donderdag 18 februari 2010

Jeruzalem verjoodst weer een stukje Sheikh Jarrah

Tombe van Shimon haTzaddik


Haaretz meldt weer een nieuw stapje in het kruipende proces van de verjoodsing van Oost-Jeruzalem. De gemeente Jeruzalem gaat een stuk land in de wijk Sheikh Jarrah onteigenen ten behoeve van een parkeerplaats bij de graftombe van Simon de Rechtvaardige (Shimon haTzaddik), zo meldt de krant. Bewoners van de wijk stellen dat er geen parkeerprobleem is en dat het plan dus alleen dient om de Joodse greep op de wijk te versterken. Sheikh Jarrah is één van de wijken waar op diverse plaatsen Joden huizen en bezit hebben overgenomen en waar nog verschillende Palestijnse families met uitzetting worden bedreigd.
Volgens Haaretz gaat de gemeente geen compensatie betalen aan de (Arabische) eigenaars van de grond, ook al hebben die moeten betalen voor het aanvragen van een vergunning voor de bouw van een hotel dat zij daar wilden neerzetten. Het argument is dat de onteigening plaatsvindt in het algemeen belang.
Het plan voor de parkeerplaats komt uit de koker van een lid van de gemeenteraad van Jeruzalem, Yair Gabbay. Hij stelt dat de tombe van Shimon de Rechtvaardige, een priester uit de tijd van de Tweede Tempel, soms door tienduizenden wordt bezocht die hun auto kwijt moeten. Volgens hem komt het plan zowel Arabische als Joodse bewoners ten goede omdat ze allemaal een parkeerprobleem hebben. Maar een ander lid van de gemeenteraad, Meir Margalit van de linkse Meretz partij, noemd het plan 'puur politiek' . Hij zei dat het is bedoeld om het beeld te versterken van een aaneengesloten Joodse greep op de wijk. Daarvoor is het genoeg dat het terrein tot Joods bezit wordt verklaard, er een sticker van de gemeente op wordt aangebracht en er een informatiestalletje wordt neergezet, zei hij.En:  'Verklaren dat er een parkeerprobleem is in Sheikh Jarrah is belachelijk, een belediging voor de intelligentie.'

woensdag 17 februari 2010

Vrede Nu: 'Bevriezen bouw in tenminste 33 nederzettingen ontdoken'

 Infrastructurele werken in de nederzetting Barkan in december (foto Vrede Nu)

 In overleg met de Verenigde Staten kondigde de Israëlische premier Netanyahu een bouwstop voor 10 maanden af in november. De order werd getekend op 26 november 2009. Desondanks zijn er nogal wat nederzettingen die de bouwstop overtreden. Onderminister van Defensie Matan Vilnay overlegde, na vragen in het parlement van Knessetlid  Chaim Oron (Meretz) op 15 februari een lijst van 28 nederzettingen waar overtredingen waren geconstateerd
Vrede Nu voegt aan die lijst nog eens vijf andere nederzettingen toe, waar de organisatie zelf heeft gezien dat er in de bouw werd gewerkt, in een aantal gevallen op sjabbat,  in een antal andere gevallen zelfs 's nachts.

Defense Ministry List of Settlements that have breached the Settlement Freeze: 1. Adam (Geva Binyamin)
2. Oranit
3. Elon More
4. Alfei Menashe
5. Elkana
6. Beit Arie
7. Beitar Illit
8. Barkan
9. Givat Ze'ev (listed twice at the list)
10. Har Gilo
11. Talmon
12. Yakir
13. Kfar Eldad (Nokdim)
14. Kfar Etzion
15. Ma'ale Adumim
16. Ma'ale Shomron
17. Matityahu
18. Nokdim
19. Imanuel
20. Etz Efrayim
21. Psagot
22. Zufim
23. Kedumim
24. Rosh Zurim
25. Revava
26. Shadmot Mechola
27. Sha'arei Tikva
28. Tqo'a
Peace Now List of Additional Settlements Were Violations were recorded: 1. Elazar
2. Kochav Hashahar
3. Nili
4. Kiryat Arba
5. Tapuach

De geconstateerde overtredingen maken de bouwstop niet erg geloofwaardig. En dat is nog minder het geval doordat ondertussen met volle kracht wordt doorgebouwd in Oost-Jeruzalem (onder meer in Jebel Abu Ghneim/Har Homa), dat Netanyahu heeft gezegd dat na de stop van 10 maanden het bouwen met volle kracht zal worden hervat, en dat zijn collega minister Ehud Barak heeft aangekondigd 'illegale' buitenposten te zullen legaliseren, terwijl hij ook de 'universiteit' van Ariël een academische status heeft verleend.
Vrede Nu - terug van weggeweest? - kondigt daarom een
'Bibi en Barak Masquerade Carnival' aan, oftewel een satirische protestdemonstratie op 20 februari in Tel Aviv. Bibi en Barak achter de maskers. We zullen zien.

Snuffelen aan de joodse flirt van Wilders

Twee bij nader inzien zeer goede inleidingen en een tamelijk chaotische discussie tussen leden van een panel en het panel en de zaal. Ach, de formule van dit soort avonden is bekend, en het verloop is over het algemeen ook  min of meer hetzelfde. Alleen was het onderwerp dit keer wat ongewoner, namelijk: 'De Joodse flirt van Geert Wilders'. Organisator van deze avond, dinsdag in De Balie was het Menasseh ben Israel Instituut dat daarmee de aftrap gaf van een nieuwe korte lezingencyclus, waarin onder meer het accent valt op de veranderde (of schijnbaar veranderde) positie van de Joden in het Westen. Werden Joden vroeger vooral gezien als 'oriëntaals', na de Tweede Wereldoorlog is een verschuiving opgetreden waardoor Joden onderdeel werden van wat tegenwoordig de 'joods -christelijke cultuur' heet. En waar vroeger (ultra-)rechtse partijen een antisemitisch discours als onderdeel van het pakket hadden, zijn nu Israël en de Joden bij die partijen ingelijfd. Wilders geeft aan dat verschoven perspectief een soort extra draai (waarop hij overigens niet het alleenrecht bezit), doordat hij zijn anti-islam kruistocht verbindt met een door-dik-en-dun verbondenheid met Israël, waarbij hij Israël ziet als voorpost in de strijd tussen de Islam en het Westen.

Frank de Vree , hoogleraar journalistiek aan de UvA, had als één van de inleiders wat statistisch onderzoek gedaan naar het voorkomen van de term 'joods-christelijke cultuur (of beschaving) in krantenartikelen. Aanvankelijk werd de term vrijwel uitsluitend gebruikt voor religieuze onderwerpen, niet toevallig verscheen de term het meest in het dagblad Trouw. Pas midden jaren negentig kwam er een kentering, doordat onder meer de VVD-er Frits Bolkestein de term in een breder kader plaatse bij de discussie over het al of niet toetreden van Turkije tot de EU. Maar de echte omslag, aldus De Vree, kwam pas na 2001 en de aanslag op de 'Twin Towers'. Dat stuwde de verkoopcijfers omhoog van Samuel Huntington's The Clash of Civilizations en gaf de stoot tot een veel en veel vaker voorkomen van het gebruik van de term 'joods-christelijke beschaving', maar nu overwegend in een politieke context en betekenis, namelijk als tegenstelling tot de moslimwereld. Waarbij De Vree de grimmige kanttekening plaatste dat de term 'joods-christelijk beschaving' an sich al een heel vreemde zaak is, een soort chotspe. Want anders dan in sommige periodes van de islamitische beschaving waarin Joodse (en christelijke) minderheden redelijk konden gedijen, waren Joden hun leven in de christelijke landen bijna nooit zeker en werden Joden door christenen bijna onophoudelijk vervolgd.

De andere inleider, Harm Ede Botje van Vrij Nederland, richtte zich op de verhouding van Wilders met Israël en de Joden. Aanvankelijk was dat, in VVD-verband, vrij conform aan de visie van deze partij. Ook in zijn jonge jaren, toen hij min of meer bij toeval op reis ging en een tijdje 'volunteer' was in Israël, was er nog niet echt sprake van een apart soort verhouding. Dat kwam pas later, toen hij zich los had gemaakt van de VVD en de Partij voor de  Vrijheid was begonnen. Botje gaf een stortvloed van feiten (eerder gepubliceerd in VN)  waaruit blijkt dat Wilders de laatste jaren terecht is gekomen in een circuit van Amerikaanse ultra-rechtse islamhaters, die weer banden hebben met Israëli's van dezelfde snit. Botje gaf in dat verband bijzonderheden over het knip-en-plakwerk van de film Fitna, waarbij Wilders zwaar had geleund op de Amerikaanse film Obsession, die op zijn beurt weer dankbaar gebruik had gemaakt van het werk van Palestine Media Watch (van de kolonist Itamar Marcus) en van Middle East Media Research (MEMRI) van de vroegere Israëlische militaire inlichtingendienstman Yigal Carmon. In dezelfde kringen van waaruit dit geestelijke erfgoed ontsproot is Wilders tegenwoordig ook erg reçu. (Ik zal op deze dingen nog terug komen., ik moet deze week zelf een artikel over dit onderwerp maken voor De Brug van SIVMO).

In wezen waren dit de belangrijkste bouwstenen van de avond: de constatering dat Joden (c.q. Israël) in het Westerse discours blijkbaar in veel kringen een soort twee-eenheid zijn gaan vormen in de strijd tegen de islam en het feit dat Wilders dit - in extremis - uitbuit door zijn blinde steun voor Israël en zijn omhelzing van de meeste rechtse Arabierenhatende elementen in het Heilige Land. (Botje noemde bijvoorbeeld ten overvloede hoe Wilders als enige parlementariër met de racistische minister van Buitenlandse Zaken Lieberman ging eten toen Lieberman een aantal weken geleden een bezoek bracht aan Den Haag).
Ik vind vooral de eerste conclusie - de rol van Joden en Israël in de strijd tegen de islam - een gruwelijk perspectief - een perspectief om wakker van te liggen. Er werd in het panel - waarin nu ook Evelien Gans was aangeschoven - op doorgepreludeerd, maar het is de vraag of daarbij de kern werd geraakt. Misschien is het onderwerp ook wel erg moeilijk voor een toch wat impromptu discussie. Maar met name Evelien - hier en daar bijgevallen door Frank de Vree - maakte een aantal opmerkingen die mijns inziens de juiste kant op wezen. Ze sprak over de positie van de Joden die door hun slachtofferschap tijdens de holocaust een soort 'status' hebben gekregen. Een status die door veel Joden wordt misbruikt om de holocaust als een soort uniek, met niets te vergelijken gebeuren voor te stellen, waaruit zij dan de conclusie trekken dat het absurd zou zijn om het apart stellen van moslims als groep (zoals Wilders overduidelijk doet) zelfs maar te vergelijken met het apart stellen van de Joodse bevolkingsgroep vóór 1940.

Gelukkig was er binnen het panel ook nog een dissidente stem van een Wall Steet correspondent (hebben die hier een correpondent?) wiens naam ik niet kon verstaan. Deze meneer X vond  moslims een 'groot probleem' voor het Westen en zag er geen kwaad in dat Wilders contact heeft met de mensen met wie hij dat blijkbaar heeft. Ook waren er - om te illustreren waarom een avond als deze nuttig is - een paar luidruchtige, overwegend Joodse aanhangers van Wilders die overal doorheen schreeuwden en het mijn achterneefje, dat de avond leidde, behoorlijk lastig maakten. Ik wil deze neef, David Wertheim van het Menasseh ben Israel Instituut, mijn complimenten maken voor het feit dat hij baanbrekend bezig is met het entameren van dit soort discussies. Tenminste één iemand in Joods Nederland die wat stenen in de vijver durft te gooien.

De 'jonge' Wilders in de moshav in Israël. Hoewel Israël? Het was op de Westoever, dus bezet Palestina.

dinsdag 16 februari 2010

Hoe het Simon Wiesenthal Centre bezig is met het bouwen van een Museum van de Schande

 De Ma'man Allah (Mamilla) begraafplaats met graftombes uit de 19e eeuw.

Joden kennen het principe dat hun begraafplaatsen niet mogen worden geruimd. Dat heeft te maken met het geloof in de wederopstanding. In de profetie van Yeshayahu (Jesaja) wordt voorspeld hoe, als  de Mashiah (Messias) komt de botten zich weer aaneen zullen voegen en  met vlees worden bekleed, zodat de doden kunnen herrijzen.
Islamieten kennen een soortgelijk principe: ook hun begraafplaatsen mogen nooit en te nimmer worden geruimd.
Juist door deze overeenkomst tussen de religies is het volgende verhaal zo pijnlijk. Het gaat om de islamitische Mamilla (Ma'aman Allah) begraafplaats in Jeruzalem, waarop  het Simon Wiesenthal Center uit Los Angeles twee gebouwen wil neerzetten, een Museum van de Tolerantie en een Museum van de Menselijke Waardigheid. De eerste steen voor het project werd gelegd in 2004 door de gouverneur van Californië, Arnold Schwarzenegger in het bijzijn van de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Israël, Daniel Kurtzer.
 
Tombe van de 12e eeuwse Mammelukse heerser Al-Qabki.

De Mamilla begraafplaats is ongeveer 1000 jaren oud en dus één van de oudste ter wereld. De begraafplaats ligt net even buiten de antieke stadsmuren van de Oude Stad (hij wordt begrensd door de King George- Agron-; Hillel- en Menashe ben Israel Straten)  en gaat terug tot de tijd van Salah ed-Din el Ayyubi (Saladin), de man die de kruisvaarders uit Palestina verdreef (en - maar dat terzijde - de Joden toestemming gaf terug te keren naar Jeruzalem). (sommigen neem zelfs aan dat de plek nog ouder is, en dat er strijders begraven liggen van de allereerste moslim-veroveraars die Jeruzalem innamen in 640). Uit de tijd van Saladin ligge er dignitarissen en ministers. Sommigen van hen waren voorzaten van families die nu nog in Jeruzalem voorkomen. Vele duizenden bewoners van Jeruzalem na hen, waaronder leden van families die tot op de huidige dag een rol spelen in Jeruzalem; zoals de Husseini's, de Nashashibi's, de Dajani's, de Khalidi's  of de Nusseibehs, volgden hen.
 
Leden van de waqf en de moslimgemeenschap inspecteren in 1967 de vernielingen die Israël heeft aangericht bij het aanleggen van een parkeerplaats en verzamelen botten die bij de graafwerkzaamheden zijn achtergebleven.

 
De in een park veranderde Mamilla begraafplaats.
 
De begraafplaats viel onder de verantwoordelijkheid van de Waqf (islamitische beheersstichting) die ook de Haram al-Sharif  (Tempelberg) beheert, maar viel bij de verdeling van Jeruzalem in 1948 in Joodse handen en werd toen tot zogenaamde 'absentee property' verklaard. Een gedeelte van de begraafplaats aan de kant van de Hillel Straat werd in 1967 geasfalteerd en tot parkeerplaats gemaakt, terwijl er ook een parkeergarage werd aangelegd. Tevergeefs deed de Waqf in 1967, na de verovering van Oost-Jeruzalem door Israël, het verzoek het beheer over de begraafplaats weer te mogen overnemen. Een jaar later werd nog een veel groter gedeelte van de begraafplaats - iets meer dan 50%, overwegend aan de kant van de King George Straat  - omgetoverd in een park, dat ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van Israël de naam 'Onafhankelijkheidspark (Gan Ha'atsmaut) kreeg. De nog aanwezige grafstenen en resten van grafstenen op dat gedeelte werden bij die gelegenheid verwijderd en het aanzien van een begraafplaats verdween volledig onder het park.
 
Graven met op de achtergrond het hek rond de bouwplaats van de nieuwe musea. 

En inmiddels is zich dus weer een nieuwe bedreiging aan het voltrekken: de bouw van de twee musea door het Wiesenthal Centre. Het Centrum heeft daarvoor van de Israëlische regering het gedeelte gekregen dat al jaren in gebruik is als parkeerplaats, plus nog wat erbij. Belangrijke Jeruzalemmers en de moslimautoriteiten hebben daartegen bezwaar gemaakt bij het Israëlische hooggerechtshof, maar dat werd in 2007 ongegrond verklaard. In de Los Angeles Times van 12 februari is in een stuk van rabbijn Marvin Hier, de directeur van het Wiesenthal Centrum, te lezen wat de overwegingen waren van het Hof. Die komen in grote trekken hierop neer:  1) Het parkeerplaatsgedeelte was al meer dan 50 jaar niet meer als begraafplaats in gebruik en niemand had daar ooit bezwaar tegen gemaakt; 2) de Israëlische Archeologische Dienst had een 250-tal resten van lichamen opgegraven en herbegraven en 2) een islamitische imam had de begraafplaats ooit 'mundras' verklaard, wat zo veel wil zeggen als 'in onbruik en niet langer geheiligd'.
Een groot aantal nazaten van mensen en families die op de begraafplaats begraven liggen heeft daarop - gesteund door een aantal mensenrechtenorganisaties een petitie opgesteld. De petitie is - omdat in Israël geen recht meer te verkrijgen was - gericht aan de Unesco en diverse andere organisaties van de VN. Onder meer de volgende punten worden erin naar voren gebracht: 1) de Palestijnen in Israël konden tot 1966 geen bezwaar maken tegen de onteigening van de begraafplaats, want de Arabische bevolking van Israël leefde tot 1966 onder militair bestuur, 2) opeenvolgende Israëlische regeringen en instanties hebben in de jaren voor 1967 steeds aangevoerd dat de begraafplaats een belangrijk cultureel erfgoed vertegenwoordigde en daarom in stand zou worden gehouden. Die beloftes werden vervolgens gebroken; 3) het verzoek van de Waqf uit 1967 om weer het beheer over de begraafplaats te mogen overnemen, werd afgewezen, 4) het besluit om de begraafplaast 'mundras' te verklaren was onwettig en was uitgevaardigd door een imam in Israëlische dienst uit Jaffa, die een jaar later wegens fraude werd veroordeeld. De islamitische rechtbank van Jeruzalem heeft dit besluit nietig verklaard. Er is namelijk geen enkele mogelijkheid onder islamitisch recht om een begraafplaats die lang in gebruik is geweest als 'mundras' te bestempelen. Zo'n begraafplaats blijft altijd geheiligd (zoals dat ook met joodse begraafplaatsen het geval is);  5) De Israëlische Archeologische Dienst heeft 250 lichamen opgegraven zonder dat daar - volgens de regels - islamitische geestelijken bij aanwezig waren, niemand weet ook of, en zo ja waar, ze zijn herbegraven  Maar wat erger is: de Israëlische Archeologische Dienst had vastgesteld dat er nog minstens 200 lichamen zijn achtergebleven en dat  in vier diepere lagen zich vermoedelijk nog ten minste 2000 andere graven bevinden op dit deel van het terrein. Het rapport van de desbetreffende archeoloog, Gideon Suleimani, is niet aan het hooggerechtshof meegestuurd, zoals Suleimani zelf in een stuk dat bij de petitie is gevoegd, verklaart.
Begraafplaats die parkeerplaats is geworden. Hier komt een deel van het Museum van de Schande.


Er stijgt een bijna  onvoorstelbaar racistische denkwereld op uit dit verhaal. Wie zich realiseert dat elke opgraving in Israël onmiddellijk wordt stilgelegd als er een maar een middenvoetsbeentje of vingerkootje wordt gevonden dat wellicht aan een Jood heeft toebehoord, weet wat ik bedoel. En hoeveel boosheid  klonk er niet door in de verhalen, destijds van de Joodse kant,  over het feit dat het leger van Jordanië Joodse grafstenen van de Olijfberg zou hebben gebruikt om er wegen en latrines van te maken? Hoeveel moeite heeft Israël zich niet getroost om Egypte, eind jaren '80 toen ik er correspondent was, via rechtstreekse en indirecte (Amerikaanse) diplomatieke druk van te weerhouden een geplande vierbaans rondweg om Cairo deels over de uitgestrekte Joodse begraafplaatsen van Cairo te laten lopen?
Als het Wiesenthal Center en rabbijn Marvin Hier hun zin krijgen - en dat zal wel gebeuren - dan wordt dat museum dus helemaal geen museum van de Tolerantie, maar van de Intolerantie, de Schande en de Menselijke Onwaardigheid. Zoals trouwens ook het 'Onafhankelijkheidspark' wat mij betreft mag worden hernoemd tot  'Nationaal monument  van het Israëlische racisme'.

.P.S:  1) Het is ook tekenend dat zich bij de organisaties die de opstellers van de petitie steunen niet één Joods-Israëlische organisatie bevindt, behalve de organisatie Zochrot (Herinneringen). Maar dit piepkleine clubje stelt zich dan ook tot doel de herinnering aan de Nakba levend te houden. Op grond van hun filosofie die ik deel, dat ware verzoening met de Palestijnen uiteindelijk alleen mogelijk zal zijn als de Israëli's zich bewust worden van het onrecht dat zij jegens de Palestijnen hebben bedreven.
P.S.  2) Israël heeft een wet op de Bescherming van Heilige Plaatsen. Daar staan 137 plaatsen en monumenten op. Het Amerikaanse State Department constateerde in zijn rapport uit 2009 over Internationale Interreligieuze vrijheid dat er geen enkel christelijk of islamitisch monument tot deze 137 behoort.   

maandag 15 februari 2010

Simone en de Joodse Palestijn


Ken Silverstein meldt op zijn blog Tikun Olam dat op het Joodse filmfestival van Seattle (waar hij woont) twee films zijn uitgesloten. In de eerste plaats is dat An American Radical, een documentaire over Norman Finkelstein, die hier in Amsterdam ook op de laatste IDFA werd vertoond. De film draait nu op diverse plaatsen in de VS en Finkelstein heeft op zijn blog een bespreking uit de New York Times.
De tweede film die in Seattle wordt geweerd is Rachel van Simone Bitton, de documentaire over de dood van de 23-jarige Rachel Corrie, die in 2003 met internationale vrijwilligers probeerde de sloop van Palestijnse huizen in Rafah (in de Gazastrook) te verhinderen en toen - waarschijnlijk met opzet - werd overreden door een van die gigantische Israëlische bulldozers.
Het is een treurig maar helaas bekend feit dat Joodse filmfestivals dit soort 'controversiële' films vaak uit de weg gaan. Gelukkig gebeurt het niet overal: Rachel werd wel getoond op het Joodse Filmfestival van San Fransisco. Maar dat is eerder uitzondering dan regel. De officiële Joodse wereld meer en meer bezig zich van de mainstream wereld af te zonderen in een virtueel soort getto, waar een .beeld van Israël wordt gekoesterd dat hoe langer hoe meer afwijkt van de werkelijkheid. Geen sprekers die verontrustende dingen vertellen, geen beelden die verontrustende zaken laten zien, geen interne discussie over zoiets als rapporten van Amnesty, Human Rights Watch, B'tselem of - het ergste van al - Goldstone, maar naar buiten toe wel hard roepen dat de daarin genoemde feiten niet deugen, dat de opstellers leugenaars zijn of mensen die een vooropgezette bedoeling hadden Israël zwart te maken, dan wel regelrechte antisemieten. Hoe lang, vraag ik me vaak af, kan dit proces door blijven gaan? Hoe lang gaat het duren voor het - om bij Nederland te blijven - niet meer ongepast is (en fataal voor een carrière binnen Joodse instellingen) om de 'feiten'  die rabbijn Evers of het CIDI naar voren brengen aan te vechten? Zal er ooit een moment komen dat diegenen die een eerlijke discussie propageren zullen worden toegejuicht? Of is de enige remedie dat Israël (en de Joodse gemeenschappen mondiaal) via boycots à la Zuid-Afrika onder druk worden gezet?

 Maar los daarvan, geeft Silverstein's melding mij een aanleiding om te vertellen over de ontmoeting die ik jaren geleden had met de maakster van Rachel,  Simone Bitton. Die verliep tamelijk opmerkelijk, al was zij net als ik meer toeschouwer dan hoofdpersoon. Het was Algiers, ik denk in 1981, in het gigantische Aurassi hotel, waar het heel druk was omdat daar iedereen - deelnemers, waarnemers, journalisten - die naar een bijeenkomst van de Palestijnse Nationale Raad (PNC - het parlement van de PLO) waren gekomen, daar waren ondergebracht. Omdat het zo druk was kwamen in de koffiebar drie mensen aan een tafeltje te zitten die die elkaar niet kenden, een Palestijn, een donker niet onknap meisje en een Nederlandse journalist. En omdat het gênant was daar te zitten en alleen maar te zwijgen, stelde de Palestijn voor dat we kennis zouden maken.
Het meisje begon: 'Ik ben Simone, ben in Marokko geboren, studeer cinematografie in Parijs en ben hier omdat ik een keer een film over de Palestijnen wil gaan maken.'  Hoezo een film over de Palestijnen? vroeg de Palestijn. 'Je bent toch zelf geen Palestijn?' Waarop Simone bloosde en iets mompelde over Marokkaans-Joodse achtergrond en daarom verwantschap voelen met het onderwerp. (Later, veel later pas, begreep ik   dat ze op dat moment verzweeg dat ze eigenlijk een Marokkaanse Israëlische was).
Ik wilde haar helpen in haar kennelijke verlegenheid tegenover de directe vragen van de Palestijn, en zei dat ze heus niet de enige Joodse aanwezige was en dat ik - journalist uit Nederland - om precies dezelfde redenen als die haar naar het onderwerp trokken, was gaan schrijven over Israël, de Palestijnen en het Midden-Oosten in het algemeen.
Waarop onze Palestijnse tafelgenoot begon te lachen. 'Dat is grappig,' zei hij. 'Daar zitten we dan tijdens deze bijeenkomst van de majlis al watani met drie Joden aan een tafeltje.'
Onze monden vielen open.'Drie Joden,' zeiden we, 'hoezo drie?'  'Heel eenvoudig,' antwoordde de Palestijn, 'mijn moeder was een Joods meisje uit Stuttgart dat in 1938 is gevlucht voor de nazi's. Een paar dagen nadat ze was aangekomen ging ze in Jeruzalem naar de markt om groente te kopen en daar ontmoette ze mijn vader. Het was liefde op het eerste gezicht. En dat is zo gebleven, hun hele leven. Ik heb nooit mensen gezien die zoveel van elkaar hielden als zij. Ze konden eigenlijk niet buiten elkaar. Toen mijn moeder een paar jaar geleden stierf aan kanker, was mijn vader een totaal gebroken man. Hij heeft haar maar een paar dagen overleefd.'
Er viel een stilte waarin we dit op ons in lieten werken. Toen vroeg ik onze buurman wie hij was. Khaled al-Nimr, zei hij. Lid van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina van George Habash, voorzitter van de Bond van Palestijnse Ingenieurs en als zodanig ook lid van het Palestijnse parlement, de PNC.
Hoe was het om als Joodse Palestijn in Jeruzalem te wonen dat in 1967 door Israël werd bezet? vroeg ik.
En toen kwam er een verhaal zoals je het nooit zou kunnen verzinnen. Khaled was na 1967 de eerste Palestijn in Jeruzalem die werd opgepakt wegens verzetsdaden. Hij had geprobeerd een bom te plaatsen en werd veroordeeld tot 12 jaar. Die zat hij ook uit. Ik wierp tegen dat  hij daar onderuit had gekund als hij zich maar als Jood kenbaar had gemaakt. 'Jawel,' zei Khaled, 'dacht je dat ze niet wisten wie ik was en dat ze dat niet hebben geprobeerd? Ik ben zwaar onder druk gezet. Maar ik was een Palestijnse nationalist en dan doe je zoiets niet.'
Wat hij op dat moment niet meteen vertelde, was dat hij niet zomaar van Joodse familie was. Zijn oom was een hoge ambtenaar bij het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken, Avraham Kidron, die later ambadssadeur zou worden, eerst in Den Haag en later in Londen. Mede daarom waarschijnlijk werd de zaak van Khaled Nimr een 'cause célèbre' die nogal wat publiciteit kreeg in Israël (ik heb dat later, terug in Nederland, geverifieerd) .
Wat Khaled wèl vertelde was dat hij waarschijnlijk één van de weinige Palestijnse nationalisten was die aan den lijve wist wat een Joodse opvoeding was (met kaarslicht en lekker eten op vrijdagavond)  en hoe het voelde om een Jiddische memme te hebben. 'Onze moeder zorgde werkelijk voor alles. Zij kocht de onderbroeken en alles wat we nodig hadden voor mij en mijn broers, wij hoefden nooit ergens aan te denken. Ik zal nooit vergeten dat we in Cairo studeerden en dat we op een avond erover zaten te praten dat onze overhemden versleten raakten en dat we eigenlijk niet wisten wat voor maat we hadden en hoe je overhemden moet kopen, omdat we dat geen van allen ooit hadden gedaan. Terwijl we zaten te praten werd er aan de deur geklopt. Iemand bezorgde een pakje - nieuwe overhemden voor mij en m'n broers die door mijn moeder waren opgestuurd.'
Ook vertelde hij - later in het gesprek - wel over de uiterst merkwaardige familieverhoudingen - waarbij zijn oom Kidron in 1948 het huis in Jeruzalem was getrokken dat voordien had toebehoord aan de familie Nimr, oftewel Kidron's zwager en zus, die in 1948 waren verjaagd. (Hoe schizofreen moet je zijn om daartoe in staat te zijn). Khaled vertelde dat hij, nadat Oost- en West-Jeruzalem in 1967 weer één waren geworden, nog een keer had willen kijken naar het huis waar hij in zijn vroegste jeugd had gewoond. Maar aan de deur werd hij geweigerd door oom Abraham met de woorden: 'Nee, nee, dat gaat niet, het is nu mijn huis.' En zo
Ik ben het verhaal van Khaled in het Aurassi hotel nooit vergeten. Hemzelf heb ik nog twee keer bij PLO-bijeenkomsten ontmoet, maar niet meer nadat het PLO-bevrijdingscircus na de akkoorden van Oslo langzaam ter ziele was gegaan. Ik zou wel willen weten of hij nog leeft en hoe het met hem gaat. Wat Simone Bitton betreft, die het grootste deel van die bewuste avond zwijgend naar mijn vragen en Khaleds antwoorden zat te luisteren, ik weet niet of het verhaal veel indruk op haar heeft gemaakt. Maar haar voornemen om een film over de Palestijnen te maken heeft ze absoluut waargemaakt.  
     

vrijdag 12 februari 2010

Een andere kant van Finkelstein

Finkelstein met twee broers Sha'ath in Gaza-Stad. (Foto Philip Weiss)

Ik ben een bewonderaar van Norman Finkelstein. Er is vrijwel niemand die zo met ijzeren discipline en consequentie tegen de klippen op de heersende paradigma's over Israël aan het schuiven probeert te krijgen, zodat er misschien ooit een betere situatie uit te voorschijn komt. Philip Weiss van de blogsite Mondoweiss maakte hem deze zomer mee tijdens een reis naar Gaza en schreef een stuk over hem Daaruit kwam een ietwat andere Finkelstein naar voren dan we hem kennen, een tamelijk humoristische: 
Whenever we came out of a school or orphanage, after scenes of laughing, singing children, he would turn to me and say, "Did you see all the children being indoctrinated in terrorism!" Holding up a  baby in an orphanage, he cried out, "For the first time in my life, I haven’t been rejected…"
Leaving the orphanage, Finkelstein said to Medea Benjamin: "You remember what Che Guevara said, ‘At the risk of sounding ridiculous, all revolutionaries are motivated by great feelings of love.’"
Voor het hele verhaal, klik hier.

Israel begint serieus met de annexatie van de Westoever

  Het is natuurlijk onvergeeflijk als je al jaren blogt over het Midden-Oosten en vooral over Israel en de Palestijnen en juist nu, als Isra...