dinsdag 26 mei 2009

Veteran journalist Amos Elon dies at 84

Sad news. Haaretz today announced the death of veteran journalist Amos Elon (84) in the village in Tuscany, Italy, where he has been living for the past 20 years. Elon was one of the most outstanding Israeli journalists, a man who wrote as easily for publications like the New York Review of Books, an example for many.
He was born in 1925 in Vienna and fled with his family to Palestine in 1933, where he in the fifties became the star of Haaretz and a protege of Gershom Shocken, the owner and editor in chief. He was subsequently sent to Europe and the States as a correspondent.
In 1970 Elon published the book 'The Israeli's' which was an immediate succes. He thereupon left Haaretz, but returned in 1978 in the wake of the peace process with Egypt. In 1986 he left the paper for good and went to live in his wife's house in Tuscany. There he wrote a biography of Herzl, a book about the Rothschilds and 'The Pity of it All: A portrait of the German Jewish Epoch 1743-1933'.
In 2000 I reviewed for the Dutch Jewish weekly Het Nieuw Israelietisch Weekblad 'A Blood Dimmed Tide' a collection of dispatches he wrote for Haaretz and other newspapers over a period of some 30 years,(the review is to be found on this blog under the tag Amos Elon). Elon has often been described as a cultured, reserved and very intellectual person. A similar picture emerged from this collection of stories. Well written, sensitive, mostly pessimistic and critical observations about developments and trends in Israel. The thirst for territory after the victory of 1967, the sad aftermath of the 1982 invasion of Lebanon, the strange preoccupation with archeology (Dayan, Yigal Yadin), or the way the right started to use the narrative of the holocaust to justify tough actions against real or presumed enemies.
Nowadays Elon strats to be forgotten. But in 2004 he was , in spite of that, at length interviewed in Haartexz by Ari Shavit (also published by Counterpunch, here). There he admitted te be disappointed by the devolopmenets in Israel: 'Nothing has changed here in the last 40 years. The problems are exactly the same as they always were. The solutions were already known back then. But no one paid attention to them. And I found myself repeating them. I found myself saying the same thing all the time. And I started to bore myself.'
He said te feel alienated because of the 'sharp shift in Israel toward the right and toward religion' and the occupation after 1967 'that corrupted Israeli society. Quote: 'There were two sources of perversion: the mixture of religion with political policy and the secular right's military adventurism. Force. The worship of force. By the way, it hasn't come only from the Likud. It also came from Ahdut Ha'avoda (the United Workers Party, a precursor of the Labor Party), from people like Allon and Gallili. Ahdut Ha'avoda always seemed to me to be a party of farmers fighting over each piece of land with pitchforks.'
And about zionism and the state: 'I think that Zionism has exhausted itself. Precisely because it accomplished its aims. If the Zionism of today isn't a success story, it's the fault of the Zionists. It's because of the religionization and Likudization of Zionism and because of what was supposed to be a state-of-the-Jews has become a Jewish state.'
Words that deserve to be remembered. Together with the man who spoke them.

Onderdrukking islamisten kan democratie niet redden

Uit NRC Handelsblad, boekenbijlage, 18-6-1998


Emad Eldin Shahin: Political ascent. Contemporary Islamic Movements in North Africa. Westview Press, 275 blz. f. 160,-

François Burgat & William Dowell: The Islamic Movement in North Africa. University of Texas at Austin (1997), 337 blz. f. 45,-

Saad Eddin Ibrahim: Egypt, Islam, and Democracy. Twelve Critical Essays. The American University in Cairo Press (1996), 266 blz. f. 125,-


Wat is de wortel van het moslim-fundamentalisme? Waarom is het zo succesvol? Dat zijn vragen die de geleerden bezighouden sinds het begin van de jaren zeventig. Met des te meer klem vanaf het moment dat het fundamentalisme triomfen begon te vieren en het het Westen dus werkelijk begon te verontrusten. De eerste schok kwam met de islamitische revolutie in Iran (1979). Vervolgens waren er de moord op Sadat ('81), de opstand in Hama in Syrië ('82), de opkomst van Hezbollah in Libanon ('82) en fundamentalistische bewegingen in Tunesië en Jordanië en de islamitische staatsgreep in Soedan ('89). En, meer recent, de sterkte van de Welvaartspartij in Turkije, de problemen in Algerije, de perikelen rond de Palestijnse Hamas.
Het verschijnsel is duidelijk meer dan een modegril. Bij het aanbreken van de 21ste eeuw drukt het zijn stempel op het politieke klimaat in de Arabische wereld. In veel landen gloorde nog maar enkele jaren geleden de hoop dat het regime een liberalere koers zou gaan varen en meer openingen zou scheppen voor democratie. Maar het feit dat de fundamentalisten daarvan het meest dreigden te profiteren, heeft de vernieuwingen overal weer geblokkeerd.

Kieswet
Voorbeelden te over. In Tunesië heeft het bewind van Zein el-Abidine ben Ali, na een aanvankelijke democratiseringstendens midden jaren tachtig, de deur naar vernieuwingen krachtig dichtgegooid uit vrees voor de Beweging van de Islamitische Tendens (later En-Nahda). Het Egypte van Mubarak heeft na een aanvankelijke liberalisatie de teugels in de jaren negentig strakker aangehaald om strijd te kunnen voeren tegen de radicale Gama'at al-Islamiyya en de groeiende invloed van de Moslim Broederschap. Jordanië heeft, na de herinvoering van de democratie eind jaren tachtig, de kieswet zodanig gemanipuleerd dat de Moslim Broeders bij de verkiezingen van dit jaar uit het parlement verdwenen. In Algerije heeft, nadat in 1988 het Islamitische reddingsfront (FIS) de allereerste vrije verkiezingen dreigde te gaan winnen, een staatsgreep van het leger een einde gemaakt aan het democratiseringsproces. Met als gevolg de huidige uitzichtloze burgeroorlog.
Geen wonder dat het fundamentalisme de gemoederen bezighoudt. En natuurlijk zijn de deskundigen het over veel zaken oneens. Bijvoorbeeld over wat de hamvraag mag heten: hoe moet het tegemoet worden getreden? Is islamitisch fundamentalisme ('politieke islam' of 'islamisme' zijn betere benamingen) onverenigbaar met democratie? Moeten islam-partijen alleen worden bestreden en geïsoleerd? Of moeten ze in het systeem worden geïncorporeerd in de hoop dat zij hun scherpe kanten verliezen als zij medeverantwoordelijkheid gaan dragen. Zullen zij dan op termijn ontwikkelen in de richting van een soort islam-democratie, naar analogie van de westerse christen-democratie?
Saad Eddin Ibrahim, hoogleraar sociologie aan de American University in Cairo, geeft het antwoord op deze vragen alleen impliciet. Ibrahim was een van de eersten die zich met de islamisten bezighield. Al in de jaren zeventig deed hij onderzoek naar de antecedenten van leden van deze groepen. Dat leidde tot de conclusie dat islamisme een reactie is op het falen van andere politieke -ismen als socialisme, communisme en Arabisch nationalisme om werk, huisvesting, carrièremogelijkheden en participatie in de politieke besluitvorming te realiseren. Islamisme was een uitlaatklep voor ontevredenen in samenlevingen als in Egypte, die stagneren en waar een kleine elite al heel lang de dienst uitmaakt. Destijds stelde Ibrahim vast dat het grootste deel van de beweging in Egypte bestond uit jonge, goed opgeleide vertegenwoordigers van de rurale 'lower middle class' die naar de stad waren getrokken.

Recenter onderzoek uit 1995 laat echter een opmerkelijke verschuiving zien. De goed-opgeleide eind-twintigers en dertigers blijken intussen van de eerste plaats te zijn verdrongen door laag-opgeleide tieners en twintigers. De meerderheid woont niet meer in de steden, maar op het platteland en in de 'shanty-towns'. Ibrahims conclusie: het islamisme in Egypte is bezig te evolueren van politiek alternatief voor de lagere middenklasse tot een bredere protestbeweging van jongeren uit het 'lompenproletariaat'. Blijkbaar leidt de scherpe vervolging van de moslimgroepen er bij de blijvende verstarring van het politieke klimaat en het uitblijven van economische perspectieven alleen maar toe dat de beweging zich uitbreidt als een breed protest van de have-nots.
Al met al lijkt Ibrahim in zijn bundel opstellen de in liberale Arabische kringen gangbare mening te onderschrijven dat islamisme in feite het product is van een falende maatschappij. En dus ook het best kan worden bestreden door de maatschappelijke oorzaken weg te nemen, economische vooruitgang te creëren en de maatschappij te liberaliseren.
De auteurs Shahin en Burgat/Dowell zitten niet op die lijn. Ze gaan een stap verder. Zij huldigen het standpunt dat islamisme niet alleen een reactie is op gebreken van de maatschappij, maar vooral ook een authentieke uiting van een cultuur die in de verdrukking is gekomen. Dat is in kringen van islam-deskundigen geen onomstreden standpunt. Maar ongetwijfeld is hun visie gekleurd door het feit dat hun boeken vooral gaan over Noord-Afrika. Dat verschilt van de rest van de Arabische wereld doordat de Franse koloniale overheersers er blijvend hun (culturele) stempel op hebben gedrukt. Zowel in Algerije, Tunesië als Marokko was het establishment bij het bereiken van de onafhankelijkheid sterk verwesterd. De Arabische taal en de traditionele samenleving waren er meer dan elders naar de zijlijn gedrukt, en de nieuwe leiders hebben die lijn in grote trekken voortgezet.
Vooral Burgat en Dowell duiken diep in de gevolgen van deze marginalisatie van de islam. Zij geven tal van voorbeelden, vaak gebaseerd op interviews met leiders van islamistische bewegingen, om duidelijk te maken dat de hervormingen en moderniseringen die de nieuwe, westers gevormde machthebbers doorvoerden, soms nog rigoureuzer waren dan de al tamelijk straffe Franse kolonisatiepolitiek. Bourguiba verhief in Tunesië met één pennenstreek het Frans tot officiële taal in het onderwijs, met als gevolg dat de Arabisch-talige en islamitische Zeitouna-universiteit, met een uitstraling in heel Noord-Afrika, werd gedegradeerd tot een instituut met een onbeduidende bijrol en afgestudeerden met een waardeloos diploma zaten opgescheept. Andere maatregelen waren de invoering van de Franse code-civil die haaks op de islamitische praktijk staat (familierecht), het verheffen van de zondag tot officiële rustdag, of het afschaffen van de vastenmaand Ramadan. In Algerije was de clerus niet veel beter af: zij werd in de periode-Boumedienne als het ware door de staat geannexeerd, gebureaucratiseerd en ingebed in de socialistische ideologie. De 'ulema' (de leidende theologen) werden door deze aanpak in de schaduw gedrongen waaruit later, via het tussenstation van islamitische culturele organisaties, politieke bewegingen ontstonden. In Marokko liep het iets anders. Doordat de koning zich daar opwierp als 'leider der gelovigen', kreeg de islam er een prominentere rol. Maar daar ontstond weer verzet tegen de manier waarop Hassan II de islam monopoliseerde.
Op grond van een overvloed aan materiaal komen Burgat en Dowell tot de conclusie dat de Noordafrikaanse islamistische bewegingen in wezen meer te maken hebben met het culturele erfgoed van deze landen dan de partijen en groeperingen die na de onafhankelijkheid aan de macht kwamen. Eigenlijk zouden zij, menen zij, een rol toebedeeld moeten krijgen om het proces van modernisering 'over te doen'.
Het boek van de Marokkaanse politicoloog Shahin sluit hierop aan. Maar bij hem ligt het accent niet op de vraag hoe 'authentiek' de islamistische bewegingen in Tunesië en Algerije al of niet waren. Bij hem draait het om de vraag of het gewettigd was hen van deelname aan de politieke processen uit te sluiten met het argument dat ze niet in staat zouden zijn een democratische rol te vervullen. Shahin geeft minutieuze beschrijvingen van de opkomst en 'ondergang' van het FIS in Algerije en En-Nahda in Tunesië, waarin hij overtuigend aangeeft dat beide bewegingen weliswaar een 'lunatic fringe' hadden, maar in de kern pluriform waren en bereidheid hadden getoond zich aan de democratische spelregels te binden. Ook voert hij aan dat, zelfs als deze partijen een meerderheid zouden hebben gehaald, dat nog niet een machtsovername had geïmpliceerd. In beide landen - zeker in Algerije - ligt de uitvoerende macht nu eenmaal grotendeels bij de president, die kabinetten naar believen kan wegsturen, en het laatste woord heeft over het leger, politie en de departementen van binnen- en buitenlands zaken. De onderdrukking van En-Nahda in Tunesië en de coup waarmee de verkiezingswinst van het Algerijnse FIS ongedaan werd gemaakt, waren volgens Shahin dan ook niet zozeer pogingen om ondemocratische bewegingen te stuiten, als wel reacties van de heersende elites die niet bereid waren de macht delen. Met als gevolg dat het intellectuele klimaat in Tunesië nu een totale stagnatie vertoont. En dat in Algerije, waar de leiders van het FIS buiten gevecht zijn gesteld, de 'lunatic fringe' de overhand kreeg. Kortom, drie boeken die stof tot nadenken geven over de vraag of het gerechtvaardigd is islamisten altijd en eeuwig uit te sluiten. Is democratie met islamisten mogelijk? Misschien niet. Maar zonder hen is de ramp evenmin te overzien.
Maarten Jan Hijmans

De geest van het vredesakkoord van Oslo is definitief dood

Uit NRC Handelsblad van 26-10-1998

Tijdens de onderhandelingen in Wye Plantation is het vredesakkoord van Oslo weer op de been geholpen. Maar het heeft tijdens de chirurgische ingreep van president Clinton wel enige amputaties ondergaan, die `Oslo' blijvend invalide hebben gemaakt, meent Maarten Jan Hijmans. Van vertrouwen tussen beide partijen is geen sprake meer.

Vijf jaar geleden kwamen de erfvijanden Israel en de PLO uit het niets tot elkaar. Het leek een wonder. Er was erkenning over en weer. Er was euforie. En er was hoop dat de akkoorden van Oslo het decennia-oude conflict geleidelijk zouden oplossen in de richting van het befaamde `historische compromis' tussen de twee volken die elkaar het bezit betwistten van dat ene land. De euforie verdween al vrij snel. De hoop niet veel langer daarna, toen de onderhandelingen tot stilstand kwamen. `Oslo' was eigenlijk al dood verklaard. Maar vorige week werd de inmiddels al negentien maanden in coma verkerende patient in Wye Plantation toch nog met kunst en vliegwerk opgelapt.
De prestatie was vooral het werk van president Clinton in de rol van chefarts, met hulp van verpleegster Albright en een speciaal consult van de zelf verre van gezonde koning Hussein van Jordanie. De gesprekspartners waren Arafat die zijn lot zodanig met Oslo heeft verbonden dat voor hem inmiddels elke stap beter is dan helemaal geen stap en Netanyahu die geschrokken is van de mogelijkheid dat Arafat - als er geen doorbraak zou komen - op 5 mei 1999 wanneer de uitvoeringstermijn van de akkoorden van Oslo verstrijkt eenzijdig een Palestijnse staat zou kunnen uitroepen. Succes dus voor de Amerikaanse president. Vervolgens was er beleefd applaus van de VN, de Europese Unie, Rusland en zelfs wat zwakjes van Egypte. Het vredesproces is immers weer in beweging. De opties zijn weer open.

Maar of dat laatste ook echt zo is blijft de vraag. Wat het applaudisserende publiek voor het gemak over het hoofd ziet is dat de inhoud van het bereikte akkoord een wezenlijk smallere basis heeft dan de oorspronkelijke Oslo-akkoorden.
Het akkoord is dus weliswaar weer op de been geholpen, maar het heeft tijdens de ingreep een paar amputaties ondergaan die het waarschijnlijk blijvend invalide hebben gemaakt. `Wye Plantation' heeft de partijen weer in beweging gebracht, maar in feite is `de geest van Oslo' nu pas echt definitief dood verklaard.
Die geest was een mechanisme om via gefaseerde Israelische terugtrekkingen en maatregelen om de levensomstandigheden voor de Palestijnen te verbeteren een vertrouwensbasis te kweken. Op basis daarvan zouden definitieve vredesonderhandelingen volgen, waarin de echt problematische zaken zouden worden getackled, zoals Jeruzalem, de nederzettingen, de terugkeer van Palestijnse vluchtelingen, de uiteindelijke grenzen tussen Israel en het Palestijnse gebied dat het grootste deel van de bezette gebieden zou omvatten. Van die opzet is weinig terecht gekomen. Israel heeft steeds veiligheidsredenen en onvrede over de manier waarop Arafat afrekende met de opposities in zijn eigen gelederen aangevoerd, om de maatregelen niet uit te voeren. Om dezelfde reden werden meerdere deadlines voor Israelische terugtrekkingen onverrichterzake gepasseerd.
`Wye Plantation' heeft nu met die impasse op twee manieren korte metten gemaakt. Alle `achterstallige' Israelische terugtrekkingen zijn op grond van een Amerikaans voorstel, dat al maanden op tafel lag, gereduceerd tot een terugtrekking uit dertien procent van het grondgebied. Als die terugtrekking is voltooid heeft Arafat de beschikking over veertig procent van de Westoever, waarvan hij ruwweg de helft controleert samen met de Israeli's. Over de andere helft heeft Arafat volledige zeggenschap. Die veertig procent vormen geen aaneengesloten geheel, maar zijn een soort lappendeken van enclaves in overwegend joods gebied.
Van een eventueel `recht op meer' heeft Arafat in feite afgezien (al is in Wye Plantation de afspraak gemaakt dat er nog een terugtrekking van ongedefinieerde omvang volgt). Met dit uitgangspunt van een Israelische terugtrekking uit het grootste deel van de Westbank dat overigens sterk afwijkt van de oorspronkelijke opzet van Oslo wordt Arafat aan tafel verwacht bij de onderhandelingen over een uiteindelijk vredesakkoord, die nu binnen enkele dagen moeten beginnen.
De andere essentie van Wye Plantation is dat Arafat heeft moeten toestemmen in een nog grotere Israelische inmenging in zijn veiligheidsbeleid. De Palestijnse leider die in eigen kring toch al het verwijt op zich heeft geladen dat hij optreedt als Israels politieagent en wiens mensenrechtenbeleid volgens Amnesty International een treurig beeld vertoont van onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting en willekeurige arrestaties en martelingen heeft zich verplicht nu ook de hele civiele structuur van oppositiebewegingen als Hamas aan te pakken. De Amerikaanse CIA krijgt een officiele rol als toezichthouder en moet beoordelen of de aanpak wel naar Israels tevredenheid wordt uitgevoerd. Het zijn deze punten die Arafat in Palestijnse kring op scherpe kritiek zijn komen te staan. Iemand als Edward Said verwijt Arafat dat hij niet ronduit toegeeft dat onderhandelingen met dit territoriale uitgangspunt nooit kunnen leiden tot Palestijnse zelfbeschikking of een levensvatbare Palestijnse staat en dat Arafat zich zelfs in het kleine gebied waar hij de scepter zwaait door Israel de wet laat voorschrijven. Ook binnen de bezette gebieden is er volop kritiek. De eerste botsingen tussen Arafats veiligheidstroepen en critici vonden dit weekeinde al plaats.
Dan is er nog de eis van Israel dat het Palestijnse Handvest van voor Israel onvriendelijke passages wordt ontdaan, waarop door de Palestijnen met schouderophalen is gereageerd (het Handvest is in 1996 al eens geschoond en met enig recht kan worden beweerd dat de Israel-onvriendelijke passages toch al hadden afgedaan nadat de PLO Israel had erkend in de akkoorden van Oslo).
Tenslotte is in Wye Plantation afgesproken dat eindelijk een corridor wordt geopend die de Palestijnen vrije doortocht verschaft tussen Gaza en de Westoever, dat het vliegveld van Gaza open zal gaan en dat Palestijnse gevangenen in Israelische gevangenissen worden vrijgelaten. Deze afspraken stonden al in het oorspronkelijke Oslo-akkoord en hadden dus vijf jaar geleden al moeten zijn uitgevoerd. Niet al te verwonderlijk reageerde de Palestijnse straat dan ook vooral met scepsis: men wil eerst wel eens zien of het dan nu wel allemaal voor elkaar zal komen. "Sehen muss ich, blinde Maupie', zeiden ze vroeger in de Amsterdamse jodenhoek.
`Sehen muss ich' geldt voor de hele verdere gang die nu moet worden afgelegd. De komende maanden staan de meest gecompliceerde onderhandelingen van het hele Oslo-proces op het programma. Maar door de ingewikkelde politieke situatie die inmiddels in Israel is ontstaan, is onduidelijk door wie ze zullen worden gevoerd. Weliswaar zal de socialistische oppositie ervoor zorgen dat Netanyahu in de Knesset de gewenste meerderheid krijgt voor `Wye Plantation', maar het `veiligheidsnet' dat de socialisten hem bieden wordt maar voor een periode van twee weken opgehouden. Het is meer dan waarschijnlijk dat Netanyahu's kabinet daarna door het overlopen van de uiterste rechtervleugel die diep teleurgesteld is over de `concessies' die hij heeft gedaan zal worden gevloerd.
Met alle onzekerheden van dien of in die periode dan wel überhaupt aan de uitvoering van de in de VS gemaakte afspraken zal worden gewerkt.
Maar vooruitgang of niet, het laat onverlet dat als er wordt gepraat dit gedaan zal worden op basis van akkoorden die hun oorspronkelijke bedoeling zijn kwijtgeraakt om via een geleidelijk proces van toenadering te werken aan een definitieve regeling waarbij ook aan de Palestijnse rechten op zelfbeschikking en onafhankelijkheid zo goed mogelijk tegemoet wordt gekomen. In dat opzicht heeft Oslo niet gewerkt. En dat is in Wye Plantation onderstreept.
.

'Oslo' staat vrede in de weg

Uit: NRC Handelsblad 25-8-1998

Vijf jaar na de ondertekening van de akkoorden van Oslo bevindt het vredesproces in het Midden-Oosten zich in een impasse. De oorzaak daarvan ligt niet alleen bij premier Netanyahu, maar ook in de vredesakkoorden zelf, meent Maarten Jan Hijmans.

Het gaat niet goed met het Oslo-proces. Bijna op de kop af vijf jaar na de ceremoniële ondertekening van wat toen door veel mensen als het begin van een verzoening tussen Israeliërs en Palestijnen werd gezien, is niet zozeer sprake van een oplossing als misschien wel meer van een geleidelijke transformatie van het Palestijns-Israelische conflict naar een nieuwe, gecompliceerde fase.
Veel van de in de Oslo-akkoorden besloten beloftes zijn niet waargemaakt. Economisch gaat het de Palestijnen slechter dan ooit, als gevolg van de structurele afsluiting van de bezette gebieden en het niet van de grond komen van de projecten voor een corridor tussen de Westoever en Gaza, of voor een haven en een vliegveld in Gaza. Jeruzalem is een constante steen des aanstoots, doordat Israel zijn aanspraken op de stad kracht bijzet met projecten als het tunneltje onder de Tempelberg, bouwplannen in Palestijnse wijken, en laatstelijk het plan voor de creatie van een stadsprovincie Groter-Jeruzalem, waarin de Palestijnse districten zullen worden ingeklemd als vliegjes in een web. De geplande terugtrekking van het Israelische leger is slechts voor een heel klein deel gerealiseerd.

Niet bekend
Dat die grenzen na Oslo zo ruim zijn geworden, is zeker niet alleen het werk van Netanyahu. Het heeft om te beginnen te maken met het feit dat hij door niemand op zijn vingers wordt getikt. Niet door de enige na de Koude Oorlog overgebleven supermacht, de VS, met een Midden-Oostenbeleid dat in de woorden van de Palestijns-Amerikaanse politicoloog Nasser Aruri "gestaag verder Israeliseert". Niet door een Arabische wereld die na de Golfoorlog (financieel) zwakker, afhankelijker en verdeelder is dan ooit. Niet door Europa dat het zoals gewoonlijk laat bij wat in diplomatieke taal gegoten afkeurende kanttekeningen. Niet door Rusland dat zijn handen vol heeft aan de zieke roebel.
Maar veel meer nog ligt de verruiming van Netanyahu's marges waarschijnlijk aan het karakter van de akkoorden van Oslo zelf. De vloeibare manier waarop ze waren geformuleerd, de euforie waarin ze werden gelanceerd en de onduidelijkheden over de vraag tot wat voor een oplossing ze eigenlijk de opmaat vormden, lijkt tot een soort 'stille evolutie' in het denken over het conflict te hebben geleid.
Vóór Oslo heerste in de wereld min of meer de algemene opvatting dat een vredesregeling in het Midden-Oosten op een zekere mate van rechtvaardigheid moest zijn gebaseerd. Een Palestijnse erkenning van Israel zou - in overeenstemming met resolutie 242 van de Veiligheidsraad - moeten worden gevolgd door een Israelische terugtrekking uit nagenoeg het gehele bezette gebied. De nederzettingen en de Israelische annexatie van Oost-Jeruzalem werden als illegaal beschouwd en aan de Palestijnse aspiraties naar onafhankelijkheid moest op enigerlei wijze recht worden gedaan.
Door 'Oslo'is de zaak echter op zijn kop gezet. De bestaande bezetting, de status quo, werd in de akkoorden juist als uitgangspunt genomen voor een overgangsfase waarin niet al te duidelijk afgebakende Israelische redeployments zouden plaatsvinden en een qua bevoegdheden duidelijk aan Israel ondergeschikte Palestijnse Autoriteit zou worden gecreëerd. Die overgangsfase had een klimaat moeten scheppen voor een eindfase van de onderhandelingen (die overigens al in mei 1997 had moeten beginnen) waarin de echt belangrijke noten zouden worden gekraakt: de uiteindelijke omvang van het Palestijnse gebied, de vorm van een Palestijnse entiteit (staat of geen staat), de toekomst van de nederzettingen, oplossingen voor de problemen van Jeruzalem en van de Palestijnse vluchtelingen buiten Palestina.
Het kan zijn dat de Palestijnen hebben gedacht dat, als het oude vijandbeeld maar eenmaal had afgedaan, via dit model een eigen dynamiek op gang zou kunnen worden gebracht van een proces dat zou leiden naar een uiteindelijke verzoening in het bijna een eeuw oude conflict. Maar dat is niet gebeurd. Ondanks de aanvankelijke euforie rond de handdruk van Arafat en Rabin, zijn de standpunten niet naar elkaar toegegroeid. De opiniepeilingen wijzen weliswaar uit dat een meerderheid van de Israeliërs vóór Oslo is, maar het besef dat voor een écht vredesakkoord een dienovereenkomstige prijs moet worden betaald - de prijs van een historisch compromis waarin het onrecht dat de Palestijnen is aangedaan zo goed mogelijk wordt gerectificeerd - is allerminst doorgebroken.
Bij gebrek daaraan heeft Oslo daarom de facto de ruimte geschapen voor een heel andere dynamiek dan waarop de Palestijnen hadden gehoopt. Een dynamiek waarbij met terugwerkende kracht de bestaande bezetting een veel acceptabeler karakter heeft gekregen en als het ware deels is gelegitimeerd. Behalve de Palestijnen neemt niemand nog de moeite te spreken van het illegale karakter van de nederzettingen of de annexatie van Jeruzalem. De hele notie van resolutie 242 en het principe van 'de ontoelaatbaarheid van het verkrijgen van gebied door middel van geweld' is in de internationale consensus verdrongen door een andere notie, namelijk de notie dat de eindfase van de onderhandelingen tussen de Israeliërs en Palestijnen zelf de verlossende woorden moet brengen. Ongetwijfeld is dat een kijk die past in de pragmatische, van ideologieën gezuiverde jaren negentig. Maar helaas wordt daarbij uit het oog verloren dat het wel een Israelische Goliath en een Palestijnse David zijn die straks aan de onderhandelingstafel zullen zitten en dat het wat wonderlijk is dat beide partijen daar claims kunnen presenteren alsof het om gelijkwaardige rechten gaat.
Het is achteraf misschien de vraag of dit de dynamiek is geweest die Peres en Rabin destijds hebben voorzien, of dat het zo is gegroeid. Een feit is in ieder geval dat ook onder hun bewind - en ook na 1993 - verder is gewerkt aan de planning en het bouwen van een infrastructuur die verraadt welke delen van de Westoever Israel bij een eindregeling wil behouden, en welke zullen worden afgestaan aan de Palestijnse Autoriteit. Het was niet meer dan logisch dat Netanyahu hierop zou voortbouwen en met een eigen planning zou komen. Het gaat te ver om een opsomming te geven van alles wat er de afgelopen vijf jaar aan planningsactiviteiten is vertoond, maar gezegd moet worden dat ook die planning de afgelopen vijf jaar een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de dynamiek van Oslo. Zelfs is er op dat gebied tussen de Arbeidspartij van Shimon Peres en inmiddels van Ehud Barak en de Likud een consensus gegroeid in de vorm van een plan dat in 1996 werd uitgewerkt door Peres' volgeling Yossi Beilin en de leider van de Likudfractie in de Knesset, Michael Eitan.
De omtrekken die uit al deze plannen naar voren komen zijn die van een Gruyère-kaas, waarin Palestijnse enclaves de gaten voorstellen. Israel behoudt ten minste 60 procent van het gebied, Jeruzalem en de belangrijkste infrastructurele voorzieningen. Op geen enkele wijze valt in te zien hoe uit de verspreide Palestijnse bantoestans, die beroofd zijn van een onderlinge samenhang, hun belangrijkste stedelijke centrum Jeruzalem, landbouwgrond en andere middelen van bestaan, ooit de omtrekken zouden kunnen oprijzen van een eigen staat. Veeleer rijst het beeld op van een Groot-Israel dat behalve de Arabieren aan de andere kant van de 'groene lijn', nu ook de bevolking van Gaza en de Westoever in zijn midden heeft geïncorporeerd. Het is niet onwaarschijnlijk dat, als Oslo tot een dergelijke ontknoping leidt, de Palestijnse strijd voor onafhankelijkheid dan een heel nieuw karakter krijgt: die voor gelijkberechtiging in een binationale staat. In feite is dat een oud ideaal van de PLO, dat in de jaren zeventig als gevolg van de toen bestaande politieke realiteit werd ingeruild voor het model van twee staten. De eerste geluiden dat het die kant op kan gaan zijn al gehoord. Onder anderen de Palestijn Edward Saïd en de Israeliër Meron Benvenisti denken dat de situatie hoe dan ook niet meer kan worden teruggedraaid.
Oslo heeft nog een jaar te gaan. En Yasser Arafat werkt intussen aan een eigen 'ploy' om de akkoorden alsnog in zijn voordeel te gebruiken. In de wetenschap dat de onderhandelingen hoe dan ook niet meer kunnen leiden tot een akkoord dat beantwoordt aan de Palestijnse aspiraties, bereidt hij zich voor om op 5 mei 1999, de datum waarop de rechtsgeldigheid van Oslo verloopt, vanuit zijn huidige territoriale basis een onafhankelijke staat uit te roepen met Jeruzalem als hoofdstad. Die staat, die dan niet meer geleid zou worden door de Palestijnse Autoriteit die op die datum haar rechtsgeldigheid verliest, maar door de PLO, zou hernieuwde territoriale claims moeten laten gelden. Een groot deel van de activiteiten van de Palestijnse president zijn erop gericht voor zijn plan brede internationale steun te verwerven. Of dat zal lukken is verre van zeker. Zeker is voorlopig alleen de constatering dat Oslo geen oplossing heeft aangedragen, maar de zaken alleen maar verder heeft gecompliceerd.

dinsdag 19 mei 2009

Obama's eerste klap was vooral een misser

Bij zijn eerste ontmoeting in Washington met Bibi Netanyahu heeft Obama twee dingen goed gedaan en drie dingen fout. Het goede was in de eerste plaats dat hij zijn poot stijf heeft gehouden wat Iran betreft. Het blijft in eerste instantie bij toenadering zoeken in plaats van confrontatie. Blijkbaar had ook Obama wel begrepen dat Netanyahu's gehamer op het Iraanse gevaar, en op de mogelijkheid van het smeden van een coalitie met gematigde Arabische landen tegen Iran, vooral een afleidingsmanoeuvre van Bibi was om niet over Palestina te hoeven praten.
Het tweede dat goed was, was het feit dat Obama (nog) niet de confrontatie heeft gezocht en de tijd heeft genomen om een goede atmosfeer te kweken, waarin veel vriendelijkheden konden worden uitgewisseld over de hechte banden tussen de twee landen en zo meer. Dat hij erin geslaagd lijkt de persoonlijke sfeer goed te houden - iets wat Clinton absoluut niet lukte met Netanyahu; Clinton haatte de man, zo lezen we in het boek van Martin Indyk, Innocent Abroad - betekent waarschijnlijk dat hij nog wel wat rek in de situatie heeft weten te houden.

Maar de fouten die hij heeft gemaakt zijn ernstig. Het feit dat hij Annapolis noemde en is teruggevallen op de Routekaart (Roadmap for Peace) is een blunder van de allereerste orde. In plaats van dit document te laten voor wat het is - dood en in staat van ontbinding - graaft hij het op en geeft hij zo de Israëli's weer de gelegenheid eindeloos te gaan chicaneren. Er zit die duivelse wederkerigheid in verpakt die hen de gelegenheid geeft te zeggen dat de Palestijnen niet doen wat van hen wordt gevraagd (geweld elimineren, lees: Hamas isoleren en Hamasleiders doden) zodat ook zij van hun kant niets hoeven te doen. Wat betekent dat er geen bouwstop in de nederzettingen komt en ook geen nederzettingen worden opgeruimd. Het allerergste is misschien nog dat Obama zich zo ingraaft in dat hele zogenaamde vredesproces zoals dat in de tijd van G.W. Bush nog veel verder in het slop is geraakt, en op die manier het gras voor zijn eigen voeten wegmaait. Want nu is het moeilijk om straks nog te komen met een echte eigen aanpak, iets dat de Routekaart overstijgt. Waarom niet meteen begonnen met een eigen agenda, bijvoorbeeld gekoppeld aan de parameters van Clinton - een eigen onafhankelijke staat voor de Palestijnen, een oplossing voor het vluchtelingenprobleem, een functionele deling van Jeruzalem. Hij had die parameters al of niet kunnen bijstellen, maar het was hoe dan ook een veel beter klinkend begin geweest dan al dat gezwatel uit George W.'s tijd.

Obama's tweede ernstige fout was dat hij bekend heeft gemaakt dat hij de Arabische- en moslim-landen zal vragen al direct tijdens het nog te starten proces hun banden met Israel te normaliseren. Dat is overduidelijk het paard achter de wagen spannen. Israel krijgt - als het Obama lukt - weer eens iets gratis zonder dat het zelf veel hoeft te leveren. Egypte was er het eerst mee, Jordanië volgde later. Ze zijn daar gek op in Jeruzalem - er is is zelfs een naam voor: peace for peace, in plaats van land for peace. Maar het betekent wel weer een incentive minder om Israël straks tot echte stappen te bewegen.

De derde fout van Obama was dat hij geen gebruik maakte van de mogelijkheid een carrot and stick aanpak te volgen, terwijl de tijd daar nu wel degelijk rijp voor is.
Als aanhangsel van het Amerikaanse blad The Nation blogt Robert Dreifuss: The Dreifuss Report. Daarin beschrijft hij vandaag de resultaten van een opinieonderzoek van Zogby International, het pollinginstituut van de Arabische Amerikaan James Zogby. Het verassendste resultaat van dat onderzoek is dat 50 procent van de Amerikanen vindt dat het nu tijd is dat de VS zich krachtig (tough) opstellen tegenover Israëls nederzettingenpolitiek, terwijl slechts 19% daar tegen is en 32% het niet weet.
Ook in het algemeen vinden de Amerikanen - hoewel zij de Israëli's hoogachten (71-21 %) en de Palestijnen laag (25- 66 %) het met een verschil van 45 tegen 44% nu tijd om 'tough' tegen Israel op te treden. Als gekeken wordt naar mensen die voor Obama hebben gestemd is de marge zelfs 71 tegen 18 %, (voor de McCain stemmers was het andersom: 82-9 procent).
Als we hier ook nog bij bedenken dat in 2008 76% van de Amerikaanse Joden voor Obama stemde, dan is duidelijk dat Obama - misschien wel voor het eerst sinds de geboorte van AIPAC in 1953 - niet zo heel erg bang meer hoeft te zijn voor de Joodse lobby en ook dat zijn constituency een hardere lijn zal steunen en daar eigenlijk zelfs om vraagt.
Dat Obama hier niet op in heeft gespeeld en duidelijke quid pro quo's heeft afgebakend - bijvoorbeeld op het gebied van de nederzettingenpolitiek, of het verjoodsen van Oost-Jeruzalem, dan wel een andere houding van Bibi ten opzichte van de inter-Palestijnse verhoudingen (verzoeningsgesprek 26 mei in Cairo tussen Hamas en Fatah) - is een ernstige tactische fout. Misschien komt het nog als Obama op 4 juni in Cairo een als belangrijk aangekondigde policy speech gaat houden. Maar de openingszet heeft hij op pijnlijke wijze gemist. We moeten vrezen dat dat niet veel goeds belooft voor de toekomst.

maandag 18 mei 2009

Civil rights, the only issue that counts

I heard Steven Friedman from South Africa and American Palestinian Ali Abunimah at a meeting organized by the Dutch Committee for Palestine (Nederlands Palestina Komitee) last Saturday. Friedman, whom I met in Johannesburg two years ago at the house of a common friend, is a columnist with Business Day, researcher at the Institute for Democracy in Johannesburg and visiting professor of politics at Rhodes University in Grahamstown. Abunimah is writer of a book, One State, and cofounder of the Electronic Intifada.
Both of them are in favour of a one state solution of the problem of Israel/Palestine. I was not beforehand aware of it, although I could have been if I had listened better to what Steven and his friend Virginia Tilley told me during that shabbat evening meal we had in Johannesburg and if I had paid attention to what Abunimahs book was all about.
I'm not sure whether I'm in favour of a one state solution. I've always been for the establishment of an independent Palestine alongside Israel, but gradually I've come to the conclusion that it's probably not feasible anymore. Not geographically, and not because it will never be accepted by an Israeli majority. Nowadays I wouldn't object to equal rights for Palestinians in a one state model anymore, although it still is not my favourite solution.
But Friedman and Abunimah presented pretty convincing arguments, I have to admit. Abunimah pointed out that the so called peace process has been underway for such a long time that children who were born at the time it started are going to university by now (which is true if one takes Madrid 1991 as a starting point), while at the same time nothing at all has been achieved. Also he stated that a whole community of people - politicians, diplomats and others in Israel, Palestine and elsewhere - have developed a vested interest in this process over time. Consequently - and with some justification - he referred to this community as the 'peace industry' (I myself used to refer to it as the 'peace circus', but peace industry, equivalent of Finkelstein's 'holocaust industry' is fine with me).
His second observation concerned the terms in which a two state solution usually is described. He choose a rather recent paper by Brent Scowcroft, security adviser of former president Bush I, for an example. In it Scowcroft spoke of a state 'based upon' the borders of June 1967 (Abunimah: if one watches a tv-play 'based upon a true story' one is all too much aware that it is not the true story itself). The solution should take into account the population developments on the ground (Abunimah: meaning that the settlements have to stay) and ought to be accompanied by land swaps to which both parties had to agree. This state should be demilitarized and in order to guarantee the safety of Israel it should be patrolled by troops provided by NATO,together with contingents of Egyptians,Jordanians and .... Israeli's (Abunimah: in other words: the troops that now are occupying Palestine should continue their occupation after this so called state came into being).
Even more damning was Abunimahs observation that surveys may continue to show that a majority of Israeli's is still in favour of a two state solution, but that if one goes into details like: are you in favor of the borders of '67, would you relinquish East-Jerusalem and do you agree to the evacuation of the settlements, 90% is against.
Abunimah's conclusion: the two state solution as it is advocated in loosely defined terms by a majority of Israeli's and the international community, in in fact more of a stumbling bloc than a stepping stone on the way to a solution. His solution therefor is: a campaign for equal - civil - rights for all the inhabitants of Palestine and the refugees, while at the same time pointing out how Israels racial supremacy is based on oppression and persecution (he argued that the 1,5 million Palestinians from 'within' Israel by now are pretty much in the same boat as those outside it). This campaign for civil and human rights has to be accompanied by boycots, de-investments and sanctions (bds), executed by the international community.

Friedman gave a picture that was as convincing in a different way. As a South-African he watched from nearby how in the nineties the white consensus, which seemed as solid as could be about maintaining the apartheid, started to crumble after the whites became pariahs in the rest of the world. Not armed struggle, not a process from within, but isolation did the trick. It simply became too costly to continue the situation as it was. Friedman: Nobody wants his sports teams to be boycotted, to be isolated culturally, to be in a position that oil and other commodities have to be smuggled in because of the sanctions.
And why are these discourses so convincing? Just because the alternatives look so hopeless. The peace camp in Israel, tiny as it used to be, has all but vanished. The right won the elections very convincingly the last few times. The left, or what used to be called the left, is not only shrinking rapidly but has also discredited itself twice (Labor as well as Meretz) by not opposing the wars against Lebanon and Gaza in 2006 and 2008. The trend, in other words, is not towards peace, but in the opposite direction. In this situation of stagnation and worsening perspectives a bds campaign which focuses on the oppression and lack of rights of the Palestinians is a kind of last resort for real leftist Israeli activists and a means that might appeal to the conscience of the outside world and therefor come off the ground. A campaign, as Friedman said, for democracy and equal rights for all, because in the end that's the only thing that really counts. And would that as well be a campaign for a one-state solution? 'Yes,' Abunimah said in answer to a question from the audience. 'Yes, maybe. But if a two-state solution would result from it instead, we might be happy with that too. Look at the website bdsmovement.net, it doesn't state any preference.'

dinsdag 12 mei 2009

Dé bank? Nou nee

Merkwaardige ervaring: heb een van de ex-bazen van ABN-AMRO geïnterviewed, Tom de Swaan. Tot voor een jaar of twee was hij Chief Financial Officer (CFO). Nu is hij gepensioneerd (en commissaris bij heel wat instellingen waaronder Labouchère en bij Smith GlaxoKline, een farmaceutische gigant). Het gesprek was in de setting van een driegesprek over de krediet- en economische crisis en (Joodse) moraliteit, voor het blaadje Kol Mokum van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam, waarvan De Swaan net als ik lid is.
Direct vanaf het begin was duidelijk dat De Swaan niet was gekomen om te worden geïnterviewd, maar om meningen te geven. Meningen die niet voor discussie vatbaar waren, wel te verstaan. Hij was de bankier en hij wist het, wij waren dat niet dus wij wisten het niet.
We mochten vernemen dat bankieren de wereld welvaart en veel goeds heeft opgeleverd. Vroeger hadden de mensen in India honger, wist hij uit eigen ervaring doordat zijn familie al lang een jutefabriek had, nu waren ze misschien nog wel arm maar hadden ze te eten. Op een vraag of de drive om te globaliseren niet het nadeel had dat lokale banken werden opgeslokt en geassimileerd, wist hij te verhalen dat ABN-AMRO dat nou juist nooit deed; altijd de lokale mensen op hun posten houden en de oorspronkelijke bank intact houden, kijk bijvoorbeeld hoe goed dé bank dat deed in Brazilië.
En natuurlijk bankieren kan best wel wat worden bijgesteld, ethischer worden, met meer oog voor milieu, Derde Wereld, en zoiets als microkredieten voor de achtergeblevenen van deze wereld. De ABN-AMRO deed dat trouwens al een beetje, wist hij. En ja, bonussen en te gek hoge vergoedingen zouden natuurlijk wel moeten worden aangepakt. Kijk naar de Commissie Maas (over het Nederlandse bankwezen), waarvan De Swaan deel uitmaakte. 'We hebben veel en lang over die paragraaf gediscussieerd. Sommigen vonden dat we te ver zijn gegaan en anderen juist weer dat het niet ver genoeg ging, dus zitten we waarschijnlijk wel goed.'
Vervelend alleen dat De Swaan niets, maar dan ook helemaal niets wilde zeggen over de vraag in hoeverre de banken verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor de rotzooi die sinds verleden jaar over ons is losgebarsten in de vorm van een kredietcrisis en de naweeën daarvan. Jawel, wat in de Amerikaanse hypotheekwereld was gebeurd, dat was volgens hem 'crimineel'. Iedereen kon zomaar een hypotheek krijgen, mensen kregen er 130% van de waarde van hun huis aangeboden en de belofte dat ze vijf jaar geen rente hoefden te betalen. Dat vroeg natuurlijk om moeilijkheden. Maar op de voor de hand liggende vraag of het wezen van de kredietcrisis nu niet juist was dat die vergiftigde leningen vanuit het hypotheekwezen de rest van de banking world hadden kunnen binnendringen zei hij botweg: 'nee'. Een andere vraag ging over een artikel van de Amerikaans-Nederlandse sociologe (Columbia University) Saskia Sassen die opmerkte dat de wereld zwaar is overgekapitaliseerd (kort gezegd: er is veel meer geld in omloop dan de waarden die er tegenover staan rechtvaardigen). De Swaan beaamde dat, maar zei dat dat geld ons 'wel allemaal ontzettend veel welvaart heeft gebracht'. Op Sassens opmerking dat de geldvoorraad mischien gewoon weer moet krimpen voor de situatie weer gezond kan worden, ging hij niet in.
Op de vraag of het mondiale monetaire systeem niet te onevenwichtig was gebleken en of de wereld niet gebaat zou kunnen zijn bij nieuwe afspraken en regulerende instanties, een soort nieuw Bretton-Woods, zei hij dat het hem geen goed idee leek om terug te keren naar de vaste, in '73 losgelaten onderlinge vaste wisselkoersen. Alsof dat de bedoeling van de vraag zou zijn. En een vraag aan de hand van een artikeltje van Nobelprijswinnaar Paul Krugman, tenslotte, dat suggereerde dat de crisis een soort domino-pad volgt waarop nog steeds op wishful thinking en bubbles gebaseerde stenen omvallen, zodat het nog wel een tijdje kan duren voordat er herstel volgt, negeerde hij met een blik op één van de andere gesprekspartners: 'hoe was het, had jij niet nog een vraag?'
Tja. Wat ik al zei: een merkwaardige ervaring. Deze mate van arrogantie was meer dan ik aankon, wat een zak. Maar moet ik nu echt geloven dat de banken - in casu de ABN-AMRO en De Swaan - er geen schuld aan hebben dat er miljarden zijn verdampt, omdat zij niet konden zien aankomen dat een deel van wat ze verhandelden op illusies en gebakken lucht was gebaseerd? Als dat is wat hij bedoelde, dan is het nog erger dan ik dacht. Dan zijn ze misschien niet slecht bij die bank, maar vooral erg dom. Dan was het als in de woorden van Talleyrand 'pire qu'un crime, c'était une faute'. En als hij dat niet bedoelde maar alleen mooi weer wilde spelen en zijn handen in onschuld wassen (excusez de christelijke uitdrukking) dan komt het bijna op hetzelfde neer. Als dit de sfeer in de top van de bank weergeeft is het hoog tijd voor verandering. - Tijd voor de Rabo-bank?

maandag 11 mei 2009

Israëls politieke choreografie

'Kijk maar er staat niet wat er staat,' schreef de dichter Martinus Nijhoff vele decennia geleden. In mijn jaren bij de krant moest ik daar vaak aan denken, zo vaak dat het bijna een motto werd. Nergens is het nieuws zozeer het topje van een verder onzichtbare ijsberg als in het Midden-Oosten. Heel vaak moet je een hoop moeite doen, navragen, combineren, deduceren, hypotheses uitproberen, om erachter te komen waar bepaalde opmerkingen, gebeurtenissen of incidenten écht voor staan. Veel journalisten en diplomaten laten dat na. Simpel voorbeeld: De speech die Ariel Sharion in 2002 hield in Herzliya. De pers in het algemeen pikte eruit op dat hij zich uit Gaza en delen van de Westoever wilde gaan terugtrekken en de Palestijnen een eigen staat wilde geven. Sharon de vredesduif. In realiteit was het een plan om te ontkomen aan de dreiging van een staat waar de Palestijnen numeriek de overhand zouden krijgen. Sharon wilde daarom unilateraal een beslissing opleggen. De terugtrekking uit Gaza was een bliksemafleider voor het plan om Jeruzalem en alle grote nederzettingenclusters op de Westoever in te lijven en de rest aan de Palestijnen te laten achter een acht meter hoge muur. Sharon zoals we hem kenden: de man van de grand design.
Anno nu hebben we te maken met Netanyahu, die niets wil weten van een Palestijnse staat. Zelfs Sharons plannen voor een gecastreerd mini-Palestina vindt hij te ver gaan - hij wil een soort 'economische normalisatie' in de hoop dat hij zo het hele onderwerp 'staat' kan vermijden. Enkele dagen na nu heeft hij in Washington zijn eerste krachtmeting met Barack Obama. En beide kanten hebben de afgelopen weken wat inleidende danspassen voor dit komende ballet laten zien.
Obama heeft een paar keer gezegd en laten zeggen dat hij een twee-statenoplossing wil. Onder meer via de Jordaanse koning Abdallah in een interview met The Times of London lekte uit dat Obama eraan denkt Israël een hernieuwde vorm van het Arabisch vredesplan uit 2002 (van de Arabische top van Beiroet) voor te leggen, met medewerking van een groot aantal Arabische en mogelijk ook islamitische spelers.
Maar Netanyahu heeft een heel andere strategie. Wie de recente jaarlijkse conferentie van AIPAC, de Amerikaans Joodse lobby, in Washington heeft gevolgd, zal twee dingen zijn opgevallen. Ten eerste de speech van vice-president Joe Biden waarin hij namens Obama aankondigde dat het tijd werd voor een twee-statenoplossing, en ten tweede het feit dat er op de conferentie verder nauwelijks over vredesstrategieën werd gesproken, maar des te meer nadruk werd gelegd op de enorme dreiging die zou uitgaan van - een mogelijk binnenkort nucleair bewapend? - Iran. Er was bijvoorbeeld een forum met Israëls luchtmachtchef, generaal Ido Nechushstan, ex-CIA-directeur James Woolsey, congreslid Jane Harman en de directeur van de AIPAC-denktank, Robert Satloff, dat niets aan de fantasie overliet aangaande de maatregelen die jegens Iran zouden moeten worden genomen. Veel speeches gingen ook over dit thema. Met als dubieus hoogtepunt een toespraak van Israëls president Shimon Peres waarin hij Iran vergeleek met nazi-Duitsland.
Even eerder dan de AIPAC-meeeting was er de VN-anti-racismeconferentie bekend als 'Durban II' in Genève en daar liet Israël zich ook niet onbetuigd. Klik op Muzzlewatch (hiernaast in de kolom interessante sites) om de beschamende details te lezen. De Israëlische propagandamachine had kosten nog moeite gespaard om er een compleet circus van te maken. Vanuit de VS waren Elie Wiesel en jurist Alan Dershowitz ingevlogen om bijeenkomsten toe te spreken (Dershowitz noemde er de Palestijnen de 'nazi's van vandaag') en er waren honderden studenten en andere groepjes ingehuurd om met spandoeken en posters het anti-Israëlische karakter van de conferentie te onderstrepen en te wijzen op de enorme gevaren van .... u begrijpt het al: Iran. Nu zijn Ahmadinejad en Khamenei zeker niet mijn favoriete politici. Ook is het zaak Irans nucleaire ambities goed te volgen (al zie ik niet in waarom Iran geen kernenergie zou mogen aanwenden voor vreedzaam gebruik), maar al dit lawaai en gedoe op een conferentie waar in de verste verte niets leek op de anti-Israëlische retoriek van Durban I (en waar zelfs Ahmadinejad's speech niet verder ging dan de opmerking dat de holocaust wordt gebruikt om Israëls misdaden te verdoezelen - niet aardig, maar zeker toelaatbaar, lijkt me) kan maar één ding betekenen. Namelijk dat in Jeruzalem op het ministerie van Buitenlandse Zaken heel veel geld, moeite en tijd wordt besteed aan campagnes als deze twee om de publieke opinie te masseren en ons allemaal te doordringen van het gigantische gevaar van de leiders in Teheran. Dat wordt straks HET verhaal dat Netanyahu bij Obama gaat houden, in de hoop dat hij steun zal vinden in het Congres, de wereld van de media en delen van de publieke opinie om Obama te weerstaan als die al te veel nadruk gaat leggen op de stappen die naar zijn mening moeten worden gezet om een een twee-statenopossing mogelijk te maken.