 'gematigde' beweringen op een rijtje zette. Wat de onderbouwing van die ''gematigde'' beweringen betreft, stond het stuk echter zo vol onzin dat het bijna onbegonnen werk is het allemaal tegen te spreken. Dat ik daar toch een poging toe doe, is omdat de Volkskrant tegenwoordig vaak dit soort schijnbaar doordachte stukken aan het publiek presenteert. Dit soort namaak-redelijkheid doet het goed bij veel lezers. Blijkbaar is het niet meteen voor iedereen duidelijk hoe slecht geïnformeerd en hoe volstrekt eenzijdig types als Van Baar zijn. En daarom is dit soort stukken in feite gevaarlijker dan de herkenbaar rabiate onzin van Wilders en zijn vriendjes.  
Van Baar schreef bijvoorbeeld:  

.......Jammer, want in Nederland bestaat al genoeg sympathie voor de Palestijnen. De regering is voor labeling van Israëlische producten uit de bezette gebieden en enkele supermarkten boycotten die al. Ik had graag eens een ander geluid gehoord over die kolonisten. Religieus zijn ze wel, verbonden als zij zich voelen met de heilige grond van Judea en Samaria. Militant zijn ze ook, wat nooit een aangename mensensoort oplevert, en ze houden er om ideologische redenen grote gezinnen op na. Maar daarmee zijn zij nog geen halvegaren. Naar alle menselijke maatstaven leveren zij grote prestaties, ook economisch, zonder veel sympathie in eigen land. Veel Israëli's zijn de kolonisten vanwege hun geloofsijver en daarmee verbonden privileges liever kwijt dan rijk, maar de kolonisten putten kracht uit hun geloof. Helemaal achterlijk kunnen zij niet zijn, want om naar het buitenland te exporteren moet je bij de tijd zijn. Verder wonen er ook veel 'gewone' Joodse immigranten in de nederzettingen, omdat de woningen daar goedkoper zijn.

Wat valt hierover te zeggen? Allereerst natuurlijk dit:  Van Baar wil een lans breken voor de kolonisten maar hij houdt een verhaal dat al jaren geleden  is achterhaald. Natuurlijk zijn er geloofsijverige, ideologisch bezielde kolonisten. Zij waren ook ooit de voorhoede van het kolonistenwezen, maar dat zijn ze al ruim 20 jaar niet meer. Ze zijn al lang overvleugeld door de 'gewone burgers' die in de nederzettingen zijn gaan wonen, omdat de Israelische regering de grond daarvan zonder compensatie heeft afgepakt van de Palestijnse eigenaars en de bouw van huizen, crèches, scholen, infrastructuur en transport heftig heeft gesubsidieerd, zodat wonen in een nederzetting veel en veel minder kost dan wonen in Tel Aviv of Jeruzalem. Dacht Van Baar nou echt dat de meer dan 25.000 inwoners van een nederzetting als Ariël, of de meer dan 35.000 inwoners van Ma'aleh Adumim allemaal keppeldragende ideoloogjes waren? En dacht hij nou echt dat het feit dat de kolonisten voor de export werken bewijst dat ze 'niet achterlijk' zijn? Hij heeft zeker nog nooit gehoord van industriegebieden als Barkan (bij Ariël) waar meerdere vierkante kilometers Palestijnse grond zijn ingenomen door een uitgestrekt industriegebied met grote bedrijven, Israelische, maar ook internationals. Misschien moet hij eens de site 'Who profits' bezoeken, waar uit de doeken wordt gedaan welke multinationals dat zijn en wie er in Israel allemaal economisch van de bezetting profiteert.
Als Van Baar zich er echt in verdiepte zou hij mogelijk van verbazing van zijn stoel vallen, want 'de nederzettingen' met hun 600.000 inwoners vormen een gigantisch complex, dat zonder de uitgebreide financiële, logistieke en juridische steun van de Israelische regering niet in de verste verte tot deze omvang had kunnen groeien. Dat is nu juist waarom de nederzettingen wel degelijk HET struikelblok vormen voor een regeling. Het is een grote door de Israelische staat aangedreven onderneming om zoveel mogelijk waterbronnen, grond en grondstoffen bij Israel te trekken, ten detrimente van een Palestijnse staat, - of, waarschijnlijk -   met het oogmerk om zo'n Palestijnse staat onmogelijk te maken. En, zo voeg ik eraan toe nadat ik de vorige twee weken nog eens de situatie van dichtbij heb gezien, waarschijnlijk is het punt dat zo'n staat ook al lang niet meer levensvatbaar kan zijn, al lang geleden bereikt.
 Flatblokken in Modi'in Illit, een van de snelst groeiende nederzettingen, met meer dan 30.000 inwoners.

Maar niet volgens de deskundige Van Baar: 
In Europa wordt het Israëlische nederzettingenbeleid als het grootste obstakel voor vrede in het Midden-Oosten gezien, en de kolonisten met hun excentrieke gedrag zijn daarbij een gemakkelijke zondebok. Maar voor 1967, toen er nog geen door Israël bezette gebieden waren met Joodse kolonisten, was er ook geen vrede in het Heilige Land. Een Palestijnse staat op Arabische bodem was er al helemaal niet. En wie vandaag naar de ontaarding van de Arabische Lente kijkt, en naar de burgeroorlog in Syrië, kan onmogelijk volhouden dat de Israëlische bezettingspolitiek het grootste probleem in het Midden-Oosten is. Wel wordt het voor de Palestijnen steeds moeilijker een eigen staat te vestigen naarmate de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever langer duurt.

Ach Van Baar, de historicus, die hier met het grootste gemak de geschiedenis wegpoetst  alsof  die er nooit is geweest. Als hij wel eens een boek gelezen had over het onderwerp, wist hij dat in 1948 - tijdens wat Israel zijn Onafhankelijkheidsoorlog noemt - de Westoever volgens een afspraak tussen Israel en Jordanië - door de Jordaniërs is bezet.  (Leestip voor Van Baar: Avi Shlaim, Collusion over the Jordan, New York 1988. Daarin valt te lezen hoe Israel en Jordanië, de twee staten die er belang bij hadden om te voorkomen dat er een Palestijnse staat zou ontstaan, onder één hoedje speelden). 
De Palestijnse gemeenschap was in die tijd door het verjagen van 800.000 mensen en de totale verovering van Palestina volstrekt uit elkaar gespeeld. Maar eind jaren '50 ontstond toch in Libanon en Syrië het Palestijnse  verzet. Na 1967 - en nadat Israel de Westoever weer van Jordanië had afgepakt - kreeg dat vorm in een Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) waar Yasser Arafat en diens Fatah-beweging de dienst  uitmaakten. Die PLO streefde aanvankelijk naar een terugkeer naar de situatie van vóór 1948, toen Israel nog niet bestond. Maar onder leiding van Arafat werd dat streven geleidelijk en met veel moeite omgebogen naar de compromisoplossing, de 'twee-staatsoplossing', waarbij de Palestijnen genoegen namen met 22% van hun oorspronkelijk grondgebied, namelijk Gaza, de Westoever en Oost-Jeruzalem. In embryonale vorm werd dit al in 1974 door de PLO aanvaard. In 1988 werd het met zoveel woorden vastgelegd in een verklaring tijdens de Palestijnse Nationale Raadsvergadering in Algiers. In Israel was praten met de PLO (die dat wel wilde en ook probeerde) intussen al die jaren ''not done''. Israel was pas bereid over een twee-staatsoplossing na te gaan denken na 1993, toen het de Akkoorden van Oslo had ondertekend. Maar het blijft ook daarna  - als we alleen al naar het nederzettingenprogramma kijken - op zijn minst een grote open vraag of Israel ook werkelijk ooit serieus de uitgestoken Palestijnse hand van de twee-statenoplossing heeft aangenomen.
En ja, zo'n verwijzing naar de 'ontaarding van de Arabische Lente' doet het vast wel goed bij een groot publiek. Alleen is onduidelijk wat de burgeroorlog in Syrië in godsnaam te maken zou kunnen hebben met het Palestijnse probleem. Waarom zou onderlinge strijd van het ene volk een reden kunnen zijn om een ander volk, de Palestijnen, niet te geven wat hen minimaal rechtens toekomt? Zo'n opmerking over dat 'wie kijkt naar de Syrische burgeroorlog onmogelijk kan volhouden dat de Israelische bezettingspolitiek het grootste probleem in het Midden-Oosten' is, getuigt van wat Edward Said destijds een 'oriëntalistische kijk op het gebied' zou hebben genoemd. (Nog een leestip voor Van Baar: Edward Said, Orientalism). Een kijk waarin alles wat 'Middenoosters' is op een grote hoop wordt gegooid, een visie die meer van de 19e eeuw zou moeten zijn dan van onze tijd. We zeggen toch ook niet dat de oorlogen in voormalig Joegoslavië ervan getuigen dat wij Europeanen nog niet rijp zijn voor democratie?
Israel Settlements Ariel
Een blik op (een gedeelte van) de nederzetting Ariël.

En daarmee was Van Baar nog niet uitgepraat. Natuurlijk komt ook Gaza voorbij, waarbij hij de gebruikelijke riedel afsteekt dat (de toenmalige Israelische premier) Ariel Sharon het gebied in 2005 ontruimde en vervolgens werd beloond met raketten. Misschien kunnen we Van Baar er nog even op wijzen dat er na 2005 ook Palestijnse verkiezingen plaatsvonden, die door Israel ongedaan waren gemaakt, nadat ze waren gewonnen door Hamas. Dat er vervolgens een door Israel en de VS geïnspireerde en gesteunde couppoging werd gedaan door leden van de Fatah-beweging om Hamas in Gaza uit te schakelen, waarop Hamas de macht in Gaza overnam (allemaal hier na te lezen in het Amerikaanse blad Vanity Fair). Israel begon daarna een belegering van Gaza die tot op de huidige dag voortduurt, en dat leidde weer tot beschietingen vanuit Gaza met raketten.
 Natuurlijk: zo'n demagogische opmerking dat Sharon zich terugtrok, de nederzettingen afbrak in Gaza en met raketten werd beloond, doet het lekker bij het grote publiek, omdat het een paar lastige details overslaat die de werkelijkheid aan het licht zouden brengen. Eigenlijk geldt dat dus voor het hele stuk van Van Baar, en mutatis mutandis ook op voor veel vergelijkbare zogenaamd 'verstandige' of 'gematigde' stukken waarop de Volkskrant ons regelmatig trakteert 1). Kennis van zaken, en een eerlijke poging doen om de feiten recht te doen, zijn voor de Volkskrant al lang geen vereiste meer om mee te mogen praten over het Israelisch-Palestijnse conflict.
 
1) Ik ga niet in op het stuk dat Ratna Pelle op 1 augustus in de Volkskrant schreef. Pelle is een soort Doddeltje van de hasbara-kampioenen. Ze heeft een kritiekloze adoratie voor Israel zoals haar door Marten Toonder bedachte voorgangster dat had voor Ollie B Bommel. En ze recycelt, als een grammofoonplaat waarbij de naald in de groef is blijven hangen, al jaren steeds dezelfde argumenten uit de oude doos, namelijk dat niet Israel onder druk moet worden gezet, maar de Palestijnen.Om al Israels voorwaarden te aanvaarden, en elke nationalistische aspiratie op te geven. Dat spreekt vanzelf.  

woensdag 17 juli 2013

Ontmoet een racistische lasteraar: Afshin Ellian

Tussen alle commentaren over de recente coup in Egypte - waaronder een hoop minder zinnige, het lijkt wel alsof iedereen ineens Egypte-deskundig is geworden - was er ook nog ééntje in Elsevier die de aandacht trok. Lees de volgende regels en huiver:
  
In de Sinaïwoestijn wordt hevig gevochten, maar dat hoort u niet in de westerse media. En weet u waarom? Omdat de Palestijnen, het lievelingsvolk van de westerse media, daar aan het moorden en plunderen zijn geslagen.
Een paar dagen geleden schoten ze een raket af op een bus waarin Egyptische arbeiders zaten. Er vielen ministens drie doden. Deze Palestijnse ‘vrijheidsstrijders’ zijn aanhangers van de afgezette president Morsi.
Het zijn Hamas-strijders die nu boos zijn op de Egyptische autoriteiten. Hoe kwamen deze moordenaars Egypte binnen? President Morsi opende de grenzen voor deze ‘vrijheidsstrijders’, oftewel islamitische fascisten.
De Palestijnse terroristen zijn een kankergezwel aan het worden in de hele regio - hoe minder Palestijns tuig in het Midden-Oosten, hoe vrediger de toekomst van het Midden-Oosten zal zijn.

De schrijver van de bovenstaande regels - op de website van Elsevier - is  hoogleraar 'sociale cohesie, burgerschap en multiculturaliteit'. Hij heet Afshin Ellian, en is prof. mr. dr..
Het is Ellians goed recht om Palestijnen met een kritisch oog te bezien. Maar het is niemands goed recht om te liegen en te lasteren zoals hij hier doet. Want hoewel het waar is dat er in de Sinai van alles aan de hand is, zijn zijn beschuldigingen dat hier Palestijnen, aanhangers van Hamas of zelfs maar aanhangers van Morsi aan het werk zijn, nergens op gebaseerd. Waarschijnlijker is dat het Bedoeïenen zijn, die het al tientallen jaren aan de stok hebben met de Egyptische autoriteiten, omdat ze op alle mogelijke manieren worden onderdrukt.
Behalve Ellian is er niemand die schrijft dat het Palestijnen zijn die het op het Egyptische leger hebben voorzien. Als enige ter wereld weet Ellian dat dus echter zeker, en schrijft hij over 'islamistische fascisten'  over 'Palestijnse terroristen die een kankergezwel aan het worden zijn in de regio' en over 'Palestijns tuig' dat als het er  niet meer zou zijn, het Midden-Oosten veel vrediger zou maken. Dat is niet alleen ontzettend racistisch gebral, het is eigenlijk gewoon een oproep tot moord, of erger: genocide.
Is het mogelijk dat Ellian die oproep doet  in het kader van de sociale cohesie en de multiculturaliteit waarover hij aan de Universiteit van Leiden college geeft? Dan moeten we medelijden hebben met zijn studenten en hopen dat ze de schade weten te beperken. Of  is dit gewoon één van de vele uitingen van kwaadaardige warrigheid waaraan deze hooggeleerde nu eenmaal lijdt? Ellian is een fenomeen, omdat hij steeds van alles schrijft en roept, zelden iets met argumenten weet te onderbouwen en er waarschijnlijk meestal maar op los fantaseert. Dat is - in het kader van het recht op vrije meningsuiting - ook niet verboden, al zou je van een wetenschapper die hij pretendeert te zijn, anders mogen verwachten. Maar valse beschuldigingen uiten en dan in dit soort niets ontziende kwaadaardige racistische bewoordingen? Mijns inziens is dit eigenlijk iets voor de strafrechter.

woensdag 10 juli 2013

In memorimam: Ilan Halévi, prominent Joods lid van de PLO, 1943 -2013

In Haaretz lees ik tot mijn verdriet dat Ilan Halévi is overleden, één van de weinige Joden die een hoge post heeft bekleed binnen de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO. Hij was pas 70. Halévi was een kleurrijke figuur. Hij was geboren in bezet Frankrijk als zoon van een Jemenitische vader en ging later naar Israel. Daar raakte hij - via de linske, anti-zionistische organisatie Matzpen - betrokken bij de dialoog tussen Israeli's en Palestijnen die in het begin van de jaren zeventig van de grond kwam. Via die dialoog liep hij, om het zo maar te zeggen, 'over naar de andere kant'.
Ilan Halevi
Ik leerde hem kennen ergens in 1977 of 1978, via het contact dat ik toen had met de Palestijn Issam Sartawi, die namens Yasser Arafat contacten onderhield met een groepje Israeli's rond mensen als generaal b.d. Matti Peled, de oud-directeur generaal van het ministerie van Financiën Yaacov Arnon (geboren Jaap van Amerongen), en Uri Avneri. Ilan was toen Sartawi's assistent. Later, nadat Sartawi in 1983 in Portugal was vermoord, volgde Ilan hem op als degene die (mede) de dialoog met de Israeli's bleef organiseren en als Arafats afgezant bij de Socialistische Internationale. Ilan zag er toen ongeveer uit als op de onderste foto. Hij was één van mijn vraagbaken als het om Palestijnse politieke zaken ging.
Ilan was een belezen intellectueel, schrijver van een aantal boeken waaronder 'Sous Israel, la Palestine' en het in 2003 geschreven 'Face à la guerre - lettre de Ramalla'. Hij was mede-oprichter van de 'Revue des études palestiniennes', sprak meerdere talen vloeiend en was een onderhoudend prater. Ik herinner me een avond in Cairo - ik denk in het jaar 1990 - tijdens een bijeenkomst van de Socialistische Internationale daar, waar hij en ik doorzakten en hij hilarische verhalen vertelde over hoe Arafat in speeches vaak met zijn fantasie op de loop ging, iets wat dan later weer door zijn staf moest worden rechtgezet.  'Vooral de quotes uit de Koran waar hij mee aan komt en die volstrekt niet blijken te kloppen, ' zei Ilan, 'geven ons handen vol werk.' Hij gaf een paar voorbeelden waarbij we bijna van onze stoel rolden van het lachen.

Ilan Halevi Replaces Issam Sartaoui
Ilan was toen al lid  van de Palestijnse Nationale Raad, het PLO-parlement. Als ik me niet vergis was hij een van de twee Joodse leden. De andere was (en is) Uri Davis, een professor aan de Bir Zeit universiteit. Later werd Ilan ook nog onderminister van Buitenlandse Zaken onder Nabil Shaath.
De dood van Ilan is extra-treurigmakend omdat hij één van de leden was van het nu bijna uitgestorven clubje (waartoe behalve een aantal redelijk prominente Israeli's ongeveer de hele toenmalige PLO-leiding behoorde), dat de basis legde voor een twee-statenoplossing en dat geloofde in een Israelisch-Palestijnse verzoening via een dialoog. Hun werk lag aan de basis van de Akkoorden van Oslo, maar die losten helaas uiteindelijk niets op. Ik geloof dat met hen ook hun (en mijn) optimisme aan het verdwijnen is dat het met praten ooit nog eens helemaal goed zou kunnen komen.

vrijdag 21 juni 2013

Peres 90 - een knalfeest voor een geboren loser

Peres, Streisand, Clinton and Netanyahu in J'lem, June 2013.
Gasten op het feestje van Shimon Peres: vlnr Barbra Streisand, Bill Clinton, Peres zelf en zijn aartsvijand Netanyahu.

Deze dagen was in Israel een knalfuif aan de gang ter gelegenheid van de 90ste verjaardag van Shimon Peres, Israels president. Ettelijke duizenden genodigden waren uitgerukt voor de feestelijkheid, die was opgetuigd als een symposium dat de prachtige naam 'Facing the Future' heeft gekregen. Onder hen diva Barbra Streisand die een liedje zong (en als verzoeknummer ook nog het synagogale lied Avinu Malkenu),   Tony Blair, Benjamin Netanyahu en oud-president Bill Clinton die speeches hielden en verder onder meer de acteurs Sharon Stone en Robert de Niro, prins Albert II van Monaco, president Kagame van Ruanda-Burundi en Rahm Emanuel, de burgemeester van Chicago.
De totale kosten van het verjaardagsfeest bedroegen 11 miljoen shekel (zo'n 3,5 miljoen euro). So what, zou je zeggen, de man wordt tenslotte 90! Maar toen las ik hoe schaamteloos Peres daar werd bewierookt en de hemel in geprezen en kon ik het toch niet laten om iets te schrijven. Dat Blair en Netanyahu hem een 'man van de vrede' noemden was nog tot daaraan toe, uit hun mond klonk dat banaal genoeg. Maar wat te denken van Clinton die in ruil voor een honorarium van 500.000 dollar Peres beschreef als:
''...the world's social Einstein. You have tried to put together a unified theory of meaning to unite politics and philosophy and psychology and history and science and technology. Every one of us who has been blessed enough to know you… has been made a little bigger, a little stronger, and a little more optimistic that one day your theory will be real. On your 90th birthday, what we really celebrate, is your great gift to all of us. God bless you."
Of Peres die een dag later Clinton als dank voor deze pluimstrijkerij de hoogste Israelische onderscheiding omhing, de 'presidentiële vrijheidsmedaille', en hem vertelde dat hij, Clinton, de de uitvinder van de twee-stanenoplossing zou zijn: "Your work laid the foundations which will one day bring peace to our region – the two state solution is your gift to Israel."

Clinton de bedenker van de twee-statenoplossing. Wat een kul. Maar wel ongeveer net zo onzinnig als Peres een sociale Einstein noemen. Ik moest onmiddellijk denken aan die keer dat ik Peres meemaakte tijdens een verkiezingscampagne voor zijn partij, de Arbeidspartij. Dat was in 1981 in Tel Aviv in een zaal waar Peres kwam spreken voor Georgische partij-aanhangers. Georgische immigranten vormden toen de armste onderlaag die in Israel te vinden was.
 Peres kwam het podium op en meteen klonk er luid boegeroep. En ongelukkigerwijs had de sociale Einstein daar volstrekt geen antwoord op. Hij reageerde beledigd, en in plaats van een dialoog aan te gaan, of de zaal te vragen wat hun grieven waren hield hij gekwetst zijn mond. Een plaatselijke partijvertegenwoordiger moest om stilte vragen. Uiteindelijk sprak Peres een kort speechje uit dat nog een paar keer door boegeroep werd onderbroken, daarna verliet hij ijlings de zaal. Een week later verloor hij de verkiezingen van Likud-leider Menachem Begin.
En dat was dus al de tweede keer. De eerste keer dat hij de verkieizingen verloor was in 1977. Hij had toen kort daarvoor Yitzhak Rabin opgevolgd, die had moeten aftreden als premier, omdat was onthuld dat mevrouw Rabin, uit de tijd dat Rabin nog ambassadeur was in de VS, tegen de regels een Amerikaanse dollarrekening had aangehouden.
Ik ontmoette Peres voor het eerst een jaar na deze eerste verkiezingsnederlaag. Het was 1978. Hij was in Nederland omdat hij als gastspreker zou optreden op een viering van het dertigjarige bestaan van Israel. Het werd een ontluisterende ontmoeting. Ik was een nog vrij groene verslaggever van Het Vrije Volk, toen een lokale sociaaldemocratische krant in Rotterdam, en had het gesprek met Peres weten te regelen via mijn goede contacten met de Israelische sociaaldemocratie (ik was, zo moet ik bekennen, toen nog zionist). Er was een redelijke ruimte in de krant voor gereserveerd.
Het binnenkomen verliep stroef. Ik zei iets in het Hebreeuws, wat hem de vraag ontlokte of ik die taal ook echt sprak. Dat deed ik niet. Ik stelde dus snel maar mijn eerste vraag: '30 jaar Israel. En u was er vanaf het begin bij. Hoe voelt dat?'
Ik had gedacht dat zo'n vraag Peres wel ruimte zou geven voor wat persoonlijke noten, en ik had allerlei volgende vragen bedacht die daar op zouden kunnen inhaken. Maar er gebeurde iets wat ik totaal niet had verwacht. Er viel een ongemakkelijke stilte. Peres keek naar zijn nagels en daarna naar het plafond. Vervolgens begon hij een verhaal op te dreunen op zo'n toon dat ik onmiddellijk begreep dat het de tekst van zijn feestrede was. (Dat bleek ook zo te zijn,  ik kon het diezelfde avond verifiëren). Ik was teleurgesteld - zijn toespraak was niet wat ik in de krant wilde zetten. Maar ik was ook van mijn stuk gebracht, want ik hield op deze manier weinig vragen over. Ik probeerde in te breken in zijn verhaal, hem persoonlijke noten te ontfutselen, maar zonder resultaat. Tenslotte week ik maar uit naar de rest van mijn vragen - over de actuele politiek. De derde vraag daarvan ging over de nederzettingen. Had hij niet de stichting van de nederzetting Kiryat Arba bij Hebron gesteund? En waarom, wat voor reden had hij daarvoor? Peres reageerde als door een adder gebeten. 'Your information is wrong,' zei hij met zijn sterke Poolse accent. 'but it is not important.' Daarna zei hij helemaal niets meer.
De volgende ochtend bij de krant was het eerste wat ik deed, informeren of er nog ergens een stuk van een vel of twee in voorraad was, zodat een eventueel gat kon worden gedicht. Dat was er. Vervolgens haalde ik een schaar uit mijn la en knipte ik het interview met Peres dat ik op vier vel had uitgeschreven, letterlijk in tweeën. 

De vraag over Kiryat Arba heeft me overigens nog wel een tijdje bezig gehouden. Pas geruime tijd later kwam ik erachter dat wat ik had gelezen inderdaad fout was. Peres had niet de nederzetting Kiryat Arba gesteund. Maar om zijn collega Yitzak Rabin, die toen premier was,  een hak te zetten had hij als minister van Defensie wel meegewerkt aan de oprichting van een andere nederzetting, namelijk Eilon Moreh, (en trouwens ook aan de stichting van Ofra en Kedumim).
Tot zover mijn persoonlijke ervaringen met Peres, de man van de vrede en de sociale Einstein. En ze stonden niet op zichzelf. In hetzelfde verkiezingsjaar 1981 waarin ik hem af zag gaan bij de Georgiërs, had ik ook een lang gesprek met een belangrijke partijgenoot van hem (ik meen een vroegere minister van Economische Zaken, ik ben helaas zijn naam vergeten) op het partijhoofdkwartier in Tel Aviv, die mij onderhield over het voor hem onbegrijpelijke fenomeen dat Peres zo geweldig impopulair was. Deze partijgenoot begreep er niets van dat veel mensen Peres een onbetrouwbare leugenaar en een mooiprater vonden (de partijgenoot zei dat zelf, het waren niet mijn woorden). Peres was juist zo gevoelig, zei deze partijgenoot. ''Hij schrijft gedichten. Hoeveel mensen weten dat nou?''. 


Niet veel mensen, schat ik. Maar feit is dat Peres niet alleen de verkiezingen van 1977 en 1981 verloor van Menachem Begin, maar ook die van 1988 (aan Yitzhak Shamir) en die van 1996 (aan Benyamin Netanyahu). Dat laatste gebeurde toen hij andermaal Yitzhak Rabin had opgevolgd. Duit keer omdat Rabin was vermoord. Peres had als waarnemend premier meteen verkiezingen kunnen laten uitschrijven, maar wachtte een paar maanden. In de tussentijd liet hij een Israelische militaire actie uitvoeren in Libanon (Codenaam 'Druiven der gramschap'), waarbij ook een Israelische beschieting plaatsvond van een VN-post in Qana, waar veel Libanese burgers schuilden. Meer dan 100 mensen werden daarbij gedood. Het kostte Peres de overwinning, doordat de Israelische Palestijnen die tot dan toe overwegend de Arbeidspartij hadden gesteund, zich massaal van stemming onthielden.
Later, in 2000 slaagde Peres er ook nog in de verkiezingen voor het presidentschap te verliezen van Moshe Katzav en in 2005 de verkiezingen voor het voorzitterschap van zijn partij van Amir Peretz. Volgens mij heeft echt niemand in zijn loopbaan zoveel verkiezingen verloren als Shimon Peres.
Maar wat misschien nog meer aan Peres kleeft dan dit eeuwige verliezerschap, is zijn gedrag van politieke windvaan. Al in het begin van zijn loopbaan verliet hij de Arbeiderpartij en liep hij over naar de afsplitsing  Rafi, een partijtje dat Ben Gurion had gesticht na onmin met de partijleiding. Later keerden beiden weer terug in de schoot van de moederpartij.

 Nadat hij in 2005 het partijleiderschap was kwijtgeraakt aan Peretz, liep hij over naar Kadimah. Via die partij werd hij uiteindelijk in 2007 president, nadat Katzav was ontmaskerd als serieverkrachter en had moeten aftreden. Daaraan was nog voorafgegaan dat Peres in 2001, toen de Arbeidspartij andermaal buiten een regering was gebleven, tot woede van het grootste deel van zijn partij minister van Buitenlandse Zaken werd in een kabinet van Ariël Sharon. Hem werd verweten dat hij als vijgenblad diende om in het buitenland de politiek van deze ultra-havik goed te praten. Maar misschien was dat niet zo'n hele vreemde wending in zijn carrière die hij begon als beschermeling van Ben Gurion. Peres die zo graag als vredesduif poseerde, voerde namelijk namens Ben Gurion de onderhandelingen met Frankrijk en Engeland, die ertoe leidden dat  Israel samen met deze twee landen optrok tegen Egypte in de Suez-oorlog van 1956. Deze oorlog wordt wel de laatste oprisping van het kolonialisme genoemd, omdat Engeland haar voerde als verzet tegen de naasting van het Suezkanaal door de Egyptische president Nasser, terwijl Frankrijk dat deed uit verzet tegen Nassers steun aan de opstandelingen van het FLN in Algerije. Als uitvloeisel van dit tijdelijke bondgenootschap kreeg Peres van de Fransen ook de atoomreactor van Dimona los. Hij werd daarmee in zekere zin ook de vader van Israels atoombom.  
Peres, de man van de vrede, het mocht wat. Zijn grootste verdiensten op dat gebied zijn alleen heel veel fraaie redevoeringen over regionale economische samenwerking, over een federatie van Israel, Jordanië en Palestina en over de twee-statenoplossing. In 1987 sloot hij tijdens geheime besprekingen in Londen, op basis van het in '82 gelanceerde zogenoemde Reagan-plan, een overeenkomst met koning Hussein over een overdracht van de bezette gebieden aan een samenwerkingsverband van Jordanië en de PLO. Peres liet het akkoord echter  lopen toen zijn coalitiegenoot Yitzhak Shamir een veto uitsprak. De overeenkomst met Hussein had een vredesakkoord kunnen opleveren als hij had doorgezet, want de PLO had zich met Hussein verzoend en zich bij voorbaat akkoord verklaard met het plan.
Peres had een kabinetscrisis kunnen forceren en de zaak voorleggen aan de Israelische kiezers, maar de sociale Einstein en kampioen voor de vrede liet de gelegenheid ongebruikt voorbijgaan. In 1993 had hij een werkzaam aandeel in de totstandkoming van de Oslo-akkoorden, maar toen het na de dood van zijn collega Yithak Rabin erop aankwam het werk af te maken, liet hij na besluiten te nemen en slaagde hij er vervolgens in de verkiezingen te verliezen aan Netanyahu door zijn 'Druiven der Gramschap'- avontuur (zie boven) in Libanon
En natuurlijk waren veel deelnemers aan de feestelijkheden voor de 90-jarige zich bewust van het gebrek aan werkelijke verdiensten van deze sociale Einstein. De kritische stukken in de Israelische pers kwamen echter pas enkele dagen later los. De meeste gingen erover dat 3,5 miljoen euro wel wat veel was voor een verjaardagsfeestje. Een enkeling (Nachum Barnea) wees erop dat er ook wel veel was gejokt en dat minder gelukkige tijden in de carrière van Peres met de mantel der liefde waren bedekt. Eigenlijk was alleen  Gideon Levy in Haaretz meedogenloos. Hij schreef dat de  bijdrage van Peres, 'de man van de vrede', aan die vrede uitsluitend bestond uit vrome woorden. De verjaardagsviering noem hij  'an evening of lies'. Maar Levy kent Peres dan ook goed. Hij heeft ooit als assistent voor hem gewerkt.

woensdag 18 januari 2012

Gustav Leonhardt, exponent van een revolutionaire periode














Mede als een soort herinnering aan het feit dat een tijdperk ten einde loopt was er gisteren het bericht dat Gustav Leonhardt (83) is overleden. Leonhardt die nog in december in Parijs optrad, was een legende. Niet alleen omdat hij onnavolgbaar prachtig klavecimbel en orgel speelde,  maar vooral ook door de geweldige invloed die hij heeft gehad op de uitvoeringspraktijk van de muziek. Hij behoorde tot een select gezelschap musici dat in opstand kwam tegen de praktijk die onder invloed van grote componisten als Wagner, Mahler, Bruckner en anderen was ontstaan om orkesten steeds groter te laten worden en muziek -ongeacht de periode waarin die was ontstaan - op een romantische wijze en met de middelen der romantiek uit te voeren. Denk aan de traditie van de Matthäus Passion van J.S. Bach die in de uitvoering van Mengelberg - of Eugen Jochum - met een zwaar bezet Concertgebouworkest een dikke drie uur duurde en nadrukkelijk plechtstatig klonk.
Leonhardt was één van diegenen die met die praktijk brak. Rond hem was er een grotere groep onder meer bestaande uit de fluitist Frans Vester,de violist Jaap Schröder, de blokfluitist Frans Brüggen en de cellist Anner Bijlsma. Ieder van hen droeg op een eigen manier bij aan het totaal veranderen van de manier waarop werd gespeeld. Brüggen zorgde voor de herontdekking van  de blokfluit - op dat moment een soort instrument waarop kinderen tegen hun zin wat kinderachtige wijsjes leerden spelen. Hij zorgde ervoor dat het weer gezien werd als een volwaardig instrument. Bijlsma stortte zich op het herontdekken van een hoop vergeten cellomuziek en het afstoffen van wat minder vergeten componisten als Boccherini, die hij in de originele versies begon te spelen. Ook was hij één van de eersten die 17e eeuwse muziek begon te spelen op instrumenten die waren teruggebracht in de staat waarin zij in die tijd verkeerden.
De fluitist Frans Vester was misschien nog degene die het meeste overhoop haalde. Hij pionierde zowel op het gebied van de moderne muziek (met zijn Danzi-blaaskwintet was hij de eerste die het onspeelbaar geachte blaaskwintet van Schönberg uitvoerde) als op het gebied van de oude muziek. Hij begon antieke houten fluiten (traverso's) te bespelen, voerde het vak 'methodiek en uitvoeringspraktijk' in voor zijn leerlingen op het Conservatorium, waarin uitgebreid aandacht werd besteed aan boeken van 17e eeuwse musici als Quandt en Leopold Mozart (de vader van) over hoe de muziek uit die tijd diende te worden gespeeld. Het was een roerige - zeg maar revolutionaire - tijd die ik als conservatoriumstudent in die tijd volop heb meegemaakt en die zich afspeelde eind jaren zestig. Niet toevallig viel dat ongeveer samen met de studentenopstanden van die tijd in Frankrijk en in mindere mate ook hier en met zaken als de Actie Tomaat. Het eindresultaat van woelige vergaderingen en verhitte discussies was dat er een soort tweedeling op het Conservatorium in Den Haag ontstond tussen leraren die de 'oude stijl' trouw bleven en diegenen die alles wat niet aan de wetten van de 'nieuwe,oude' uitvoeringspraktijk beantwoordde een gruwel vonden (Bach op de piano, gedver!!). Ook kwamen er twee soorten ensembles, barok en 'eigentijdse',  (waarvan er één,  het Schönberg Ensemble tot op de dag van vandaag voortleeft en nog steeds wordt geleid door Reinbert de Leeuw)).
Leonhardt speelde in het verhaal van de omwenteling die in de jaren zestig plaatsvond een rol als van een spin in het web - alhoewel niet rechtstreeks op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag waar ik leerling was, want hij gaf les in Amsterdam. Maar hij gaf concerten en maakte opnamen met alle hoofdrolspelers, was niet minder doorkneed in, en serieus bezig met de uitvoeringspraktijk en had zijn eigen 'Leonhardt Consort', met onder meer zijn vrouw Marie, een uitstekende violiste. Dit Consort kan zonder al teveel moeite worden beschouwd als een voorloper voor latere ensembles als het Quadro Hotteterre (dat niet meer bestaat), Het Amsterdam Baroque Ensemble van Ton Koopman, of 'La petite bande' van de violist Sigiswald Kuijken en de diens cello en fluit spelende broers Wieland en Barthold.  Zelfs kan gezegd worden dat Leonhardt indirect een soort voorloper was van het veel grotere Orkest van de 18e Eeuw van Frans Bruggen, want samen met de Weense musicus Nikolaus Harnoncourt stortte hij zich ook op op werken voor groter orkest. Vanaf eind jaren zestig namen zij samen alle Bach cantates op - iets wat hen in 1980 een gezamenlijke Erasmus Prijs opleverde. ( Harnoncourt was ook de eerste dirigent die het Concertgebouworkest leidde bij een uitvoerig van de Matthäus Passion van Bach op een manier die de baroktraditie zoveel mogelijk benaderde - de uitvoering duurde ongeveer half zo lang als die van Mengelberg en Jochum destijds).
Maar bovenal was Leonhardt toch uitvoerend musicus, een zonder meer fantastische klavecinist. Hieronder als staaltje van zijn kunnen, een Youtube opname van de cadens uit het Vijfde Brandenburgse Concert van Bach dat hij hier uitvoert met een gecostumeerd Leonhardt Consort.   
     

maandag 15 februari 2010

Simone en de Joodse Palestijn


Ken Silverstein meldt op zijn blog Tikun Olam dat op het Joodse filmfestival van Seattle (waar hij woont) twee films zijn uitgesloten. In de eerste plaats is dat An American Radical, een documentaire over Norman Finkelstein, die hier in Amsterdam ook op de laatste IDFA werd vertoond. De film draait nu op diverse plaatsen in de VS en Finkelstein heeft op zijn blog een bespreking uit de New York Times.
De tweede film die in Seattle wordt geweerd is Rachel van Simone Bitton, de documentaire over de dood van de 23-jarige Rachel Corrie, die in 2003 met internationale vrijwilligers probeerde de sloop van Palestijnse huizen in Rafah (in de Gazastrook) te verhinderen en toen - waarschijnlijk met opzet - werd overreden door een van die gigantische Israëlische bulldozers.
Het is een treurig maar helaas bekend feit dat Joodse filmfestivals dit soort 'controversiële' films vaak uit de weg gaan. Gelukkig gebeurt het niet overal: Rachel werd wel getoond op het Joodse Filmfestival van San Fransisco. Maar dat is eerder uitzondering dan regel. De officiële Joodse wereld meer en meer bezig zich van de mainstream wereld af te zonderen in een virtueel soort getto, waar een .beeld van Israël wordt gekoesterd dat hoe langer hoe meer afwijkt van de werkelijkheid. Geen sprekers die verontrustende dingen vertellen, geen beelden die verontrustende zaken laten zien, geen interne discussie over zoiets als rapporten van Amnesty, Human Rights Watch, B'tselem of - het ergste van al - Goldstone, maar naar buiten toe wel hard roepen dat de daarin genoemde feiten niet deugen, dat de opstellers leugenaars zijn of mensen die een vooropgezette bedoeling hadden Israël zwart te maken, dan wel regelrechte antisemieten. Hoe lang, vraag ik me vaak af, kan dit proces door blijven gaan? Hoe lang gaat het duren voor het - om bij Nederland te blijven - niet meer ongepast is (en fataal voor een carrière binnen Joodse instellingen) om de 'feiten'  die rabbijn Evers of het CIDI naar voren brengen aan te vechten? Zal er ooit een moment komen dat diegenen die een eerlijke discussie propageren zullen worden toegejuicht? Of is de enige remedie dat Israël (en de Joodse gemeenschappen mondiaal) via boycots à la Zuid-Afrika onder druk worden gezet?

 Maar los daarvan, geeft Silverstein's melding mij een aanleiding om te vertellen over de ontmoeting die ik jaren geleden had met de maakster van Rachel,  Simone Bitton. Die verliep tamelijk opmerkelijk, al was zij net als ik meer toeschouwer dan hoofdpersoon. Het was Algiers, ik denk in 1981, in het gigantische Aurassi hotel, waar het heel druk was omdat daar iedereen - deelnemers, waarnemers, journalisten - die naar een bijeenkomst van de Palestijnse Nationale Raad (PNC - het parlement van de PLO) waren gekomen, daar waren ondergebracht. Omdat het zo druk was kwamen in de koffiebar drie mensen aan een tafeltje te zitten die die elkaar niet kenden, een Palestijn, een donker niet onknap meisje en een Nederlandse journalist. En omdat het gênant was daar te zitten en alleen maar te zwijgen, stelde de Palestijn voor dat we kennis zouden maken.
Het meisje begon: 'Ik ben Simone, ben in Marokko geboren, studeer cinematografie in Parijs en ben hier omdat ik een keer een film over de Palestijnen wil gaan maken.'  Hoezo een film over de Palestijnen? vroeg de Palestijn. 'Je bent toch zelf geen Palestijn?' Waarop Simone bloosde en iets mompelde over Marokkaans-Joodse achtergrond en daarom verwantschap voelen met het onderwerp. (Later, veel later pas, begreep ik   dat ze op dat moment verzweeg dat ze eigenlijk een Marokkaanse Israëlische was).
Ik wilde haar helpen in haar kennelijke verlegenheid tegenover de directe vragen van de Palestijn, en zei dat ze heus niet de enige Joodse aanwezige was en dat ik - journalist uit Nederland - om precies dezelfde redenen als die haar naar het onderwerp trokken, was gaan schrijven over Israël, de Palestijnen en het Midden-Oosten in het algemeen.
Waarop onze Palestijnse tafelgenoot begon te lachen. 'Dat is grappig,' zei hij. 'Daar zitten we dan tijdens deze bijeenkomst van de majlis al watani met drie Joden aan een tafeltje.'
Onze monden vielen open.'Drie Joden,' zeiden we, 'hoezo drie?'  'Heel eenvoudig,' antwoordde de Palestijn, 'mijn moeder was een Joods meisje uit Stuttgart dat in 1938 is gevlucht voor de nazi's. Een paar dagen nadat ze was aangekomen ging ze in Jeruzalem naar de markt om groente te kopen en daar ontmoette ze mijn vader. Het was liefde op het eerste gezicht. En dat is zo gebleven, hun hele leven. Ik heb nooit mensen gezien die zoveel van elkaar hielden als zij. Ze konden eigenlijk niet buiten elkaar. Toen mijn moeder een paar jaar geleden stierf aan kanker, was mijn vader een totaal gebroken man. Hij heeft haar maar een paar dagen overleefd.'
Er viel een stilte waarin we dit op ons in lieten werken. Toen vroeg ik onze buurman wie hij was. Khaled al-Nimr, zei hij. Lid van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina van George Habash, voorzitter van de Bond van Palestijnse Ingenieurs en als zodanig ook lid van het Palestijnse parlement, de PNC.
Hoe was het om als Joodse Palestijn in Jeruzalem te wonen dat in 1967 door Israël werd bezet? vroeg ik.
En toen kwam er een verhaal zoals je het nooit zou kunnen verzinnen. Khaled was na 1967 de eerste Palestijn in Jeruzalem die werd opgepakt wegens verzetsdaden. Hij had geprobeerd een bom te plaatsen en werd veroordeeld tot 12 jaar. Die zat hij ook uit. Ik wierp tegen dat  hij daar onderuit had gekund als hij zich maar als Jood kenbaar had gemaakt. 'Jawel,' zei Khaled, 'dacht je dat ze niet wisten wie ik was en dat ze dat niet hebben geprobeerd? Ik ben zwaar onder druk gezet. Maar ik was een Palestijnse nationalist en dan doe je zoiets niet.'
Wat hij op dat moment niet meteen vertelde, was dat hij niet zomaar van Joodse familie was. Zijn oom was een hoge ambtenaar bij het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken, Avraham Kidron, die later ambadssadeur zou worden, eerst in Den Haag en later in Londen. Mede daarom waarschijnlijk werd de zaak van Khaled Nimr een 'cause célèbre' die nogal wat publiciteit kreeg in Israël (ik heb dat later, terug in Nederland, geverifieerd) .
Wat Khaled wèl vertelde was dat hij waarschijnlijk één van de weinige Palestijnse nationalisten was die aan den lijve wist wat een Joodse opvoeding was (met kaarslicht en lekker eten op vrijdagavond)  en hoe het voelde om een Jiddische memme te hebben. 'Onze moeder zorgde werkelijk voor alles. Zij kocht de onderbroeken en alles wat we nodig hadden voor mij en mijn broers, wij hoefden nooit ergens aan te denken. Ik zal nooit vergeten dat we in Cairo studeerden en dat we op een avond erover zaten te praten dat onze overhemden versleten raakten en dat we eigenlijk niet wisten wat voor maat we hadden en hoe je overhemden moet kopen, omdat we dat geen van allen ooit hadden gedaan. Terwijl we zaten te praten werd er aan de deur geklopt. Iemand bezorgde een pakje - nieuwe overhemden voor mij en m'n broers die door mijn moeder waren opgestuurd.'
Ook vertelde hij - later in het gesprek - wel over de uiterst merkwaardige familieverhoudingen - waarbij zijn oom Kidron in 1948 het huis in Jeruzalem was getrokken dat voordien had toebehoord aan de familie Nimr, oftewel Kidron's zwager en zus, die in 1948 waren verjaagd. (Hoe schizofreen moet je zijn om daartoe in staat te zijn). Khaled vertelde dat hij, nadat Oost- en West-Jeruzalem in 1967 weer één waren geworden, nog een keer had willen kijken naar het huis waar hij in zijn vroegste jeugd had gewoond. Maar aan de deur werd hij geweigerd door oom Abraham met de woorden: 'Nee, nee, dat gaat niet, het is nu mijn huis.' En zo
Ik ben het verhaal van Khaled in het Aurassi hotel nooit vergeten. Hemzelf heb ik nog twee keer bij PLO-bijeenkomsten ontmoet, maar niet meer nadat het PLO-bevrijdingscircus na de akkoorden van Oslo langzaam ter ziele was gegaan. Ik zou wel willen weten of hij nog leeft en hoe het met hem gaat. Wat Simone Bitton betreft, die het grootste deel van die bewuste avond zwijgend naar mijn vragen en Khaleds antwoorden zat te luisteren, ik weet niet of het verhaal veel indruk op haar heeft gemaakt. Maar haar voornemen om een film over de Palestijnen te maken heeft ze absoluut waargemaakt.  
     

vrijdag 12 februari 2010

Een andere kant van Finkelstein

Finkelstein met twee broers Sha'ath in Gaza-Stad. (Foto Philip Weiss)

Ik ben een bewonderaar van Norman Finkelstein. Er is vrijwel niemand die zo met ijzeren discipline en consequentie tegen de klippen op de heersende paradigma's over Israël aan het schuiven probeert te krijgen, zodat er misschien ooit een betere situatie uit te voorschijn komt. Philip Weiss van de blogsite Mondoweiss maakte hem deze zomer mee tijdens een reis naar Gaza en schreef een stuk over hem Daaruit kwam een ietwat andere Finkelstein naar voren dan we hem kennen, een tamelijk humoristische: 
Whenever we came out of a school or orphanage, after scenes of laughing, singing children, he would turn to me and say, "Did you see all the children being indoctrinated in terrorism!" Holding up a  baby in an orphanage, he cried out, "For the first time in my life, I haven’t been rejected…"
Leaving the orphanage, Finkelstein said to Medea Benjamin: "You remember what Che Guevara said, ‘At the risk of sounding ridiculous, all revolutionaries are motivated by great feelings of love.’"
Voor het hele verhaal, klik hier.

woensdag 10 februari 2010

'L'affaire Botul', oftewel hoe de grote Franse schrijver/cineast/filosoof BHL een foutje beging

Hier
Hier kan ik van smullen:

Bernard-Henri Lévy, voor Fransen kortweg BHL, niet weg te denken uit de Franse media, journalist, cineast, documentalist chroniqueur en bovenal filosoof, zoals hij zich op de flap van een nieuw boek laat aankondigen - (en waar ik er aan zou willen toevoegen: allesweter, poseur, arrogante wijsneus en verdediger van Israël als dat naar zijn mening onterecht wordt aangevallen (en dat is heel vaak) - was bezig een grote slag te slaan. Vandaag, 10 februari kwamen er niet minder dan twee boeken van hem uit, 'Pièces d'identité', een verzameling oudere stukken, en 'De la guerre en philosophie'  (Over de oorlog in de filosofie), dat zich aandient als een soort programmaboek van het béhachéliaanse' (BHLse) denken. Volgens de flap:
Een handboek voor barre tijden, waar de auteur er flink tegenaan gaat en al doende de bouwstenen levert voor een metafysiek van de toekomst 
Jawel, een ware come-back dus van BHL als datgene wat hij eigenlijk van huis uit is: filosoof. Voorafgaand aan de feestelijke gebeurtenis waren er tal van stukken, interviews en portretten van en met BHL in de Franse pers. Maar toen verscheen er deze bespreking  in het weekblad Le Nouvel Observateur
Il s'en prend tout aussi fougueusement à Kant, « ce fou furieux de la pensée, cet enragé du concept ». Un peu audacieux de la part d'un penseur qui ne peut, somme toute, revendiquer à son actif qu'un brelan de concepts pour news magazines comme le « fascislamisme » ? Même pas peur. (....)  A la page 122, il dégaine l'arme fatale. Les recherches sur Kant d'un certain Jean-Baptiste Botul, qui aurait définitivement démontré « au lendemain de la seconde guerre mondiale, dans sa série de conférences aux néokantiens du Paraguay, que leur héros était un faux abstrait, un pur esprit de pure apparence ».
(Hij werpt zich ook vol vuur op Kant, 'deze woeste gek van de gedachte, die bezetene van het concept'. Nogal overmoedig voor een denker die al met al niet meer op zijn conto kan schrijven dan een trits concepten voor nieuwsbladen in de trant van 'fascislamisme' ? Maar geen angst. (...) Op pagina 122 trekt hij zijn dodelijke wapen. Onderzoek naar Kant van een zekere Jean Baptiste Botul, 'die kort na de Tweede Wereldoorlog in een serie lezingen voor de neo-Kantianen in Paraguay aantoonde dat hun held een foute verschijning was, met het karakter van een pure schijngestalte'. 

De clou van deze bespreking: de neo-Kantianen van na de oorlog in Paraguay, noch deze Jean-Baptiste Botul hebben - hoe jammer voor BHL - nooit bestaan. Het verhaal van de onbekende denker Botul, schrijft de Nouvel Observateur, is namelijk niets anders dan een tamelijk roemruchte grap, die is ontsproten aan het brein van Frédéric Pagès, afgestudeerd filosoof en journalist bij het satirische weekblad Le Canard Enchainé, waar hij tegenwoordig wekelijks het 'Dagboek van Carla B.' (wie zou daarmee zijn bedoeld?) verzorgt. Dat het Botul-verhaal een potentiële valkuil was, was sinds de verschijning van het boekje 'La vie sexuelle d'Immanuel Kant' in 1999 (en een herdruk in 2004) wellicht wat in de vergetelheid geraakt, aldus het blad, maar wat googelen zou genoeg zijn geweest voor BHL om te ontdekken waar hij mee bezig was. Dan zou hij bij de auteur Botul bijvoorbeeld ook op de veelbelovende titel zijn gestuit: 'Landru, voorloper van het feminisme'....

BHL heeft zijn fout intussen toegegeven en probeert er als een soort 'good sport' mee om te gaan. Hij is vereerd dat hij in zo'n briljante grap is getrapt van iemand die blijk heeft geven 'nog steeds een goede filosoof te zijn'. Maar Le Nouvel Observateur, neemt daar toch niet helemaal genoegen mee. Het blad wijst erop dat BHL bij de presentatie van zijn eerste boek 'Le testament de Dieu' in 1979 ook al eens flink in de fout was gegaan. Hij werd toen ongekend krachtig op zijn nummer gezet door de eminente historicus Pierre Vidal-Naquet, die hem verweet te schrijven op het niveau van een middelmatige eindexamenkandidaat. Vidal-Naquet haalde een grote hoeveelheid grove fouten uit het boek, waaronder het feit dat BHL het had over de getuigenis van Himmler tijdens de nazi-processen in Neurenberg - terwijl Himmler toch zo'n zes maanden voor dat proces zelfmoord had gepleegd.

Maar dan nog laat de Nouvel Obs het er niet bij zitten. Heeft BHL Botul eigenlijk wel gelezen, vraagt de krant zich af. Dat zou het namelijk alleen maar nog erger maken. Zo citeert de krant hilarische scènes uit het boek, waaruit blijkt dat Kant geplaagd werd door een overmatige aandrang tot masturbatie (hij kwam dat alleen te boven door als een mantra voor het inslapen 'Cicero, Cicero, Cicero' te prevelen en zichzelf in te bakeren als een baby. Ook was één van de zogenaamde Paraguyaanse lezingen getiteld 'Coito ergo sum' en een andere 'Jour et Nuit'', nota bene de titel van BHL's eigen (geflopte) 'chef d'oevre' als filmregisseur.
Trouwens, ook Frédéric Pagès, de bedenker van Botul, was verbaasd. 'Het roept vragen op over zijn manier van werken,' aldus Pagès.

[En voor wie dat nog allemaal niet genoeg is, is hier een link naar een artikel van Doug Ireland uit 2006 op de linkse site In These Times, waarop wordt uitgelegd waarom BHL's poging van een aantal jaren geleden om in het voetspoor van De Tocqueville een reisboek over Amerika te schrijven, deed denken aan de oude grap van hiphoppende Amerikanse toeristen in Europa; 'If it's Tuesday today, this must be Belgium'; waarom BHL zich van die dure openhangende witte overhemden kan veroorloven ($ 400 per stuk); hoe hij al sinds 1973 uitgever kan zijn bij Grasset, zijn eigen uitgeverij (en tegenwoordig ook aandeelhouder van het blad Libération, voeg ik eraan toe), hoe twee Franse journalisten hem enkele jaren geleden kraakten in een boek onder de titel 'Une imposture française' (Franse bedriegerij) en hoe teleurgesteld de weduwe van de in Pakistan vermoorde journalist Daniel Pearl was over de nonsens en fouten in BHL's voorlaatste boek 'Who killed Daniel Pearl'. Haar commentaar over Bernard-Henri Lévy luidde toen: 'Hij is een man wiens intelligentie onderuit wordt gehaald door zijn ego'.]

donderdag 9 juli 2009

Interview Mohamed Rabbae: De conscience juive is uiteindelijk sterker dan F-16's of raketten

Bij het slaan van de eerste paal voor het nieuwe gebouw van de LJG was hij – opvallend genoeg – de enige Marokkaanse belangstellende. Enkele weken later was hij – zij aan zij met onder meer SP-Kamerlid Harry van Bommel - spreker op het Museumplein tijdens een demonstratie tegen het Israëlische optreden in Gaza. Eerder, in november, was hij één van de drie sprekers op de Kristallnachtherdenking van 'Nederland Bekent Kleur'. Mohamed Rabbae, oud-Kamerlid van Groen Links, blijft een voorvechter van multiculturele verdraagzaamheid, voorstander van dialoog en vredesactivist.


Maarten Jan Hijmans

We ontmoeten elkaar in januari 2009, tijdens het heetst van de strijd in Gaza. Rabbae heeft dan al zijn redevoering gehouden op het Museumplein, waarin hij – ooit vluchteling voor het regime van Hassan II - onder meer de Arabische regeringen van lafheid beschuldigde omdat zij de Palestijnen in Gaza aan hun lot overlieten, terwijl ze ten prooi waren aan meedogenloze bombardementen. Gelooft hij nog wel in de dialoog met Joden nu daar zoveel slachtoffers vallen? Jawel, 'juist nu is het nodig in gesprek te blijven,' zegt Rabbae. Om vervolgens uit te wijden over zijn band met Joden. In Mohammadia, het plaatsje bij Casablanca, waar hij vandaan komt, waren het zijn buren.
'Ieder had er wel zijn eigen rituelen, maar we deden veel samen, ging vaak bij elkaar op bezoek. Er kwam een kink in die harmonie toen plotseling veel Joden vertrokken zonder dat we wisten waarom. Later begrepen we dat ze naar Frankrijk waren gegaan en vandaar vaak naar Israël of Canada. Het gebeurde in 1953 of '54, van de ene dag op de andere – opeens hadden we geen buren meer. Ik denk nog steeds dat het een groot gemis was. Velen speelden een belangrijke rol in de strijd om onafhankelijkheid tegen de Fransen of voor democratisering tegen de latere koning. Zo kwam ik hier veel later in Nederland weer Abraham Serfaty tegen, die onder Hassan II 18 jaar in de gevangenis had gezeten. In '92 of '93 hebben ik en andere bestuursleden van de culturele stichting Al Farabi ook eens een debat georganiseerd in De Balie over de geschiedenis van de Joden in Marokko. In een Arabische krant werd ik toen uitgemaakt voor een agent van de zionisten.'
'Voor mezelf maak ik een groot onderscheid tussen mijn verbondenheid en solidariteit met Joden - ook voor wat betreft alle ellende van de Tweede Wereldoorlog – en de politiek van de staat Israël.
Sommige mensen kunnen dat onderscheid niet maken, maar ik kan dat wel. Stel dat – onverhoopt – het bestaan van Israël op het spel zou komen te staan, dan zou ik één van de degenen zijn die zouden strijden voor het voortbestaan ervan - op dezelfde wijze als we nu strijden voor het recht van de Palestijnen op een eigen staat.'


Kritisch
'Ik heb altijd een grote bewondering gehad voor wat in het Frans zo mooi heet 'la conscience Juive' – het Joodse geweten en de Joodse moraliteit. Het optreden van de staat Israël brengt dat omlaag. Ik ben daarom ook zo blij dat er in de Joodse gemeenschap mensen zijn die kritisch zijn over Israël en kritiek op hun eigen lotgenoten niet uit de weg gaan bij hun pogingen de conscience Juive overeind te houden. Ik denk ook dat we daar onze hoop op moeten richten. We zijn wel zo'n beetje uitgekeken op het idee dat de Europese of de Amerikaanse politiek iets kan betekenen. Ik denk dat we onze hoop moeten vestigen op die Joden die kritisch zijn en akkoord kunnen gaan met een Palestijnse staat. Als er ooit iets moois opbloeit dan zal dat zijn door beschaafde mensen van de twee kanten die bereid zijn in de ander zichzelf te herkennen. Ik denk ook dat de vernietigende kracht van Israëls wapens op den duur geen garantie bieden. Ik durf de stelling aan dat de conscience Juive op den duur een veel sterker wapen zal blijken te zijn dan F-16's, raketten en wat voor wapens dan ook.'

'De Joods-Marokkaanse Dialoog, het Joods-Marokkaanse Netwerk, dat ligt op dit moment natuurlijk moeilijk. Harry Polak (bestuurslid van het Netwerk) heeft me een tijdje geleden gevraagd toe te treden tot het bestuur en toen heb ik hem gevraagd: “Hebben jullie ooit gepraat over een oplossing – hebben jullie geprobeerd een gemeenschappelijk politiek standpunt te formuleren?” Het antwoord was: nee. Maar dan vliegt de dialoog iedere keer als er wat aan de hand is alle kanten op. Ik heb toen voorgesteld eerst zo'n discussie te houden om naar een soort politiek cement te zoeken dat ons bijeen houdt, bijvoorbeeld een twee-statenoplossing. Dan zijn we met elkaar verbonden iedere keer als Israël of Hamas of welke Palestijnse organisatie dan ook zich daartegen keert, dan kunnen we niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Laat je het open, dan gebeurt er wat er nu gebeurt: dan moet je bemiddelen, dan is het moeilijk met elkaar te blijven praten. Dan heb je geen goede basis en moet je het weer helemaal opnieuw gaan opbouwen.'

Mond open
Marokkanen toen en nu, je was er vrijwel van het begin af bij. Er is veel veranderd in de tussentijd. Hoe is het om daarop terug te kijken?
'De Marokkanen werden oorspronkelijk, net als de Italianen en de Spanjaarden, aangetrokken met het idee dat er tijdelijk gastarbeiders nodig waren om de tekorten op de arbeidsmarkt aan te vullen en dat ze na een paar jaar weer terug zouden gaan. Heb je ooit een wervingsfilmpje uit die tijd gezien? Jaap van Meekren van de AVRO heeft er een keer een documentatire over gemaakt. Mannen moesten - net als paarden – hun mond open doen om naar hun gebit te laten kijken om hun leeftijd te laten schatten en werden in armen en benen geknepen. Er werd bewust geworven in het Rif-gebergte en op het platteland, en gemikt op mensen met een lage opleiding, ze gingen immers toch weer terug. Maar dat gebeurde dus niet. In de jaren zeventig heb ik als directeur van een stichting in Breda de politieke partijen een keer voorgesteld om die gastarbeiders – net als politieke vluchtelingen die zich hier hadden gevestigd – recht te geven op 400 uur les in de Nederlandse taal. Alle partijen waren tegen, behalve klein links, zoals de CPN en de PPR en Nora Salomons van de PvdA. De groten zeiden: dat heeft geen zin, die gaan toch terug. En toen was daar een jaar of wat terug ineens – tot mijn grote verbazing – dat mens Verdonk met haar eis dat er thuis en op straat Nederlands zou moeten worden gesproken.'

Verrechtst
'In de jaren tachtig groeide er wel enige solidariteit, onder meer van de kerken. Maar na 2001 – de aanslagen in New York – kwam de kentering. Eerst werd de aanval geopend op de Turken en Marokkanen, toen op de moslims in het algemeen. Er zijn luidruchtige jongeren – verkeerde jongeren, natuurlijk ik geef het toe – maar na 2001 verslechterde het klimaat en en na de moord op Van Gogh in 2004 zijn de poppen helemaal aan het dansen. Sindsdien hebben we te maken met een verrechtste samenleving met Verdonk en Wilders. En met Fortuyn als 'Nederlander van de eeuw'. Sindsdien is ook een radicaliseringsproces aan de gang onder de Marokkaanse en ook de Turkse jeugd. Alleen wordt dat niet vertaald in excessen, maar gaan er een heleboel – vaak de meer succesvolle – terug. Volgens mij is dat verlies voor de Nederlandse economie en cultuur.'
'Marokkanen worden in de beeldvorming voorgesteld als de meest gesegregeerde en niet-geïntegreerde groep in Nederland. Maar als je kijkt naar het grote aantal mensen dat succes heeft krijg je toch een ander beeld. Schrijvers als Abdel Kader Benali, Hafid Bouazza, Khalid Boudou en Naima El- Bezzaz; een cabaretier als Najib Amhali of de makers van Chouf Chouf Habibi, de voetballerij met mensen als Boulahrouz, de mode met Aziz, of de vele kamerleden als Aboutaleb, Marcouch en Fatima Elatik. Het kenmerkende van Marokkanen is dat ze zo naar buiten treden. Ofwel succesvol, ofwel negatief in de zin van contact met politie en gevangenis. Ze hebben alles wat de Nederlandse samenleving ook heeft. Over 10, 15 jaar, zo is mijn stelling, zal Nederland er enorm van genieten.'
Waarom dan een dialoog als de integratie toch vanzelf gaat? Jullie hebben ons als voorbeeld niet nodig.
'Er zijn een heleboel redenen. Er zijn raakpunten in de taal en de Koran die hier en daar is geïnspireerd door het Jodendom. Er is een gemeenschappelijke geschiedenis – Joden en Marokkanen zijn polen die – zelfs als ze ruzie hebben - elkaar aantrekken en afstoten. Het belangrijkste belang is misschien dat we – juist als Arabieren in het buitenland - een voorbeeld kunnen proberen te zijn van beschaafd met elkaar samenleven en van elkaar genieten. Het gaat tenslotte niet om een calculerend belang, maar om een ideëel belang, want alle kleine bijdragen kunnen helpen in positieve zin.'

vrijdag 17 april 2009

Eli Content: 'Ik wist al vroeg dat ik wat anders was, geen slager of kok'

Uit: Kol Mokum,kwartaalblad van de LJG-Amsterdam, december 2005

Maarten Jan Hijmans
Hoe wordt iemand schilder? Soms op een heel vanzelfsprekende manier. Hij/zij kon altijd al goed tekenen, ging na de middelbare school naar de academie. Werd schilder. En soms op een veel minder voor de hand liggende manier. Als iets dat pas veel later langzaam vorm krijgt, een soort roeping die zich langzaam aandient.
Eli Content werd schilder op een minder voor de hand liggende manier. Een véél minder voor de hand liggende manier. Content, geboren in 1943 in Zwitserland, waar zijn ouders in de oorlog naar toe waren gevlucht, en opgegroeid in Hilversum, leek voor iets anders voorbestemd: 'Nee, ik kwam helemaal niet uit een intellectueel milieu. Hoewel de schilder David Blanes in Antwerpen en verre oom schijnt te zijn geweest. En ook was er een andere Blanes die voorzanger is geweest bij de Portugees Israëlitische Gemeente. Dus misschien dat er wel iets in de genen zat, maar mijn familie zal toch vooral in het vlees.'

In het vlees. Dat leek ook het voorland van de kleine Eli. Hij moest dus slager te worden en ging voor dat doel na de lagere school naar de Lagere technische school. Maar eigenlijk wilde hij dat niet. Eigenlijk wilde hij wat anders. Eigenlijk wilde hij zelfs weg uit Nederland, waar de schaduw van de Tweede Wereldoorlog nog over alles hing en waar hij volop met resten antisemitisme werd geconfronteerd. 'In Hilversum was het heel gewoon dat ik op straat door jongetjes voor vuile rotjood werd uitgescholden. En later op de slagersopleiding ging het er nog wel erger aan toe, kan ik je vertellen. Daar waren ze niet kinderachtig. Ik had toen ook nog een opvallende kop met donker haar. Ik was er ontzettend gefrustreerd over. Ik wilde weg. Eigenlijk wilde ik naar Israël op alijah, maar dat mocht niet voor mijn 18e.'
Dus werd het wat anders. Dus ging Content, de 16-jarige jongen wiens ouders braaf lid waren van de Joodse gemeente, varen. Twee jaar lang zat hij op schepen, eerst als koksmaat - als je op de slagersopleiding hebt gezeten, ligt zoiets misschien wel voor de hand - en later als kok. Tot hij 18 was en alsnog op alijah ging naar Israël. 'Ja, het was waarschijnlijk een soort vlucht, een vlucht voor het antisemitisme waar ik natuurlijk op die schepen ook weer mee werd geconfronteerd. Maar in Israël had ik gauw door dat dat ook niet de plaats was waar ik moest zijn.'

Hoezo?
'Daar werd ook volop gediscrimineerd, maar anders.'

Hoe dan? Arabieren?
Ja, wat niet? Arabieren, Roemenen, Marokkanen, noem het maar op. En het was een hele harde maatschappij. Ik zag er bijvoorbeeld de familie K. uit Hilversum, weer terug. In Hilversum hadden ze een goedlopende winkel gehad in de drukste winkelstraat. Ik weet nog dat ze op alijah gingen. Dat was een gebeurtenis. De hele Joodse Gemeente was uitgelopen om ze uitgeleide te doen. Nou, in Israël waren die mensen straatarm geworden, het waren gewoon paupers, maar kennelijk konden ze niet meer terug.'
'Ik wist dus in Israël al vrij snel dat ik daar ook niet moest zijn, maar toch heb ik heel veel aan die tijd gehad. Ik ben er tot rust gekomen. Ik was er tuinman, heb me beziggehouden met tekenen en lezen, dat ik allebei trouwens al langer deed. En ik ben op mijn poten gezet. Nee, het was niet alleen de leeftijd, doordat ik intussen ouder was geworden. Het kwam vooral doordat ik er voor het eerst mensen tegenkwam die me aanspraken op wie ik was. Voor het eerst mensen die me voor zinnig versleten. Daar heb ik heel veel aan gehad.'

Maar na een paar jaar was Content dus toch weer terug in Nederland. 'Een joreed. Dat is heel erg. Als je de betekenis kent van dat woord, weet je hoe erg. Alijah betekent 'opgaan, opstijgen' en dit is het tegenovergestelde. Je bent een soort afvallige, de betekenis ervan is uiterst negatief. Ik was een keer op een lezing van Soetendorp, de oude toen nog, die over alijah ging. Ik zei toen: ''Je kan je beter bezighouden met de jorediem.' Hijzelf was eigenlijk ook een joreed en hij werd verschrikkelijk kwaad.'
Terug in Nederland merkte ik intussen hoe belangrijk taal is, hoe vertrouwd het voelt om weer die taal om je heen te hebben. Ik moet dan altijd denken aan de dichtregel van Jacob Israël de Haan 'De taal van Holland altijd om me heen'. En dat terwijl ik zelfs droomde in het Iwriet, maar zo belangrijk is dus de taal waarin je bent opgevoed. Ik ben altijd wel met taal bezig geweest. Ik heb ook altijd poëzie geschreven. Dat doe ik trouwens nog steeds. Gepubliceerd? Een keer toen ik soldaat was. In een soldatenkrantje.'

'In die tijd ben ik ook gaan schilderen. Ik ging altijd al veel naar musea. Ik wist ook al heel vroeg dat ik wat anders was, geen slager, geen kok. Maar ja, hoe geef je dat vorm, dat wist ik toen nog niet. Maar toen kwam ik tot de ontdekking dat je bij schilderen niet als bij taal gebonden bent. Je hebt niet te maken met punten of met komma's. Als je schildert, ben je vrij. Het werd dus een leven van schilderen, schrijven en werken om de kost te verdienen. Tot ik een advertentie zag voor een post-academische opleiding beeldende kunst. Ateliers '63 heette het. Ik werd aangenomen. En nadat die opleiding afgelopen was, na twee jaar, kreeg ik een tentoonstelling in het Stedelijk Museum.

Alleen een post-academische opleiding? Maar hoe ontdek je dan wie je bent als kunstenaar? Hoe ontwikkel je een stijl?
'Dat was een kwestie van heel veel naar kunst kijken, van heel veel lezen. Ik ben in die tijd heel vaak op en neer naar Parijs geweest om werk van Picasso te bekijken. Ik denk dat er geen grotere schilder is geweest dan hij. Nou ja, en Matisse misschien. Het is een kwestie van je informeren. Ik ben altijd heel hongerig geweest naar cultuur. Ik ben nog stééds heel hongerig. Ik lees alles achter elkaar. Hongerig naar het andere, naar wat niet doorsnee is, naar dat wat dingen in je wakker maakt. Als je eenmaal verzen van Gorter hebt gelezen, dan zie je, tjee, er is toch nog een andere wereld. Dat is het waarom van het kunstenaar zijn: op zoek zijn en hard werken. Op zoek naar iets anders dan alleen maar brood, naar iets voorbij het gewone.'

'Godsdienst is ook zoiets voor mij, dat is ook voorbij het gewone. Ik ben godsdienstig en godsdienst is heel belangrijk voor me. Ik heb een tijd bij de orthodoxen gezeten, maar ben er weggegaan want ik had geen geld. Ook bij de liberalen heb ik een tijd rondgelopen, dat doe ik ook al niet meer. Maar ik ben er wel steeds mee bezig en ik lees er veel over. Het mooiste wat ik over God heb gelezen ben ik trouwens tegengekomen bij Spinoza, het begin van de Ethica. Daaraan kun je ook zien dat Spinoza wel degelijk Joods was. Misschien een doorgedraaide Jood, maar wel een Jood. Het is één van mijn favoriete schrijvers, Spinoza, samen met Jacob Israël de Haan.'

Ben je als schilder te herleiden tot een bepaalde school? Voel je je verwant met een bepaalde stijl? Als je met een musicus, bijvoorbeeld een violist, praat, dan zal hij altijd zeggen: mijn leraar is nog een leerling van die en die beroemdheid geweest en dat is terug te vinden in hoe ik speel.
'Nee, ik speel viool zoals Eli Content. Ik ben natuurlijk autodidact. Toen ik mijn eerste tentoonstelling had, destijds in het Stedelijk, was er een criticus, ik geloof van Het Parool, die schreef dat wat ik deed leek op Agnes Martin. Ik had toen nog nooit een schilderij van haar gezien en ben het gaan opzoeken. En inderdaad, heel in de verte was er soms een heel klein beetje sprake van een soort vage gelijkenis. Ik vond het een hele klap om zoiets te lezen, want ik was toch alleen maar Eli Content. En dat ben ik gebleven. Nu, 40 jaar na dato kan ik zeggen dat het nog steeds alleen maar lijkt op Eli Content

Je schildert nooit mensen. Ik las ergens dat je daar ooit vanaf hebt gezien wegens het Joods-religieuze voorschrift dat je geen afbeeldingen van mensen mag maken. Dat verbaasde me.
'Ik ben altijd veel met Jodendom bezig geweest en destijds trof het me enorm, dat verbod op beelding. Ik vond dat zo interessant. Ik heb toen gezegd: 'dat schilder ik niet meer'. En dat is zo gebleven. Ik was toen 28 jaar. Het was voor mijn werk een heel belangrijke stap geweest. Tegelijkertijd moet ik zeggen dat juist van mensen de meest prachtige dingen zijn geschilderd. Als je bijvoorbeeld kijkt naar wat er aan christelijke kunst is gemaakt, afbeeldingen van heiligen of van Christus. Ik houd het meest van de kunst van vóór de Renaissance. Een van mijn lievelingsschilderijen hangt in het Prado in Madrid, een afbeelding van Christus in het water als hij wordt gedoopt. Schitterend. Maar zelf schilder ik dus geen mensen.

Veel schilders behoren tot een collectief of scharen zich gezamenlijk achter een bepaald ideaal, zoals de Cobra-groep of eerder De Stijl. Hoor jij ergens bij?
'Nee hoor, ik kan goed met mezelf opschieten. En ik heb het heel gezellig met mezelf alleen.'

Israel begint serieus met de annexatie van de Westoever

  Het is natuurlijk onvergeeflijk als je al jaren blogt over het Midden-Oosten en vooral over Israel en de Palestijnen en juist nu, als Isra...