maandag 20 april 2009

Nederlands waterexperts timmeren aan de weg

Uit: Management Team, ...2000

Onze kroonprins werd een beetje uitgelachen toen hij een aantal jaren geleden aankondigde zich erin te willen specialiseren. Maar het gelach is verstomd. Waterbeheer wordt, met een almaar groeiende wereldbevolking, een van de belangrijkste thema’s van de 21ste eeuw. Mondiaal gaat er nu al jaarlijks zo’n $ 450 miljard in deze sector om. In tien jaar zal dat bedrag waarschijnlijk het dubbele zijn. Het waterland Nederland blaast zijn partijtje in mee, maar het kan beter. De Nederlandse overheid wil de krachten bundelen en de Nederlandse know-how beter te gelde gaan maken.

door Maarten Jan Hijmans
In de nog redelijk groene polder van Delft-Zuid, temidden van instituten van de TU Delft, ligt het complex van WL|Delft Hydraulics, of zoals de echte waterkenners in Nederland kortweg zeggen: WL (Waterloopkundig Laboratorium). Grote hallen met opschriften als ‘zout-zoethal’ of ‘windgoot’ temidden van wat bollenperken en een parkeerplaats. Deze dagen stopt op deze parkeerplaats nogal eens een auto met AA-nummerbord om een robuuste, blonde dertiger uit te laten: prins Willem Alexander. De prins is een regelmatige gast van WL. En een graag geziene gast. Hij is zeer onderlegd en straalt een grote mate van enthousiasme uit. ‘De keus voor watermanagement is niet zomaar een keuze geweest van de prins,’ zeggen ze bij WL. ‘Hij is zeer gemotiveerd. Hij heeft er heel hard aan gewerkt en intussen ook een internationale positie opgebouwd. Hij wist wat hij deed, toen hij de keus maakte en het was natuurlijk ook een heel terechte keuze. Water is zonder meer een van de belangrijkste issues aan het worden in deze eeuw.’
‘Neem alleen al Nederland,’ zegt Ron Thiemann, ‘hoofd public relations van WL Delft. ‘We hebben hier natuurlijk een hele lange geschiedenis van leven met water. We hebben gepolderd, gekanaliseerd, dijken gebouwd. Het hoogtepunt is natuurlijk ons stelsel van stormvloedkeringen, de Deltawerken. Die gelden in de wereld als een voorbeeld, als een referentiepunt, iets waar buitenlandse deskundigen nog steeds naar komen kijken. De Nederlandse waterwereld is er terecht apentrots op. Dat ben ik trouwens zelf ook. En vervolgens dachten we dat Nederland wel zo’n beetje af was. Dat het water bedwongen was. Ons kan niets meer gebeuren. Dachten we. Nou, vergeet het maar. We zijn, omdat we dachten dat alles voor elkaar was, op steeds risicovollere plaatsen gaan bouwen. Maar de laatste jaren is er een toenemende discussie dat het anders moet. Dat er een grens is aan maar bemalen en bemalen en maar steeds hogere dijken. Want door al dat bemalen is Nederland gedeeltelijk aan het verzakken en dat is een onomkeerbaar proces als we er niet iets aan doen.’
Iets dat ons met de neus op de feiten heeft gedrukt, waren de overstromingen van de afgelopen jaren van de Maas in Limburg. We dachten dat de rivieren konden dwingen om netjes in de door ons aangelegde bedding te blijven en tussen de dijken door te stromen. Maar rivieren laten zich niet dwingen, zeker niet als er ook bovenstrooms van alles wordt gekanaliseerd en gereguleerd. Dus nu weten we dat we die rivieren weer meer de ruimte zullen moeten gaan geven. Dat we niet zonder meer in de uiterwaarden moeten gaan bouwen. Dat er ‘retentiebekkens’ zullen moeten komen om de flexibiliteit te vergroten, en misschien ook wel ‘calamiteitenpolders’ die we onder laten lopen als het toch allemaal te hard gaat. Misschien moeten we weer een beetje terug naar de oorspronkelijke staat van rivieren die zelf, in samenspraak met het landschap, bepalen waar zij hun water laten, de natuur weer wat meer haar gang laten gaan. Die discussie is nu bezig, die is eigenlijk nog maar net begonnen. En het is trouwens ook niet een discussie die alleen hier speelt. Andere landen in Europa hebben vergelijkbare problemen. Duitsland heeft bijvoorbeeld soortgelijke problemen met de Rijn. Dit soort problemen worden nu in toenemende mate op Europees niveau aangepakt, met als gevolg onder meer dat Rijkswaterstaat, maar vooral ook de Nederlandse Waterschappen, steeds meer over de grens moeten gaan kijken. Je ziet, er is van alles aan de hand. En trouwens, dit soort problemen met rivieren in dichtbevolkte gebieden speelt een rol op veel meer plaatsen, denk alleen al aan China en de problemen met de Gele Rivier en de Yang tze en de overstromingen die ze daar hebben gehad.’

Kennisinstituten
Laat Ron Thiemann praten over water en WL, en de uren vliegen voorbij. Beide onderwerpen zijn nagenoeg onuitputtelijk. Beide zijn bovendien Thiemanns grootste hobby. Water, de bescherming ertegen, de schaarste ervan als drinkwater en irrigatiemiddel, het gebruik als transportmiddel, en de zorg dat het niet vervuilt of dat voorraden niet worden uitgeput (sustainable usage) zijn nu eenmaal onderwerpen waarin het nodige gaande is en waarin in Nederland nogal wat kennis is vergaard. En WL-Delft neemt, als het om die kennis gaat, een speciale plaats in. Waterkennis in Nederland is op veel plaatsen aanwezig. Rijkswaterstaat, de provinciale waterstaten, de waterschappen en de drinkwaterbedrijven hebben allemaal het nodige in huis. Dan zijn er de universiteiten (TU-Delft, TU-Twente, RU-Utrecht en de Landbouwhogeschool Wageningen). Voorts de ingenieursbureaus op watergebied als Arcadis DHV, HasKoning, Grontmij en Witteveen en Bos. En tenslotte de baggeraars en bouwers (vaak loopt dat door elkaar) als Boskalis, Ballast Nedam, Van Oort ACZ en de HAM.
WL neemt in dat gezelschap een soort adviseur van de adviseur-functie in. Het instituut, opgericht in 1927, is door de Nederlandse overheid bestempeld tot één van de vijf zogenoemde kennisinstituten op technisch gebied, samen met Marin (scheepvaart), ECN (energie), NLR (lucht- en ruimtevaart) en GeoDelft (grondmechanica). WL beweegt zich eigenlijk op alle terreinen van kennis op watergebied, van hydrodynamica, hydrologie, en morfologie, tot waterkwaliteit en aquatische ecologie. WL is groot geworden met zijn toepassing van schaalmodellen, waarin natuurlijke invloeden versneld konden worden gesimuleerd. Het heeft een grote hoogte bereikt in het ontwikkelen van software voor simulatie en monitoringtechnieken. (Het heeft op dat gebied onlangs een samenwerkingsovereenkomst getekend met het Amerikaanse HydroQual). Het loopt bovendien voorop bij het aanbieden van een zogenoemde ‘integrale’ aanpak. bij het in kaart brengen van problemen en implementeren van oplossingen. Waar vroeger technische en financiële haalbaarheid van plannen vaak de doorslaggevende, zoniet enige criteria voor uitvoering waren, is tegenwoordig een multidisciplinaire aanpak usance. Milieutechnische, economische en sociologische criteria gaan hand in hand bij het opstellen en uitwerken van plannen. Biologen, en chemici behoren eveneens tot de staf. En de rol van de ‘stakeholders’, de mensen die rechtstreeks of indirect belang hebben bij het uitvoeren van plannen en dus het ‘draagvlak’ moeten vormen, krijgt tegenwoordig net zoveel aandacht als die van de ‘decision makers’. Ook voor het monitoren van de implementatie van zo’n multidisciplinaire aanpak heeft WL de nodige modellen in de aanbieding.
Het instituut (omzet in 1998 $ 34 miljoen, waarvan ruwweg een derde in het buitenland werd gegenereerd - met name in (Oost)-Europa, het Midden-Oosten, Afrika en Azië) is vrij uniek in zijn soort. Concurrenten zitten alleen in Denemarken (Danish Hydraulic Institute) en - in mindere mate - in de UK (Hydraulic Research Station Wallingford). Geen wonder dat prins Willem Alexander de laatste tijd een regelmatige gast is van WL.

Actieprogramma
De kennis van WL is ongetwijfeld ook één van de speerpunten van een nieuw promotie-beleid ten aanzien van de Nederlandse know-how, dat de overheid in de maak heeft. Een inter-ambtelijke werkgroep van de ministeries van Verkeer en Waterstaat, Economische Zaken, Buitenlandse Zaken, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, benevens Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, kwam in november met een nota “Partners voor Water - Programma Buitenlandse Waterinzet’, die is aangeboden aan de Tweede Kamer. Het is niets minder dan een ‘actieprogramma’ om krachten te bundelen, doelstellingen en een actief promotiebeleid te ontwikkelen. De Nederlandse waterkennis moet beter aan de man gebracht. Daarvoor is ook nodig dat Nederland een actieve ‘waterdiplomatie’ ontwikkelt, die het Nederlandse aanbod onder de aandacht moet brengen, of onder moet brengen in bi- of multilaterale verdragen en ‘aan moet haken’ bij de planning van financiers als de Wereldbank of regionale ontwikkelingsbanken..
De werkgroep, onder leiding van prof. J. Leentvaar van het RIZA, geeft - voor het eerst - een opsomming van de bedragen die met de inzet van de Nederlandse waterexpertise in het buitenland zijn gemoeid. In exportstatistieken en dergelijke werden die tot dusver niet apart genoemd. Het rapport komt op basis van schattingen tot een omzet van in totaal 11,1 miljard gulden. Het leeuwendeel daarvan wordt bijgedragen door aannemers (inclusief baggeraars), en de leveranciers van kapitaalgoederen (installaties, pompen etc) namelijk respectievelijk 5 miljard en 4 miljard gulden. Consultancy’s zouden 1,5 miljard bijdragen. Kennisinstituten en ‘contracting engineers’ komen elk aan 200 miljoen. Nutsbedrijven en MFO’s aan elk 100 miljoen gulden. Maar.. die omzet kan omhoog, meent de werkgroep, en dat moet ook. Want er is niet alleen een economisch belang mee gemoeid. Het gaat er ook om een bijdrage te leveren aan een betere en minder vervuilde wereld en dat is net zo goed een Nederlands belang.
Het rapport meent dat gesproken kan worden van een mondiale watercrisis door de sterke groei van de economie en de wereldbevolking die leidt tot een toenemende druk op de beschikbaarheid van water van voldoende kwaliteit. De wereldbevolking zal in de komende 25 jaar waarschijnlijk groeien naar 9 miljard. Voor het voeden ervan zal de waterbehoefte in de landbouw naar verwachting verdubbelen. En nu al gaat 70% van de beschikbare hoeveelheid naar irrigatiedoeleinden. Ook zal bij de overgang naar de 21ste eeuw de helft van de wereldbevolking - voor het eerst in de geschiedenis - wonen in grote steden. Er zijn zo’n 23 ‘megasteden’ met bevolkingen tussen de 5 en 30 miljoen. Daarvan liggen er 18 aan de kust in deltagebieden en aan het eind van belangrijke stroomgebieden. Voorbeelden - met bevolkingen tussen de 15 en 20 miljoen - zijn Karachi, Bombay, Calcutta, Dhaka, Sjanghai, Lagos, Jakarta, Bangkok, Manilla, Rio de Janeiro en Buenos Aires.. Dergelijke concentraties van mensen in delta’s betekenen extra druk op de watersystemen en veiligheidsrisicio’s. Zeeën worden eveneens in toenemende mate door vervuiling bedreigd. Vervuiling, wateroverlast, en watertekorten nemen tezamen de contouren van een crisis aan. En dan zijn er nog de grensoverschrijdende problemen die stof voor potentiële conflicten en oorlogen zijn, plus de klimaatverandering, die zorgt voor een stijgende zeespiegel en toename van het risico van overstromingen.
De interdepartementale werkgroep ziet hier een taak voor Nederland en meent dat we ons het beste kunnen richten op diepgaande samenwerkingsrelaties met individuele landen of bepaalde gebieden. Zo zou de Nederlandse expertise het best tot haar recht komen als gekozen wordt voor drie categorieën: 1) dichtbevolkte delta’s en laaggelegen kustgebieden, met name in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. 2) grensoverschrijdende stroomgebieden als de Donau, Mekong, Zambezi, Amazone, Ganges, Niger, Nijl, of binnenzeeën als de Zwarte en Kaspische Zee. En tenslotte: 3) kandidaatleden van de EU en landen waarmee Nederland mediterrane samenwerkingsakkoorden heeft gesloten. Een flink aantal landen waar Nederland nu al contacten mee heeft en projecten uitvoert, valt overigens binnen deze drie categorieën.
Nederland zou het aanbod kunnen richten op zaken als integraal waterbeheer, duurzame ontwikkeling en beveiliging tegen overstromingen van kusten en delta’s, ruimtelijke ordening rond water, waterzuivering, aanpak van verontreinigde bodems, wetlandbeheer, aanleg van havens, irrigatie en drainage, en onderwijs.
Opvallend aan de plannen van de stuurgroep is dat zij alle water-geledingen in Nederland in de plannen wil inzetten. Zo zullen volgens het rapport, ministeries, Rijkswaterstaat, de waterschappen, de kennisinstituten, universiteiten, nutsbedrijven (waterbedrijven), consultancy’s, baggeraars/bouwers en NGO’s zich moeten verenigen, eventueel samen met financiële instellingen. Met één plan uit het rapport is al een begin gemaakt: als een gezamenlijk aanspreekpunt en actiecentrum’ van de Nederlandse bedrijven en organisaties op watergebied is het ‘Nederlandse Waterpartnership’ (NWP - www.nwp.nl -) van start gegaan. Een andere activiteit waarmee Nederland zichzelf onder de aandacht brengt van de ‘world water community’ heeft net plaats gehad: van 17 - 22 maart vond in Den Haag, onder voorzitterschap van prins Willem Alexander en met deelname van meer dan 100 landen, een tweede internationale waterconferentie plaats, ‘The World Water Forum’.

Baggeraars
Een van de grootste voorvechters, en mede-promotor, van een gecoördineerde aanpak bij het aanbieden van de Nederlandse waterexpertise is NEDECO, de groep waarin de Nederlandse ingenieursbureaus zich hebben verenigd bij hun activiteiten in het buitenland. NEDECO is qua opzet zelf al een voorbeeld van een gecombineerde aanpak. De groep, die destijds is opgezet door Albert Plesman met - inderdaad - als opzet het bundelen van de krachten van de Nederlandse ingenieursbureaus, treedt in het buitenland vaak onder eigen naam op. ‘In Nederland opereren alle aangesloten bureaus voor zichzelf, buitenslands opereren ze vaak onder de vlag van NEDECO,’ aldus NEDECO-directeur Aalt Leusink. ‘Deels gebeurt dat ook via de buitenlandse dochter van de aangesloten ondernemingen. Dat komt steeds meer voor.’ De NEDECO-groep heeft vestigingen in meer dan 110 landen en voert jaarlijks meer dan 3000 projecten uit in 135 landen. De groep haalde in 1999 gezamenlijk een omzet in het buitenland van f 509 miljoen.
De groep heeft een brede basis. Zo zijn niet alleen ngemnieursbedrijven als DHV, HASKONING en Wittieveen+Bos lid van de groep, maar ook het Nederlands Economisch Instituut, WL en ARGOSS, gespecialiseerd in aardobservatietechnieken. NEDECO is dan ook de grote kampioen van een totaal-aanpak, waarin alles wat Nederland in huis heeft wordt ingezet. ‘Het is goed als ministeries plannen op elkaar afstemmen. Alleen DGIS (=Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking, alias jhet ministerie van ontwikkelingssamenweking) besteedt jaarlijks al f 350 miljoen aan ‘water related’ projecten,’zegt Leusink. ‘Maar het is ook belangrijk dat er nieuwe disciplines een plaats krijgen. Zo worden bijvoorbeeld de juridische aspecten van water steeds belangrijker. We zagen dat ook bij de World Water Forum-conferentie waarin grote aandacht werd besteed aan zaken als het streven naar een internationale waterrechtsorde en het maken van goede afspraken tussen landen die waterbronnen, rivieren en dergelijke, met elkaar delen. Op dat punt valt nog veel te regelen. Kijk bijvoorbeeld maar naar het Midden-Oosten. Nederland heeft ook op dat gebied wel de nodige ervaring. Verder wordt bij de uitvoering van waterplannen en het beheer ervan ook het regelen van de verantwoordelijkheden en de zeggenschap van de ‘stakeholders’; steeds belangrijker. Op dat gebied hebben we in natuurlijk werkelijk een schat aan ervaring. Zo heeft Egypte, waar we al heel lang mee samenwerken op watergebied, belangstelling getoond voort ons systeem van waterschappen. Ze zijn daar nu aan het experimenteren met ‘waterboards’.
En wat minder optimistische noot over de gepropageerde nieuwe ‘integrale’ Nederlandse aanpak is trouwens ook te horen. Die komt uit de wereld van de bouwers en baggeraars. Ook deze bedrijven, als Bos Kalis, Ballast Nedam, Volker Wessels Stevin, Van Oort, of HBG, hebben hun organisatie voor belangenbehartiging in het buitenland, de NABU. De NABU is overigens alleen belangenbehartiger. Anders dan Nedeco treedt zij nergens als zelfstandige uitvoerder op. NABU-directeur ir H. Hangelbroek, zelf uit de baggerwereld afkomstig, heeft zo zijn bedenkingen bij de plannen om alles op watergebied in Nederland bij elkaar in een hoge hoed te doen. Baggeren en bouwen spelen zich af in een puur commerciële en harde wereld. Nederland staat daarin zijn mannetje. De Nederlandse baggeraars hebben in die wereld (samen met de Belgische concerns Jan de Mul en DEME) een kwalitatief en kwantitatief overwicht. Samen hebben ze zo’n 70% van de vrije wereldbaggermarkt in handen. Jaarlijks zijn de NABU-baggeraars goed voor een buitenlandse omzet van zo’n f 2,5 miljard. Waar het bouwactiviteiten betreft, wordt eveneens behoorlijk gescoord. Maar op dat vlak neemt de strikt Nederlandse inbreng in feite af, omdat meer en meer via dochters in het buitenland wordt gewerkt. Zo was bijvoorbeeld de buitenlandse omzet van NABU-maatschappijen op het gebied van droge waterbouw in 1998 zo’n 3,7 miljard, maar daarvan werd nog maar een slordige 900 miljoen door de Nederlandse moedermaatschappijen gegenereerd. Deze trend, zegt Hangelbroek, is mondiaal en op alle terreinen aan de gang. Zo zie je hoe conglomeraten als Suez-Lyonaise des Eaux of Vivendi zich met grote investeringen in diverse landen lokaal op de op de drinkwatervoorziening storten. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Verenigd Koninkrijk,. (maar Lyonaise is net zo goed actief in Sjanghai). Hoe Nederland echter met ‘integrale’ concepten de markt op wil met behulp van waterleidingbedrijven die nog niet eens zijn geprivatiseerd, dat ziet hij nog niet zo. ‘Natuurlijk,’ zegt Hangelbroek, ‘een instituut als WL is een schitterend instituut. Dat brengt zichzelf ook wel aan de man. En Rijkswaterstaat heeft ook zeker een schat aan kennis. Maar hoe willen ze dat vermarkten? Hoe willen ze de markt op met de waterleidingsbedrijven die gewoon nutsbedrijven zijn? Dat zou ik nog wel eens willen zien.’

Nederland krimpt, terwijl Europa groeit

Management Team, ...2000


Voor verkiezingen voor de Tweede Kamer komt het gros van de Nederlanders nog wel naar de stembus. Voor het Europese parlement gaat er echter niet meer dan één op de drie. Andersom zou logischer zijn. Wat wet- en regelgeving betreft, is Brussel al lang veel belangrijker dan Den Haag.

door Maarten Jan Hijmans

Eén van rare dingen van Europa is dat het, zoals dat heet, ‘zo weinig leeft’. Ooit is dat anders geweest. In de jaren vijftig en zestig, toen een gemeenschappelijk Europa nog helemaal van de grond moest komen en voornamelijk nog een hobby was van heren als Schumann en Monnet die graag wat verder keken dan de eigen grens, was het een ideaal. Er bestond een echte Europese fanclub. En hoewel het toen maar een paar landen betrof en ook niet verder ging dan een gemeenschappelijke markt voor kolen en staal, werden er debatten gehouden, was er een Europese Beweging die iets voorstelde en waren er mensen die een mooie toekomst predikten. Europeaan zijn stelde wat voor. Europeanen streefden - zo kort naar de oorlog - naar een situatie waarin de erfvijanden Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië die elkaar toch nog maar net weer bloedig naar het leven hadden gestaan, gezamenlijk zouden optrekken en samen zouden bouwen aan een nieuwe maatschappij .
Vooral bij Westduitsers was Europa in die jaren populair. Waarschijnlijk omdat zij er een manier in zagen om de Duitse nationaliteit, waar zij zo kort na de nazi-gruwelen moeilijk oprecht trots op konden zijn, in te kunnen inruilen voor iets beters en hogers. In een nummer van het glossy jongerenblad ‘Twen’ dat maar enkele nummers heeft bestaan, werd jonge Duitsers eens gevraagd naar hun kijk op Europa. Om het hardst verzekerde de ene na de andere Duitse twenner dat ‘Duitser zijn’ niet zoveel voor ze betekende, nee, maar ze waren wel ‘verdammt stolz Europäer zu sein’.
Van die trots op Europa is weinig over. En niet alleen in Duitsland waar het een generatie of wat later best nog wel goed gekomen is met het Duitse zelfgevoel. Eigenlijk is het overal een beetje hetzelfde. Echte idealistische Europeanen bestaan nauwelijks meer. Het hoeft misschien ook niet meer, want de utopie van toen is behoorlijk tastbaar geworden en sneller tot stand gekomen dan toen mogelijk werd geacht. Europa is intussen van zes naar 15 landen uitgebreid en zal er binnen afzienbare tijd waarschijnlijk wel zo’n 20 tellen. Waarschijnlijk hebben we er gewoon mee leren leven dat Brussel intussen een realiteit is, die niet meer is weg te denken. Al lang hoeft Europa niet meer stapje voor stapje via verdragen en bijeenkomsten van Europese leiders vorm te krijgen. Veeleer is het intussen een trein die volop op stoom is en in zijn loop niet meer is te stuiten.
En de vaart zit er behoorlijk in. Steeds meer terreinen die vroeger het exclusieve domein van de nationale regeringen waren, worden tijdens de rit meegesleurd. ‘Subsidiariteit’ (het principe dat Brussel alleen datgene regelde wat persé op een supranationaal niveau moest worden gedaan en de rest overliet aan de nationale regeringen) was ooit een bijna heilig begrip. Het bestaat ook nog steeds. Nog steeds kunnen regeringen van de lidstaten dingen tegenhouden omdat ze menen dat het beter plaatselijk kan worden gedaan. (Zoals Nederland dat net een programma voor het saneren van schulden van natuurlijke personen had gelanceerd, niet zo lang geleden een Europees initiatief op dat gebied tegenhield). Maar subsidiariteit of niet, de voortgang van Brussel heeft zo zijn eigen dynamiek. En in de loop van dat proces groeit de behoefte om steeds meer zaken op supranationaal niveau te ‘harmoniseren’.

Steeds meer
Volgens dr F.B. Lempers van het Brusselse bureau van de werkgeversorganisatie VNO-NCW komt ‘zo langzamerhand zo’n beetje alle wetgeving op het terrein van Brussel terecht’. En hij somt op: Alle regelgeving betreffende de interne markt en de vrije mededinging is voor ongeveer 100% in handen van Brussel (wat overigens te verwachten was). Landbouw en visserij is ook allemaal Brussel wat de klok slaat. Hetzelfde geldt natuurlijk voor het vrije verkeer van personen en goederen en het vreemdelingenrecht (Schengen). Maar het gaat verder: ook (de liberalisatie van) het energiebeleid is nagenoeg geheel een Brusselse zaak. Transportregelingen zijn voor driekwart een zaak van Europa. Wat betreft het milieu is het ongeveer de helft, maar het aandeel van de EU groeit. De regeling van consumentenzaken: eveneens grotendeels een Brusselse aangelegenheid. Regelingen betreffende internet en e-commerce zullen straks van de EU komen. Handelspolitiek (onderhandelingen met de World Trade Organization WTO): een zaak van de EU. Onderzoek en ontwikkeling is voor een groot deel EU. Intellectuele eigendom: er komt straks een regeling uit Brussel. En op de laatste Eurotop in Nice (2000) is ook nog eens coördinatie van het sociale beleid op de agenda gezet.
Zelfs het economische beleid van nationale regeringen blijft niet meer buiten schot. Met de invoering van de - nu nog virtuele - euro is een gemeenschappelijke aanpak op dat terrein een flinke stap dichterbij gebracht. Nu de lidstaten geen wisselkoersen meer kunnen hanteren en hun monetaire beleid hebben uitbesteed aan de Europese Bank, is het zaak dat op het gebied van de macro-economie zoveel mogelijk één lijn wordt gevolgd. Dat gebeurt, zoals het bij Economische Zaken heet, nu nog in een ‘open coördinatie’, waarbij op basis van vrijwilligheid de onderlinge performance wordt vergeleken en de neuzen zo goed mogelijk één en dezelfde kant op worden gezet. Maar straks wordt dat wellicht toch anders. Op termijn lijkt het onontkoombaar dat gestreefd zal worden naar één supranationaal beleid.
‘Steeds meer,’ zegt Lempers, ‘wordt een zaak van de EU. Uitzonderingen zijn natuurlijk nog onderwijs en cultuur. Ook infrastructuur, zeg maar het beleid van minister Netelenbos, is nog tot op grote hoogte een zaak van de nationale regering. Hetzelfde geldt voor belastingzaken, hoewel de EU zich daar ook steeds meer mee bezig gaat houden voorzover tarieven de vrije mededinging kunnen beïnvloeden. Arbeidsrecht en sociale verzekeringen zijn in ieder geval tot op dit moment eveneens nog een nationale zaak. Maar als je kijkt naar het Nederlandse parlement, dan kun je hoe dan ook vaststellen dat het de laatste vijftien jaar aanzienlijk aan invloed heeft ingeboet. Er zijn steeds meer terreinen gekomen waarop het alleen nog maar indirect enige invloed kan uitoefenen. Natuurlijk is het zo dat Brusselse voorstellen aan de Kamer worden voorgelegd en met de betreffende vakminister doorgenomen, voordat deze in de Europese ministerraad een standpunt inneemt en daar besluiten worden genomen. Maar als zo’n besluit eenmaal genomen is, dan houdt de bemoeienis van de Kamer toch praktisch op.’

Haagse kringen, in dit geval ambtenaren van het ministerie van buitenlandse zaken die niet met name willen worden genoemd, zijn het natuurlijk met deze visie niet helemaal eens. Immers, met de grote lijnen kan Nederland en het Nederlandse parlement zich natuurlijk altijd nog bemoeien. En ook kan je zeggen dat Nederland zich bij de overgang naar grotere liberalisatie, meer marktwerking, een kleiner aandeel voor de overheid en vrijere mededinging, niet alleen maar door Brussel heeft laten meevoeren. Het heeft zelf een geheel eigen opschoningsoperatie op touw gezet in het kader van de interdepartementale aanpak ‘Deregulering, Marktwerking en Wetgevingskwaliteit (MDW), die voor een heel eigen Nederlandse wetgeving heeft gezorgd, waarin de EU-regels werden ingebed. En tenslotte - Haagse ambtenaren zijn er altijd als de kippen bij om daarop te wijzen - maakt Brussel geen wetten. Brussel vaardigt gewoonlijk n ‘richtlijnen’ uit. En die moeten weliswaar binnen een zekere termijn worden overgenomen (Brussel houdt tegenwoordig scoreborden bij om te zien wie dat niet tijdig doet - Portugal, Griekenland en Frankrijk zijn veelvuldig in overtreding) - maar hoe de richtlijnen worden ingevuld mag elke lidstaat zelf bepalen. Of dat gebeurt via een wet, afspraken met de industrie of door er allerlei zaken aan toe te voegen, het mag allemaal. Het laat de EU koud, zolang het maar gebeurt.

Non-discriminatie
Zo’n mogelijkheid aan variaties geeft nationale overheden en parlementen natuurlijk wat speelruimte om ook nog wat eigens te doen en niet alleen aan de hand van Brussel te marcheren. Maar die eigenheden kunnen weer aanleiding geven tot allerlei juridisch gedoe. Mr dr Axel Hagedorn kan erover meepraten. Hij is Duitser en werkt als Rechtsanwalt, en advocaat bij het Nederlands kantoor Van Diepen Van der Kroef, waar hij is gespecialiseerd in een internationale praktijk. Hagedorn citeert gevallen van mensen die in Duitsland hebben gewerkt en naar Nederland willen verhuizen met behoud van een WW-uitkering. Volgens de Europese richtlijnen en non-discriminatiebepalingen zou dat moeten kunnen. In de praktijk echter stuit het meestal op praktische bezwaren die door onwil van autoriteiten moeilijk zijn aan te pakken. Ook mensen die in een warm EU-land van hun pensioen willen gaan genieten kunnen dergelijke problemen ontmoeten.
Volgens Hagedorn is het non-discriminatie beginsel door de vaak grote verscheidenheid van EU-wetten so wie so een punt dat voor veel geharrewar kan zorgen. Hij geeft het voorbeeld van een man die in Londen een vennootschap oprichtte, een zogenoemde Ltd., wat daar vrij simpel is, en de zetel ervan vervolgens naar Kopenhagen wilde verplaatsen. Dat stuitte op bezwaren van de Deense overheid, want onder het Deense vennootschapsrecht zijn de vestigingseisen zwaarder. Het Europese Hof van Justitie stelde de man echter in het gelijk. Wetgeving die in het ene land liberaal is, zou ook in een ander land moeten gelden, anders is van discriminatie sprake, meende het Hof in dit zogenoemde Centros-arrest. Voor ondernemers die werken met werknemers aan twee kanten van de grens is het eveneens zaak het non-discriminatiebeginsel voor ogen te houden, meent Hagedorn. Hij raadt hen aan zich er goed van te vergewissen hoe het recht aan beide kanten van de grens werkt. Welk recht is van toepassing? En bent u er zeker van dat werknemers in het ene land niet benadeeld worden ten opzichte van die in het andere? In dat geval zouden degenen die in het nadeel zijn in een conflictsituatie wel eens een ‘case’ kunnen hebben.
En dan zijn er de gevallen waarin een Europese richtlijn niet helemaal 100% in een nationale wet is terechtgekomen. Hagedon wijst op de Europese regel bij overnames, waarin wordt bepaald dat het personeel in zo'n geval mee gaat naar de nieuwe eigenaar. In de Nederlandse wet staat dat dit geldt voor alle mensen met een arbeidscontract. In de EU-richtlijn daarentegen heet het dat alle mensen met arbeidsovereenkomsten èn alle mensen met een arbeidsbetrekking mee gaan. De EU- richtlijn gaat dus verder, aldus Hagedorn. En hij zou zich kunnen voorstellen dat onder de EU-formulering niet alleen mensen met een vast contract en flexwerkers vallen, maar ook vaste oproepkrachten en zelfs freelancers. Potentieel ligt daar stof voor een rechtszaak, meent hij. Een freelancer die in Nederland bij een overname wordt gedumpt, zou het kunnen proberen. Tot slot kan Hagedon ook nog voorbeelden geven van problemen doordat EU-richtlijnen door verschillende lidstaten net iets anders worden geïnterpreteerd. Zo heeft hij niet lang geleden een zaak aan de hand gehad, waarbij een firma via een bepaalde constructie iets importeerde vanuit de Derde Wereld. In Nederland werd dat een legale constructie gevonden. De Duitse douane zag er echter een ontduiking van de regels in en begon een vervolging, compleet met invallen en inbeslagnames van de boekhouding. Totdat het Duitse openbaar ministerie tot inkeer kwam en na lang beraad besloot om de hele zaak toch maar te seponeren.

Klachtenbureau
Kortom, de uitdijende massa Europese wetgeving geeft - door de onvermijdelijke fouten die bij het opzetten van het bouwwerk worden begaan - de advocatuur en rechterlijke macht het nodige te doen. Een soort aanvullend bewijs hoe reëel de groei van Europa dus blijkbaar is. En niet alleen de advocatuur maakt kennis met slecht op elkaar aansluitende regels. Ook het ministerie van Economische Zaken heeft er mee te maken. Daar fungeert als aanhangsel van de directie Europese Integratie ook een Klachtenbureau, waar ondernemers zich kunnen melden als zij menen niet naar behoren, dat wil zeggen naar huidige Europese normen, te zijn behandeld. Het overgrote merendeel van de klachten heeft betrekking heeft op onnodige rompslomp, administratieve belemmeringen en gechicaneer voordat een product X zijn weg naar de consument kan vinden in land Y. Soms ook worden eisen aan een product gesteld die niet kunnen, omdat wat aan de specificaties voldoet in het ene land volgens het non-discriminatiebeginsel ook acceptabel moet zijn in het andere. Het Klachtenbureau van EZ stelt er een eer in dat via brieven, telefoontjes en desnoods het dreigen met procedures de zaken meestal worden opgelost. In andere lidstaten waar eveneens dergelijke bureaus bestaan, gaat het niet anders.
Het Europa van de praktijk verliest zo al doende langzamerhand wat van zijn scherpere kantjes, maar de Brusselse wetgevende machinerie stoomt intussen door. Op stapel staan, na de laatste top van Nice, onder meer het model van een ‘Europese vennootschap’, het ontwerp voor een ‘ Europees octrooi’ en het begin van een coördinatie van de sociale zekerheid in de aangesloten lidstaten.

zaterdag 18 april 2009

Isam al-Khafaji: 'Alleen een tweekamerparlement kan Irak nog redden'

Uit ZemZem, Jrg. 2006, nr. 2

Na de Amerikaanse invasie keerde hij terug naar Irak om te helpen bij de wederopbouw. Maar na vier maanden nam hij ontslag uit de door de Amerikanen ingestelde Raad voor Wederopbouw en Ontwikkeling (IRDC) wegens de richting die de Amerikaanse bestuurders insloegen. Ook zijn droom - het opzetten van een regionaal research- en trainingscentrum voor de sociale wetenschappen in Bagdad - moest hij opgeven door de onwerkbare situatie. Tijdelijk? Dat hoopt hij. Maar voorlopig is dr Isam al-Khafaji, langjarig politiek vluchteling ten tijde van het Ba'ath-regime, weer docent in den vreemde. Nu nog aan de Universiteit van Amsterdam - straks aan Yale.

Maarten Jan Hijmans
De locatie is een rijtjeshuis in Amstelveen. Het gesprek begint in de keuken, want ik ben uitgenodigd voor de lunch. Turkse koffie uiteraard, maar Libanees brood, Iraakse bastirma, worst, diverse soorten kaas en ingemaakte kleine auberginetjes had ik toch niet verwacht. 'De zwarte markt in Beverwijk,' zegt Khafaji ter verklaring. 'Er wonen nu zoveel Iraki's in Nederland dat je al die dingen daar kunt krijgen. - En mijn vrouw,' voegt hij eraan toe. 'want die houdt ervan zelf dingen in te maken. Het brood is trouwens meegebracht door een vriend die net in Libanon is geweest.'
Het gesprek gaat over eten in het Midden-Oosten, favoriete plaatsen, gemeenschappelijke kennissen en interreligieuze verdraagzaamheid. Khafaji is een niet-praktizerende shi'iet, zijn vrouw een christen. Er wordt nu veel nadruk gelegd op het belang van de verschillen tussen de diverse bevolkingsgroepen, maar, stelt hij, religieuze verschillen speelden in het sociale verkeer in Irak, althans in de steden, nooit een grote rol. Maar bovenal spreken we natuurlijk over de politieke situatie van Irak. Over de droom dat Irak na het verdrijven van Saddam weer de goede kant op zou kunnen gaan en over de angst dat het ook bergafwaarts kan gaan. Over Khafaji's kortstondige poging zich persoonlijk voor de wederopbouw in te zetten, en over de redenen waarom hij dat opgaf..

Ibn Khaldun
'Tja, de IRDC,' zegt hij. 'Wat ging er fout? Twee dingen werkten van het begin af aan tegen de ambities van de Iraki's. Het was niet zozeer de oorlog zelf. Veel Iraki's maakten zich vanaf het begin geen illusies over de redenen waarom de Amerikanen de oorlog waren begonnen. Ze wisten dat het de verkeerde redenen waren. En je kan dan aan de kant gaan zitten en afwachten. Maar in de geschiedenis, in de politiek is het dan soms toch beter in actie komen om een plaats voor jezelf creëren, zelfs als het de meest verkeerde mensen zijn die om hun eigen redenen oorlog voeren. Er is een beroemd precedent. Je hebt ongetwijfeld gehoord van de historicus en socioloog Ibn Khaldun. Ook hij maakte zijn handen vuil. Veel mensen weten niet dat zijn geschriften deels ontstonden toen hij adviseur was van Timur Lenk (Tamerlane).....'
'Wij dachten dat de Amerikanen de Irakezen nodig zouden hebben om mee te werken. En we hoopten dat we dan druk zouden kunnen uitoefenen om de rol van de Iraki's te vergroten. En dan niet alleen voor de expats zoals wijzelf, maar vooral voor de locale Iraki's. Irak heeft namelijk een fantastisch potentieel aan geschoolde bureaucraten en technici die zo ingezet hadden kunnen worden. Had het gekund? Ja, zelfs nu zou dat nog kunnen. Maar wat gebeurde? De Amerikanen wonnen de slag in een record tijd. En dat gaf hen de illusie dat alles net zo gemakkelijk zou gaan. Waarom zouden we dan luisteren naar die anderen, dachten ze. We doen het gewoon zelf.'
'Dat was de eerste reden,. De tweede was de enorme vreugde die volgde op de val van Saddam. Dat was niet omdat de Amerikanen waren gekomen, maar omdat het afgelopen was met Saddam. Maar de Amerikanen trokken er ten onrechte de conclusie uit dat ze gezien werden als bevrijders, dat het net zo was als destijds in Japan of Duitsland, dat ze welkom waren en hun gang konden gaan.
'Nee, het was niet zozeer de kwestie van een richtingenstrijd binnen de Amerikaanse gelederen. Het was niet zo dat Defensie, het Pentagon de kwaden waren en de mensen van Buitenlandse Zaken, het State Department, goed. Sommigen dachten dat. Toen het Pentagon het helemaal fout bleek te hebben gingen ze het State Department idealiseren. Het zouden haviken zijn versus duiven. Dat leek te worden geïllustreerd door de situatie in het voormalige paleis van Saddam waar we allemaal - de Amerikanen en de leden van de IRDC - waren ingekwartierd. Daar leken het inderdaad verschillende stammen, men wenste elkaar niet eens goede morgen. Maar haviken en duiven, zo heb ik ze nooit willen noemen. Er waren geen duiven. Het waren de ideologen van het Pentagon, met hun ideeën over met geweld democratie brengen en het karakter van het Midden-Oosten veranderen, tegenover de realisten van het State Department. Let wel: realisten van hetzelfde type als tijdens de Koude Oorlog in de jaren vijftig. Voor hen lag de nadruk erop dat de olie bleef vloeien en dat vereiste in hun ogen stabiliteit. Die stabiliteit was volgens hen helemaal niet gediend met democratie, en debat en een transparante maatschappij. Integendeel, waarom zou je niet gewoon in zee gaan met autoritaire regimes waarmee makkelijk zaken konden worden gedaan. Het was dezelfde manier van denken als in de jaren tachtig. Toen konden de VS het goed vinden met Saddam tijdens diens oorlog tegen Iran, ondanks het feit dat hij zijn volk onderdrukte en ondanks het feit dat - wat we ook over die oorlog denken - hij degene was die de oorlog was begonnen.'

Plastische chirurgie
'Vertaald naar de scenario's van 2003 betekende dit dat het genoeg was om de harde kern van het regime van Saddam te verwijderen, een soort van plastische chirurgie toe te passen en zoveel mogelijk van het regime overeind te houden onder het motto dat chaos moest worden vermeden. Een iets gematigder dictator, dat vooruitzicht maakte de Iraki's behoorlijk bang. Stel je voor: twee maanden voor de invasie vertelde de latere VS-ambassadeur Zalmay Khalilzad de leiders van de Iraakse oppositie op een bijeenkomst in Istanbul tot hun grote schrik dat het erop aankwam Saddam en zijn naaste medewerkers te vervangen. Niets meer dan dat, niks democratie. En voordat Bremer naar Irak kwam was er een maand dat James Garner de leiding had over Irak. De meeste leden van zijn staf waren State Department-mensen en zij probeerden Ba´athisten naar voren te schuiven als nieuwe ministers. Toen dat op het ministerie van gezondheid dreigde te gebeuren, brak er een staking uit van de artsen van dat ministerie. Echt, ik kan je honderden van dit soort verhalen vertellen.´
´Aan de andere kant, waren er de Pentagon-mensen met McArthur-achtige dromen van social engeneering, sommigen van hen hadden werkelijk ideeën als McArthur over hoe je het terrorisme tot zwijgen moet brengen. Maar de Irakezen waren niet alleen de slachtoffers in dit verhaal. Ze dragen heel wat verantwoordelijkheid door de illusies te helpen voeden. Het State Department sloot een fractie in zijn armen die riep om een militaire staatsgreep, de groep van Ayad Allawi, ex-Ba'ath mensen, volgens wie Saddam de bad guy was wiens plaats zij alleen maar hoefden in te nemen. En het Pentagon, en Dick Cheney, omarmden Ahmed Chalabi die hen deed geloven dat het Iraakse volk hem zou ontvangen met rozen en chocola en die aandrong op het ontmantelen van het totale Iraakse staatsapparaat. Ik was getuige van die botsende inzichten. En intussen was het duidelijk dat Irak, wie er na de val van Saddam dan ook aan de macht was gekomen, al waren het bolsjewieken of monarchisten geweest, nooit sterke banden met het Westen en de VS zou hebben gekregen. Het maakt tenslotte deel uit van de regio en heeft zijn eigen belangen en verhoudingen ten opzichte van de buurlanden. Amerika had er daarom goed aan gedaan om Irak niet als een soort cliënt te beschouwen, maar om rode lijnen te trekken die een Irak-na-Saddam niet zou mogen overschrijden. Bijvoorbeeld: geen massavernietigingwapens, geen oorlogen tegen nabuurlanden, geen onderdrukking van de eigen bevolking en verder is het jullie eigen zaak. Op die manier zouden de VS zich een ware vriend van Irak hebben kunnen tonen, en niet een natie die het wilde overheersen.´

Leger
´´Die ene maand Garner, die was zo arrogant, die luisterde naar niemand, laat staan naar Irakezen. Daarna kwam 'onderkoning' Bremer III met zijn sweeping agenda, die het leger ontbond en de grenzen openliet (en wat verwacht je dat Iran, Syrië of Saoedi-Arabië dan zullen doen als je democratie wilt invoeren....). Die strategie was zodanig dat het zaad van een burgeroorlog werd geplant in Irak. Stel je voor, dit land waar de Ba'athpartij oppermachtig was geweest. Saddam had vervaarlijke, zwaar getrainde militia´s, zoals de fedayeen onder het commando van zijn zoon Udai. Vijfendertig jaar was het land systematisch door de partij onder de duim gehouden, het was een soort van nazi-regime. Dan kan je niet zeggen dat de militairen de kwade factor waren. Wat had moeten gebeuren was dat het hele regime was gedelegitimeerd in de ogen van de eigen bevolking. Mensen die 35 jaar lang niets dan propaganda hadden gezien en gehoord, had je moeten vertellen dat het hele verhaal over een groot Irak en dat soort dingen gewoon bullshit waren. Maar stel je voor: 400.000 man militairen de laan uit. Als je hun families erbij optelt, komt dat erop neer dat twee miljoen mensen zonder inkomen kwamen te zitten. En dat in een land waar de werkloosheid toch al heel hoog was. Het leger en de politie waren corrupt, dat is zeker, maar ze hadden een diepe haat voor Saddam, zelfs de officieren. En nu? Kijk naar de gebieden waar het verzet het hevigst is, naar de zogenoemde ´Driehoek des doods´. Dat is geen soennitisch gebied. Op de kaart zie je dat het een gebied is waar volop militaire industrie was: 60.000 mensen waren daar afhankelijk van het militair industriële complex. De Amerikanen, ze hadden een plan om een regime omver te werpen, maar werkelijk zonder enige alternatieve strategie.´

´Ik kan me mijn eerste memo nog herinneren. Dat ging over Iraks cementfabrieken, 13 stuks. Ik wilde ze weer operationeel maken. Ze hadden het goed gedaan, zelfs voor de export gewerkt. De IRDC was geen politiek orgaan, wij zouden ons richten op het administratieve systeem, politiek en administratie zijn gescheiden dingen. En het was waar dat Saddam het bestuur gepolitiseerd had op zijn Oosteuropees. Maar hoe corrupt ook, Irak had al sinds de jaren dertig een centrale bank, er ressorteerden honderden ziekenhuizen onder het ministerie van gezondheid, en het ministerie van Onderwijs ging over 13 universiteiten. Het idee was: breng mensen bij elkaar, diverse soorten experts, tenminste vier in alle provincies, uitgezonderd die in Koerdistan. Laat ze een team vormen dat de zaken op provinciaal en ministerieel niveau administratief weer tot leven brengt. Naar politieke kleur zou niet moeten worden gekeken, het zouden patriotten moeten zijn en hun functie zou tijdelijk zijn, totdat 70, 80% van het bestuur weer op orde zou zijn.'
'Bremer heeft niet eens willen luisteren naar dat plan. Ik heb ontslag genomen in juli, dat was pas na vier maanden. Ik heb nog even gewacht, want ik hoopte aanvankelijk dat we collectief ontslag zouden nemen, en daarmee een daad zouden kunnen stellen. Dat is niet gelukt. Blijkbaar is het voor veel mensen moeilijk om afscheid te nemen van een salaris van $ 17.000 per maand ook al werkte het helemaal niet. Wat zij wilden was dat we spionneerden, dat we de ministeries politiek gesproken 'opschoonden'. Wat wij wilden was nieuw leven inblazen in het systeem.'

Faluja
'De Amerikaanse aanval op Faluja in 2004 was inderdaad een soort waterscheiding, ja. Je moet weten dat de provicie Anbar, waar Faluja toe behoort, tot de kalmste provincies behoorde tijdens de invasie van 2003. Er werd geen schot gelost. Ik heb later de brigade-generaal gesproken die toen het commando had over de Iraakse strijdkrachten in Anbar en gevraagd hoe dat zat. Hij zei toen: 'We waren overtuigd van de zinloosheid van het geheel.' Ten tweede moet je weten dat de mensen in Anbar nog niet waren vergeten dat Saddam in 1995 de stad Ramadi had laten bombarderen na een soort mini-opstand. Dus om te zeggen dat de provincie pro-Saddam was, was een verdraaiing van de feiten. Maar toen nam de Amerikaanse militaire gouverneur in Anbar de zoon van de leider van de grootste stam die pro-Saddam was geweest in de provincie, de Dulaimi, tot assistent. En hierbij moet je je realiseren dat lang niet alles in Bagdad werd beslist. De militaire gouverneurs hadden een grote ruimte voor het nemen van eigen beslissingen. Soms gedroegen ze zich als echte warlords. Er was bijvoorbeeld de uitspraak van de driesterren-generaal McKiernan: ''Wie zijn die civilian shits die beslissingen nemen in Bagdad.''
'De benoeming van deze Dulaimi betekende dat op allerlei posten weer oude bekenden uit de Saddam tijd werden benoemd. Ik heb in mijn huis in Bagdad een keer een bezoek gehad van een delegatie van de 210 advocaten uit Anbar die Bremer wilden spreken omdat ze verkiezingen wilden om van die Duliami's af te komen. Die maakten hun het werken onmogelijk, zeiden ze.'
'Vervolgens werden er vier Amerikaanse aannemers ontvoerd en onthoofd teruggevonden. In het Zuiden gebeurde een keer iets soortgelijks: daar werden zes Britse soldaten gedood. De Britten opende een onderzoek en het eind was dat er publiekelijk en in de moskeeën afstand werd genomen van die daad. Maar de Amerikaanse reactie was: ''We moeten ze een lesje leren'' en ''Het is beter dat ze bang voor ons zijn dan dat ze van ons houden''. Hun all out aanval op Faluja was het begin van openlijke diepgaande vijandigheid in de provincie. Er kwamen verhalen in omloop als ''De Amerikanen hebben speciale kijkers waarmee ze jullie vrouwen naakt kunnen zien''. In Bagdad, waar je voorheen als je je veilig wilde voelen, moest zorgen in de buurt van de Amerikanen te blijven, was het nu ineens zaak om voor je veiligheid zo ver mogelijk van ze vandaan te gaan. Het had een sneeuwbal-effect. De Irakezen begonnen de vragen te stellen als hoe het toch mogelijk was dat de VS niet konden zorgen dat er weer elektriciteit was, terwijl black-outs toch al sinds de jaren zestig haast niet meer waren voorgekomen. De Amerikanen werden nerveus, begonnen wild om zich heen te schieten en lieten hun tanks auto's platwalsen ongeacht of de inzittenden er nog in zaten of niet. Ze begonnen elke Iraki als een potentiële terrorist te zien. De Irakezen kregen het gevoel dat ze onder een bezetting leefden.'


'Maar een volledige opstand is het nog niet. Ik zei eerder: er zijn 400.000 man van het leger ontslagen en de Fedayeen en de Republikeinse Garde komen daar nog bij. Als dat nu allemaal sluipschutters zouden zijn geworden, dan was het dodental niet zoals nu een paar per dag. Irak is geen Afghanistan, het is trouwens ook veel meer een stedelijke jungle; 12 miljoen mensen wonen in de vijf grootste steden, oftewel 73%. Maar als het een volledige opstand zou worden? Dan zou het erger worden dan Vietnam.´
´Ah corruptie. Ik heb dat goed gevolgd via Iraq Revenue Watch (een instituut dat Khafaji met steun van de Open Society Institute van George Sörös opzette, mjh). Revenue Watch draait nu helaas op een lager niveau, maar we hebben een aantal goed rapporten uitgegeven, denk ik. Wat ik kan zeggen is dit: ik ken geen enkele Iraakse aannemer die ooit via een open tender een contract heeft gekregen. En geloof me, ik kan het weten, mijn broer zit in die wereld. De gang van zaken is zo: contracten worden gegund aan iemand in de VS, die een internationale agent inhuurt voor de uitvoering, die weer iemand in Jordanië chartert en zo verder, totdat uiteindelijk een plaatselijke Iraakse aannemer aan het werk gaat - voor 20% van de oorspronkelijke prijs. Het lijkt veel, een bedrag als $ 20 miljard dat de Amerikanen in 2004 voor de wederopbouw hadden bestemd. Maar uit onze rapporten bleek dat slechts één zesde deel van het oorspronkelijke bedrag ook werkelijk de plaats van bestemming bereikte. En dan waren er nog steeds vragen over de doelmatigheid. Om een voorbeeld te noemen dat ik zelf heb gezien: Bremer voerde in zijn rapporten over wat er allemaal verricht zou zijn, onder meer een school op die was herbouwd. Terwijl ik heb geconstateerd dat het gebouw licht beschadigd was en alleen de ramen moesten worden vervangen.´

Quota
Juan Cole, de Amerikaanse hoogleraar, zei onlangs in een interview met ZemZem dat het in Irak ofwel totale chaos wordt, ofwel dat de kant opgaat van een Libanees model, waarbij in de verdeling van de macht vaste verhoudingen voor soenni´s, shiieten en Koerden worden gehanteerd. Bent u het daarmee eens? Of staat u nog achter uw mening van een paar maanden geleden dat de scheidslijnen tussen soenni en shia niet zo scherp zijn als het soms lijkt?
´Ik heb groot respect voor Cole, maar hier ben ik het niet mee eens. Een Libanese oplossing is niet zonder meer de enige mogelijkheid, ook al moet ik zeggen dat hoe langer deze situatie duurt, hoe moeilijker het wordt. Maar één ding is eigenlijk van meet af aan wèl duidelijk. Dat is dat Koerdistan - hoewel Iraakse politici zich dat kennelijk niet wensen te realiseren - bezig is een ander land te worden. Het wordt al sinds 1999 volledig autonoom bestuurd en er is intussen een nieuwe generatie opgekomen die geen Arabisch meer kent en nog nooit in Bagdad is geweest. Dat staat in schril contrast met de generatie van Jalal (Talabani) en Massoud (Barzani). Zij hebben nog in Bagdad op school gezeten. In die tijd moesten Koerden ook naar Bagdad als ze naar een ziekenhuis moesten of een paspoort nodig hadden. Maar voor de nieuwe generatie is Bagdad onbekend terrein. Zij zijn bovendien vrienden van de VS die garant stonden voor hun vrijheid. Dit zijn gewoon feiten, we kunnen er beter maar rekening mee houden. Veel Arabische politici putten hoop uit de regionale situatie, dat Iran en Turkije geen onafhankelijk Koerdistan zullen gedogen. Maar dat is een ongezond standpunt. Ze voelen dat de Koerden zich niet langer gebonden voelen aan Irak. Maar in plaats van bruggen te bouwen, hopen ze dat Turkije zal voorkomen dat ze zich losmaken.'
'Wat de tegenstelling shia -sunni betreft: de bitterheid is begrijpelijk, maar dit is nieuw. Nog maar een paar maanden geleden bestond dit niet. Het is heel griezelig. (We spreken na het opblazen van de beroemde gouden koepel van de Askari-moskee in Samarra die tot een sterke stijging van het aantal aanslagen op specifiek shi'itische of sunnitische doelen heeft geleid. Khafaji merkt op dat weinig mensen zich lijken te hebben gerealiseerd hoeveel technische kennis en voorbereiding er bij komt kijken om zo'n tonnen wegende koepel er in één keer af te blazen, kortom wat voor graad van organisatie erachter deze aanslag heeft gezeten.)
'Maar ik denk dat Irak nog kan worden gered,'zegt hij. 'Het hoeft niet zoiets te worden als Zwitserland met verschillend kantons. Wat we nodig hebben is een parlementair systeem met twee kamers zoals in de VS, een sterke Senaat die de ''Tweede Kamer'' in het gareel houdt. Net als in de VS zou die Tweede Kamer een proportionele vertegenwoordiging moeten hebben, terwijl in de Senaat het aantal afgevaardigden per provincie overal hetzelfde is, of het nu Californië of Ohio is, altijd twee senatoren per staat. Als wij hetzelfde zouden hebben, zou ons dat kunnen redden van een quota-systeem. Op die manier zou het sunnitische Anbar dan net zo vertegenwoordigd zijn als het veel meer inwoners tellende Bagdad. Tegelijkertijd zou er een onderverdeling moeten zijn voor zetels voor de christenen en de Turkmenen. Ook zou de sunnitische enclave in het zuiden van Basra een zetel moeten krijgen. Het is dé manier om de meerderheid een beetje in toom te houden. Democratie is tenslotte niet alleen de stem van de meerderheid, het is ook het recht van minderheden om net zo goed hun stem te laten horen.'
'De internationale gemeenschap zou haar invloed kunnen gebruiken om druk uit te oefenen op de Iraakse regering om naar zo'n oplossing te streven, zij zou haar militaire en economische hulp afhankelijk kunnen maken van de vraag of in deze richting wordt gewerkt. De situatie is slecht, heel slecht, maar nog niet hopeloos al lijkt het er wel op dat het ieder moment die kant op zou kunnen gaan.'

Maarten Jan Hijmans is redacteur van ZemZem.

Vertoon eensgezindheid Iraakse oppositie tegen achtergrond van naderende inval VS

Uit: Soera, nummer 3 + 4 - 2002

Tegen de achtergrond van de Amerikaanse voorbereidingen voor een aanval op Bagdad, kwamen in december 2002 Iraakse oppositiegroepen in Londen samen. Ze beraadden zich op een toekomst na Saddam. Het was de eerste keer in tien jaar dat het was gelukt zo'n breed oppositiefront bijeen te krijgen, al bleven de pro-Syrische Da'awa-partij en de communisten weg. Aan het feit dat de andere zes partijen er wel waren, ging behoorlijk veel koehandel vooraf en ook flinke druk van de VS.

Door Maarten Jan Hijmans

het was vooral een theaterstuk en het werd midden december opgevoerd nadat het eerder tweemaal, in oktober en november, was uitgesteld. Het decor was een Londens hotel met voldoende accomodatie om zo'n 400 deelnemers en nog eens twee- a driehonderd journalisten te bergen. Omdat het zo'n gigantisch complex was, liepen de zaken nog wel eens wat door elkaar. Zo ontstond op een avond een tamelijk komische mix, toen een groepje in abaja en tulband gehulde shi'itische geestelijken van SCIRI bij het afdalen van de trap verzeild raakte tussen een aantal Britse jongedames in blote uitgaanskledij. Ze waren afkomstig van een zo te zien nogal zwoele bedrijfsfuif die een verdieping lager werd gehouden.
Deelnemers in Londen waren de zes belangrijkste Iraakse oppositiegroepingen. Om te beginnen de twee grootste Koerdische groepen die de scepter zwaaien in het autonome Koerdistan: de Koerdische Democratische Partij (KDP) van Massoud Barzani en de Patriottische Unie Koerdistan
(PUK) van Jalal Talabani. Vervolgens de in Teheran zetelende shi'itische Hoogste Raad van het Islamitische Verzet in Irak (SCIRI) van ayatollah Mohammed Baqr al-Hakim, en het voornamelijk uit overgelopen veiligheidsmensen, Ba'ath-aanhangers en militairen bestaande Iraakse Nationale Akkoord (INA). En tenslotte het Iraakse Nationale Congres (INC) van de bankier Ahmed Chalabi en de royalistische beweging onder leiding van Sharif Ali bin Hussein, een neef van de in 1958 vermoorde koning van Irak. Daarnaast was er een groot aantal onafhankelijken en vertegenwoordigers van ethnische minderheidsgroepen als de Assyriërs en de Turkmenen.

Strategie
Het doel van de bijeenkomst was het smeden van een gezamenlijke strategie voor het Irak van na Saddam Hussein. Maar na dagen van plenaire speeches en bijeenkomsten achter gesloten deuren, bleef het intrigerend genoeg de vraag of dat was gelukt. Op het eerste gezicht leek het daar wel een beetje op. Zo was iedereen het erover eens dat het tyrannieke Ba'ath-bewind diende te verdwijnen en leek niemand er moeite mee te hebben dat dit straks zou gaan gebeuren door ingrijpen van de Amerikanen. 'Zelf kunnen we het niet, dus wat willen we dan nog,' zei minister Qazzaz van Ontwikkelingssamenwerking van de autonome Koerdische regering in Arbil me desgevraagd in de wandelgangen.
Ook het karakter van het toekomstige Irak leek geen probleem: unaniem was iedereen het erover eens dat het een federatieve, democratische en pluralistische staat moest worden, waarin iedereen gelijke rechten zou krijgen ongeacht etnische afkomst of geloof (al moet hierbij worden aangetekend dat de enigen die echt belang hebben bij federalisme de Koerden zijn, en dat het niet voor het eerst zou zijn dat dat toezeggingen op dat punt naderhand weinig waard bleken te zijn).
Vervolgens was er volledige overeenstemming over dat er na de val van het regime een overgangsperiode zou moeten komen om de terugkeer anar een genormaliseerd Irak mogelijk te maken. En tenslotte stond voor de deelnemers als het ware vast dat niet meteen in Londen een regering in ballingschap moest worden gevormd.
Goran Talabani, een Londense arts en neef van de Koerdische leider Jalal Talabani (maar zelf een aanhanger van het INC) vatte het tijdens een kort gesprekje dat we hadden in de vestiaire wat cynisch als volgt samen: 'Voor de Amerikanen was deze conferentie een groot succes. Ze wilden een steunbetuiging van de Iraakse oppositie aan hun plannen om met geweld een einde te maken aan het regime in Bagdad. In de tweede plaats wilden ze een vertoon van eensgezindheid. En ten derde wilden zo voorkomen dat er in Londen een regering in ballingschap zou worden gevormd. Dat is allemaal gelukt.'
Het was de wat zure visie van een man die zelf heel wat anders had gewild. Als het aan hem had gelegen was 'Londen' vooral een gelegenheid geworden waar de 'oude partijen' zich hadden beziggehouden met de vraag hoe het in practische zin verder moet met Irak als het regime straks is verjaagd. De Londense Talabani had graag gezien dat erover gesproken was hoe het huidige Irak – waar overheid, politie, rechterlijke macht, ambtenarij en wat al niet allemaal in handen waren van de Ba'ath – in een later stadium zou kunnen worden getransformeerd in een land waar vrijheid van meningsuiting, een vrije pers, een civil society en fatsoenlijk bestuur weer een kans zouden krijgen.
Een door het Amerikaanse State Department gesponsorde werkgroep onder leiding van de schrijver en hoogleraar Kanan Makiya had daar op de conferentie een dik, doorwrocht en in details uitgewerkt rapport over gepresenteerd, maar dat werd helemaal niet behandeld. Volgens Talabani omdat de 'oude partijen' qua structuur en mentaliteit niet erg zouden verschillen van de Ba'ath en omdat ze – meer dan wat anders – vooral begaan waren met machtspolitiek en het verkrijgen van een goede uitgangspositie in het 'Irak van de toekomst'.

Slechte naam
Makiya zelf sloot zich bij deze mening aan. Ook hij was zeer teleurgesteld. 'Om te beginnen is het zeer de vraag hoeveel aan hang die partijen eigenlijk nog hebben in Irak na zoveel jaar ballingschap,' zei hij in een gesprek dat ik met hem had in de koffiebar. 'Ook vraag je je af in hoeverre ze zich ervan bewust zijn dat partijpolitiek als sinds de coup van 1958, toen de koning werd verjaagd, een slechte naam heeft in Irak. Het stond toen gelijk aan straatgevechten, controleposten en willekeur, en dat is iets wat er in al die jaren van Ba'ath-terreur niet beter op is geworden. Dit rapport was een poging om een stap te zetten naar een nieuwe benadering. Misschien wel een stap naar een doorbraak van de algehele stagnatie op het gebied van democratie in het Midden-Oosten. Maar de partijen lijken niet bereid en in staat te zijn om verder te kijken dan hun bestaande belangen en huidige politieke cultuur.'
Dat de partijen daar inderdaad niet toe bereid waren bleek aan het slot van de conferentie, toen het erop aankwam een coördinatie-comité samen te stellen dat het hoogste orgaan van de verenigde oppositie moest worden en bij een volgende bijeenkomst uit zijn midden een overgangs-leiderschap zou moeten kiezen. De verdeling van het aantal afgevaardigden leidde tot scherpe tegenstellingen die pas na verlenging van de conferentie met een dag en na herhaald ingrijpen van de vlak voor de conferentie door het Witte Huis benoemde coördinator van het Irak-beleid, Zalmay Khalilzad, konden worden opgelost.
Uiteindelijk werd een lichaam van 65 mensen benoemd, waarin de shi'itische SCIRI een duidelijk meerderheidspositie kreeg: 24 van de 65 zetels. De Koerdische partijen kregen samen 15 zetels, INA, de Monarchisten en het INC samen eveneens 15. Turkmenen en Assyriërs kregen er respectievelijke vier een twee, vijf zetels werden in onderling overleg verdeeld, terwijl onafhankelijken een plaats kregen doordat alle partijen een paar plaatsen voor hen inruimden. En dat met deze koehandel de zaken lang niet waren opgeklost, bleek toen een voor 15 januari in Arbil (Koerdistan) geplande follow-up bijeenkomst tot twee keer toe moest worden uitgesteld.

Khalilzad met Barzani (r)

Geloofwaardig
Maar de verhoudingen binnen de Iraakse oppositie liggen dan ook moeilijk. De belangen gaan vaak tegen elkaar in. Van partijen als het INA, het INC of de royalisten is nauwelijks duidelijk hoeveel mensen en macht ze eigenlijk vertegenwoordigen. Groepen die wèl kunnen bogen op militaire en civiele macht zijn eigenlijk alleen de twee Koerdische groepen en het SCIRI van ayatollah Al-Hakim. De Koerden vormen al sinds 1992 de regering in Noord-Irak en hebben ieder een leger van zo'n 25.000 man. Het SCIRI heeft eveneens een legertje (de Badr brigade, zo'n 8000 man ) en claimt de vertegenwoordiger te zijn van 200- tot 300.000 vluchtelingen in kampen in Iran. Maar bij het SCIRI moet wel worden aangetteeknd dat de organisatie zowel op politiek als militar gebied tot op grote hoogte wordt gecontroleerd door Iran.
Beide groepen hebben echter wat het uitoefenen van de macht in Irak betreft een probleem: en dat is dat sinds de moderne staat Irak in 1921 werd gevormd, het bestuur traditioneel werd uitgeoefend vanuit de centrale provincie Bagdad, waar soennitische elites de dienst uitmaken. Dientengevolg was het ondenkbaar dat Koerden of shi'ieten zouden worden ingezet om Bagdad te bevrijden, laat staan de staat te gaan leiden. Een geloofwaardige post-Saddam-regering zou alleen uit een coalitie kunnen bestaan met andere groepen, ook al was nauwelijks duidleijk welke macht die vertegenwoordigden. De Amerikaanswe gehieme dienst CIA en een 'realistische fractie' rond minister Colin Powell en de Amerikaanse legerstaf had daarbij een voorkeur voor de overlopers van het INA. Zij redeneerden dat het dankzij contacten van de INA-leiders in de leidende echelons van de Iraakse maatschappij mogelijk zou moeten zijn om een machtsovername in Irak te ensceneren (ook al was een eerdere couppoging in 1996 afgestraft met een golf van executies in Irak). Met de twee Koerdische organisaties en SCIRI samen vormde het INA een coalitie die bekend stond als 'de grote vier'. In de zomer van 2002 lieten deze vier de VS weten dat zij gezamenlijk een conferentie wilden en van plan waren een Iraakse regering in ballingschap op te richten.
Dit plan stuitte in Washington op verzet van een 'meer ideologische' regeringsfractie (bestaande uit onder meer vice-president Dick Cheney en onderminister van Defensie Wolfowitz) die vond dat Irak na de machtswissleinge en democratiseringeproces moest ondergaan een een 'voorbeeld'voor het hele Midden-Oosten moest worden. De ideologen hadden hun eigen favoriet en dat was het INC en zijn leider, Chalabi. Dit INC was aanvankelijk niets anders geweest dan een soort overkoepelende administratie van het Iraakse oppositie-parlement dat tien jaar eerder - in 1992 - tijdens de vorige brede bijeenkomst van van de Iraakse oppositie in Iraaks Koerdistan bijeen was gekomen. Na het uiteenvallen van dit parlement was het INC echter een eigen politiek leven begonnen.
Druk uit het ideologische kamp, en ook het feit dat in Washington nog geen duidelijke consensus bestond over wat er in Irak moest gebeuren, leidde ertoe dat op 9 augustuis niet vier maar zes partijen (de grote vier + het INC en de royalisten) naar Washington werden ontboden om met hoge regeringsfunctionarissen te overleggen over de organisatie van een conferentie. Een conferentie waar nog geen beslissing zou moeten worden genomen over een regering in ballingschap, maar juist meerdere opties open gehouden moesten worden. Er was in Washington immers nog geen beslissing genomen of Saddam ten val gebracht kon worden via een coup, of dat militaire actie en een langdurige bezetting van Irak nodig zou zijn, waarbij naar het voorbeeld van Duitsoland of Japan na de Tweede Wereldoorlog het land geleidelijk op een terugkeer bnaar de democratie zou worden voorbereid.

Deal
De conferentie in Londen droef de sporen van de onzekerheid over de Amerikaanse bedoelingen. INC-leider Chalabi begon, zodra het INC terug was op de kaart, met succes te lobbyen voor een zo groot mogelijk aantal genodigden (onder wie veel onafhankelijken en ook etnische minderheden als Assyriërs en Turkmenen) er terecht van uitgaande dat dit de positie van het INC zou verstreken. Zijn aanpak kreeg op 19 november steun via en brief van het Wuitte Huis, waarin functionarissen van beide Amerikaanse regeringskampen zich uitspraken voor een 'brede' opzet van de conferentie. De benoeming – op het allerlaatste moment - van Khalilzad als coördinator van de conferentie, werd ook gedaan met de kennelijk bedoeling dat hij ervoor zou zorgen zoveel mogelijk opties open te houden.
En vervolgens begon de koehandel. Enkele dagen voor de conferentie van Londen nodigde SCIRI – met kennelijk instemming van Iran - Chalabi uit oor een bezoek aan Teheran. SCIRI-leider Al -Hakim sprak zich bij die gelegenheid uit voor een volledige rol van het INC op de conferentie, in ruil voor een toezegging van Chalabi dat het INC zou helpen te zorgen dat het SCIRI een belangrijke vertegenwoordiging zou krijgen in eventueel te benoemen lichamen of comités. Een soortgelijke deal werd gesloten met de Koerdische leider Barzani, in ruil voor steun van SCIRI (en Iran) voor Barzani in zij n moeizame positie ten opzichte van Turkije.
Niet onlogisch, dit wheelen en dealen. En het ziet er naar uit dat het nog wel even door zal gaan, zolang de plannen van de VS in vaagheid gehuld blijven.

vrijdag 17 april 2009

Terugtrekking uit Zuid-Libanon wordt Israels 'Saigon'

Column in het NIW, mei 2000

door Maarten Jan Hijmans
‘Ik ken geen enkele unilaterale terugtocht die triomfantelijk is verlopen,’ verklaarde de Israelische minister van buitenlandse zaken David Levy vorige week. Een wrang understatement voor de kolossale bende waarin Israels aftocht uit Libanon was ontaard. Vijf weken voor de zelf gestelde deadline gingen de laatste mannen van Tsahal de grens over. Weliswaar zonder dat iemand van hen werd gedood of gewond. Maar het was een vertrek met de staart tussen de benen, een vlucht bijna. Beter had niet kunnen worden gedemonstreerd dat Israel na op zijn minst drie invasies, en 22 jaar van bezetting en pogingen (Zuid) Libanon naar zijn hand te zette, weer helemaal terug is bij af.
Dat de terugtrekking zich eerder zou voltrekken dan de deadline van 7 juli, was overigens gepland. Vooruitlopend erop was ook een belangrijk deel van de troepen daarom al eerder teruggehaald. Er resteerden nog enkele honderden manschappen. De bedoeling was dat hun terugtocht zou worden gedekt door het door Israel bewapende en op de been gehouden ‘Zuidlibanese Leger’ (SLA) van generaal Antoine Lahad, en wel zo dat eenheden van de VN-vredesmacht Unifil hun posities zouden kunnen overnemen. In de tussentijd hadden genietroepen dan de kans aan Israels kant van de grens nieuwe verdedigingswerken aan te leggen. Het aanvankelijke plan was geweest om aan de Libanese kant van de grens nog enkele fortificaties aan te houden. Maar premier Barak had ter elfder ure besloten dat het toch een volledige terugtrekking zou worden tot de internationale grens van 1923, teneinde Hezbollah zomin mogelijk redenen te geven om aan te vallen en om een maximale medewerking te krijgen van de VN in New York.
Waar de Israelische militaire planners echter geen rekening mee hadden gehouden, was dat het huurlingenlegertje van Lahad, waarvan Israel nog tot voor zo kort altijd ‘het ijzeren moreel’ had geprezen, als gevolg van het vertrek van hun beschermheren als een kaartenhuis in elkaar zou vallen. Een betoging van shiïtische burgers die op 21 mei opmarcheerden naar Qantara, een dorp aan de rand van de ‘veiligheidszone’, was genoeg. Een shia-eenheid van het SLA, die geacht werd de betogers tegen te houden, liet zijn wapen zakken en gaf zich over aan de autoriteiten. De betogers liepen daarop door en bevrijden op dezelfde manier nog een zevental andere dorpen. Daarmee werd de ''veiligheidszone'' vrijwel in tweeën gedeeld. Tevergeefs probeerden Israelische eenheden het tij te keren door het SLA zich te laten hergroeperen en het vuur te openen op mensen die te dichtbij kwamen. Een zevental mensen vond bij deze operaties nog de dood. Er was echter geen houden aan. In drie dagen gaf meer dan de helft van de ongeveer 2600 SLA-strijders zich over.
Vervolgens was er geen andere keus dan een overhaast vertrek. En dat ging zo haastig dat de luchtmacht enkele malen in actie moest komen om tanks, pantserwagens en ander zwaar materieel dat niet meegenomen kon worden, te bombarderen. Niettemin viel een deel ervan, evenals nagenoeg al het materieel van het SLA, in handen van Hezbollah, dat zijn finest hour beleefde. De Hezbollah-mannen trokken zegevierend binnen, werden als bevrijders begroet en - zo moet gezegd - gedroegen zich ook als ware bevrijders. Enkele christelijke dorpen, waar over de jaren hevig met de Israeli’s was gecollaboreerd, kregen bezoek van getulbande geestelijken die de dorpelingen op hun gemak trachtten te stellen. SLA-leden die zich overgaven, werd een eerlijk proces beloofd en de Hezbollahi waren de enigen die wat orde trachtten te bewaren in de chaos. Onder meer door het verkeer te regelen van de stroom ex-inwoners, die eindelijk naar hun dorpen konden terugkeren, als voorhoede van de tienduizenden die in de loop der jaren van bezetting en terreur waren gevlucht naar de slums van Beiroet of naar de Beka’a, waar zij de Hezbollah-gelederen hadden versterkt.
He was een bevrijdingsfeest. Mensen die elkaar na jaren weer ontmoetten, jongeren die opgewonden rondreden in achtergelaten auto’s, het standbeeld van majoor Saad Haddad, de oprichter van het SLA, dat in Marjayoun werd neergehaald, het monument voor gevallen SLA-leden in Bint Jebeil, nog maar enkele maanden geleden in tegenwoordigheid van hoge Israelische officieren ingewijd, dat werd opgeblazen. Ex-gevangenen die hun familie rondleidden door de cellen in Khiam waar sommigen van hen langer dan 15 jaar hadden gezeten. En onderwijl raakten de grensposten Rosh Hanikra en Metulla verstopt door een stroom van enkele duizenden vluchtelingen. Israel had toegezegd de ‘harde kern’ van het SLA (de veelal christelijke officieren, de rest bestond overwegend uit geronselde shiïeten) en hun families te zullen opnemen. Maar de toeloop was veel groter dan gedacht. Het duurde dagen voordat er opvang was geregeld.
Premier Barak kan er zich nu op beroemen dat hij met de terugtrekking tenminste één van zijn verkiezingsbeloften heeft vervuld. De manier waarop moet hem echter niet vrolijk hebben gestemd. Het was een afgang die nagenoeg gelijkstond met een militaire nederlaag. Zoiets komt hard aan in een land dat zijn militaire superioriteit boven alles stelt. Commentatoren maakten veelvuldig de vergelijking met de vernederende wijze waarop de Amerikanen destijds halsoverkop hun hielen moesten lichtten uit het Vietnamese Saigon. En natuurlijk was er kritiek van politici. De onvermijdelijke Sharon, architect van de invasie van 1982, die sprak van een ‘schandelijke operatie’ en van ‘het verraden’ van het SLA. Rabbijn Chaim Druckman die het achterlaten van zwaar materieel kritiseerde. En Shlomo Benizri, de minister van gezondheid van Shas, die vroeg om een commissie van onderzoek.
Maar misschien belangrijker dan al het andere is nu de vraag: en nu? Want de ‘situatie op het terrein’ is natuurlijk allesbehalve geregeld. Israel gaf het gebied op, met het ironische gevolg dat uitgerekend zijn grootste vijand, Hezbollah, de grote overwinnaar werd. Hezbollah, dat opkwam als een reactie op de invasie van 1982 en de te softe geachte aanpak van de ‘oudere’ shiïtische Amal-beweging, die meerdere malen - tevergeefs - heeft geprobeerd met Israel een modus vivendi uit te werken. Hezbollah, dat heeft laten zien dat gewapend verzet tegen het machtige Israel soms toch loont.
Dit Hezbollah heeft misschien geen territoriale claims meer na het Israelische vertrek, maar zijn geestelijk leider Hassan Nasrallah heeft inmiddels gezegd dat de strijdbijl niet begraven is zolang nog steeds Libanese gevangenen in Israelische gevangenissen zuchten. En het is de Hezbollah-strijders nu wel heel makkelijk gemaakt. In sommige gevallen hoeven zij niet veel meer te doen dan het gooien van een handgranaat van een heuveltop om een kibboetz in Israel te treffen. In theorie zou Unifil(dat door Israel ook bij de demarcatie van de grens van ‘23 werd ingeschakeld) op het voorkomen van incidenten kunnen toezien. Maar toen Israels aftocht plaatsvond, had VN-afgezant Terje Larsen een aantal gespreksronden over uitbreiding van Unifil nog nauwelijks afgerond. De rapportage aan New York en het debat over uitbreiding van het Unifil-mandaat moeten nog beginnen. De uitkomst ervan is moeilijk te voorspellen. De animo voor het leveren van troepen voor de ondankbare Unifil-waakhondfunctie is niet groot. Twee landen (Ierland en Finland) hebben zelfs laten weten dat zij hun troepen juist nu willen terughalen.
Van cruciaal belang is natuurlijk de houding van Syrië. Dit land heeft Hezbollah jarenlang gezien als één van de kaarten in het spel om de teruggave van de Golan. En weliswaar heeft Syrië, op een bijeenkomst van de Syrische, Saoedische en Egyptische ministers van buitenlandse zaken in Palmyra de Israelische terugtrekking een stap voorwaarts genoemd en ingestemd met een grotere Unifil-rol, maar de Hezbollah-kaart geeft het nog niet op. Farouk Shara’a, de Syrische minister van buitenlandse zaken, zei vorige week donderdag op een bijeenkomst met EU-ministers in Lissabon dat Libanon wèl gendarmerie voor de ordehandhaving naar het Zuiden zal sturen, maar niet zijn leger. Verder achtte hij het uitgesloten dat de ‘verzetsbeweging’ Hezbollah zal worden ontwapend.
Zodat de mogelijkheden voor het uit de hand lopen van incidenten aan alle kanten loeren. Barak zou in de komende maanden nog wel eens spijt kunnen krijgen dat hij een doorbraak in het vredesoverleg met Syrië die voor het grijpen lag, heeft laten lopen. Want in het kader van zo’n deal was een aftocht uit Libanon die was omgeven met keiharde afspraken, een fluitje van een cent geweest.

Kunstsponsoring onstuitbaar in opmars

In: Management Team, ....2000

Bij sponsoring denken de meeste mensen aan Rabo-wielerploegen of de ABN-AMRO-shirts van Ajax, niet aan sponsoring van kunst. Toch is kunstsponsoring in opmars. De bedragen die erin omgaan zijn relatief nog bescheiden (in 1999 was dat ongeveer f 130 miljoen, ruwweg een achtste van wat omgaat in de sport). Maar het groeit. Het kunstleven zou er zonder sponsoring heel wat armetieriger uitzien. En de sponsorende bedrijven hebben de voordelen ervan leren uitbuiten.

door Maarten Jan Hijmans

Sponsoring is in het algemeen in Nederland een betrekkelijk jong fenomeen. Het dateert van na de Tweede Wereldoorlog. De eerste experimenten waren wat incidenteel en hadden iets hobby-achtigs, al blijven markante zaken achter in de herinnering. Zoals de wielrenner Wim van Est die tijdens de Tour de France een diepe val maakte in een ravijn en vervolgens de reclame-technisch fantastische zin uitsprak: ‘Mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac-horloge liep nog.’
Pas in de jaren zeventig kwam een meer structurele en professionele benadering van de sportsponsoring van de grond. Clubsponsoring kwam op. Levi’s ging de club de Flamingo’s sponsoren die daarna Levi’s Flamingo’s gingen heten. Op dezelfde manier veranderde AMVJ in Delta Lloyd AMVJ . Vergrote exposure en naamsbekendheid (via sportverslagen op radio, tv en krant) bleken voor de betrokken bedrijven voordelen te hebben. In 1974 waren Delta Lloyd en Levi’s met Nationale Nederlanden en Raak dan ook initiatiefnemers voor het opzetten van een Vereniging Sportsponsoring Nederland. Het denken over sponsoring kreeg daarmee een belangrijke impuls. Er ontstond een soort nucleus van waaruit een professionelere aanpak kon worden gestuurd. Het besluit om shirtreclame in het betaalde voetbal toe te staan (begin jaren tachtig) betekende het nemen van een volgende horde. TDK (audio- en videocasettes) werd hoofdsponsor van Ajax en spon er veel garen bij met zijn verkopen. Opel verjongde zijn image van een wat truttige gezinsauto via een verbintenis met Feyenoord. En Philips bleek ineens veel te hebben aan zijn al langer bestaande band met PSV.

Kunstsponsoring is van later datum. De deskundigen verschillen van mening over het precieze moment waarop het betekenis ervan in brede kring doordrong. Was het, eind jaren tachtig, de sponsoring door de KLM van de afscheidstentoonstelling ‘La Grande Parade’ van Edy de Wilde, de directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum? De sponsoring, die rond dezelfde tijd vorm kreeg, van het Orkest van de Achttiende Eeuw door IBM? Of de sponsoring van het Van Gogh-jaar (1989) door KLM, VSB, Sara Lee/Douwe Egberts en Heineken? (Een gebeurtenis die, overigens, volgens insiders een aanfluiting was wegens de wijze waarop door de organisatoren met de sponsoring werd omgegaan).
Het doet er waarschijnlijk niet toe. Belangrijk is vooral de constatering dat eind jaren tachtig de definitieve doorbraak kwam, nadat een groot Amerikaans bedrijf (IBM) en een sterk internationaal georiënteerde onderneming als de KLM de spits afbeten met het ‘gaan’ voor grote kunstevenementen. Niet toevallig natuurlijk een Amerikaans en een sterk internationaal gericht bedrijf. Kunstsponsoring mocht dan in Nederland nog in de kinderschoenen staan, in een aantal buitenlanden (met name Amerika) was het al jaren eerder een algemeen aanvaard fenomeen geworden. Zowel voor de kunstsinstellingen die zonder dat niet de armslag hadden gehad om goed en volledig te kunnen functioneren, als voor de sponsorende ondernemingen die de waarde ervan hadden leren schatten als marketing-instrument en als middel om het corporate-image te versterken.
Maar het idee van kunstsponsoring sloeg ook aan om andere redenen. In de jaren zeventig groeiden de bomen zoals bekend niet als nu tot de hemel. En de overheid, de traditionele subsidiënt en instandhouder van onze cultuur, was geleidelijk op de budgetten gaan korten. Voor het Concertgebouworkest (toen nog zonder het predikaat ‘koninklijk’ voor de naam) betekende dat op een gegeven moment dat er niet meer genoeg geld beschikbaar zou zijn om een bezetting van 115 man in dienst te houden. Er zou teruggegaan moeten worden naar 106, wat onvoldoende werd geacht voor de uitvoering van het laat-romantische repertoire (Mahler en Bruckner bijvoorbeeld) een van de ‘specialiteiten’ waar het orkest ook internationaal zo beroemd mee was geworden. Voor de toenmalige vaste dirigent Bernard Haitink ooit een reden om met zijn portefeuille te zwaaien. Voor het management van het orkest was het, kort na de Van Gogh-tentoonstelling van 1989, een reden om naar aanvullende middelen te gaan zoeken.
Die werden gevonden bij vier sponsors: de Postbank, de NMB, DAF, en Douwe Egberts (Sara Lee). Het was het begin van een langdurige relatie. Met dien verstande dat Postbank en NMB intussen samengingen in ING (en ING inmiddels ‘hoofdsponsor’van het Koninklijk Concertgebouworkest is geworden), dat DAF om voor de hand liggende redenen afhaakte en dat Philips erbij kam via CEO Cor Boonstra (ex-Sara Lee/DE. En dat daarnaast ook sprake is van een stoet van kleinere en meer incidentele begunstigers.
Voor het orkest was het voordeel evident. Het kreeg extra middelen om de bestaande infrastructuur niet te hoeven inkrimpen én extra geld om betere programma’s te brengen en betere en duurdere solisten en dirigenten te engageren. Voor de sponsors waren de voordelen ook snel duidelijk. In de woorden van Gerard Jongerius, de man die bij vroeger bij de Postbank, NMB de kunstsponsoring behartigde en dat inmiddels doet bij de ING, zijn die voordelen te vangen onder de noemers corporate image (de associatie van het internationaal bekende A-merk Koninklijk Concertgebouworkest met het internationaal bekende A-merk ING) en met faciliteiten die het zijn relaties kan verstrekken bij concerten (ontvangsten, extra-kaarten en eventueel ook speciale concerten).
Jongerius: ‘Het KCO geeft jaarlijks zo’n 125 concerten in binnen- en buitenland. Bij die concerten komen veel mensen uit een - ook voor een financiële dienstverlener - interessante doelgroep, want ze behoren overwegend tot de welstandsklasse A en B. Voor ons is het sponsoren van het orkest een manier om ons bij die groep onder de aandacht te brengen, en onderzoek wijst uit dat een meerderheid weet dat de ING het KCO sponsort, dat er sprake is van een relatie. Het wordt als positief ervaren dat de ING op die manier een maatschappelijke verantwoordelijkheid draagt. De associatie met het KCO is op die manier voor ons een redelijk chique manier om te werken aan ons corporate image. En die ‘upgrading’ werkt ook in het buitenland. Het KCO is tenslotte een van de vijf beste orkesten van Europa, dat zich op alle belangrijke wereldpodia vertoont. Daar kan je ook mee aankomen bij je klanten in bijvoorbeeld New York. Als een ING-manager daar een ontvangst bij een concert organiseert, loopt het storm.’

Nieuw publiek
Anderzijds, zegt Jongerius, levert de associatie van het KCO met de top van het bedrijfsleven ook een toegevoegde waarde. Jongerius: ‘In het begin werd er nog wat onwennig tegenaan gekeken. Aanvankelijk dachten de orkestleden bijvoorbeeld dat ze bij wijze van spreken in shirtjes met een merknaam zouden moeten gaan spelen. Maar ook het orkest is zich de toegevoegde waarde van deze relatie gaan realiseren. Zo hebben ze ons, om maar een voorbeeld te noemen, laten weten dat ze het enorm waarderen dat wij, door aandeelhouders, relaties of personeel de weg naar het orkest te wijzen, zorgen voor een toeloop van een ander, nieuw publiek dan wat ze traditioneel aan bezoekers hadden.’
Associatie met voor beide partijen een toegevoegde waarde is dan ook volgens Jongerius het wezen van dit soort sponsoring. Daar vloeit automatisch uit voort dat het moet gaan om een langdurige verbintens. Langere termijn-contracten (met opties op verlenging) waarin duidelijk en uiterst zakelijk de rechten en plichten van beide partijen zijn vastgelegd. Wat dat betreft is kunstsponsoring van incidentele, bijna hobby-achtige activiteiten tot een volwassen business uitgegroeid met voor beide partijen meetbare voordelen. Het neemt evenmin weg dat ook een bedrijf als de ING wel degelijk ook aan meer incidentele vormen van kuntsponsoring doet. Zo sponsorde het bijvoorbeeld in 1999 de speciale Rembrandttentoonstelling in het Mauritshuis in Den Haag (onder meer omdat in die plaats het hoofdkwartier van de Nationale-Nederlanden is gevestigd) en participeerde het in de sponsoring van Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001. Voor kunstsponsoring heeft het bedrijf dan ook een budget van enkele miljoenen.

Robeco
Van een geheel andere klasse sponsoring om het zo te zeggen, maar daarom niet minder het vermelden waard, zijn de Robeco-zomerconcerten in het Concertgebouw te Amsterdam, die dit jaar hun 12e aflevering beleefden. Hiervan was destijds de initatiefnemer Martijn Sanders, de directeur van de NV Concertgebouw (het bedrijf dat het gebouw, maar niet het orkest beheert). Sanders had al eerder met de renovatie van het Concertgebouw ruimschoots zijn sporen verdiend als het gaat om het binnenhalen van sponsors. Hij wilde een activiteit waarmee het gebouw in de magere zomermaanden beter zou worden benut en benaderde Robeco. Het resultaat was een samenwerking, waarbij het Concertgebouw de programmering, gages etc. voor zijn rekening nam en over de recettes kon beschikken, terwijl Robeco zich belaste met de complete marketing en verkoop. Uit deze redelijk unieke samenwerking ontstond een zomerserie die klinkt als een klok, met gevarieerde programma’s waarin naast gerenommeerde grootheden ook jeugdorkesten en jongere solisten aan bod komen,soms ensembles in minder gebruikelijke bezettingen optreden en naast het ‘ijzeren repertoire’ ook minder vaak gebrachte stukken (of zelfs andere soorten muziek als jazz of zigeunermuziek) worden uitgevoerd.
De serie, die bij de start een gewaagd experiment was (niemand wist of er überhaupt in de vakantiemaanden wel genoeg publiek zou komen), is een overweldigend succes dat al jaren een geheel nieuw, vaak uiterst informeel gekleed publiek naar het Concertgebouw lokt. Volgens Thijmen Jacobse, hoofd Corporate Events van Robeco, is de zaal gemiddeld voor 80% bezet. De concerten trekken nu jaarlijks tegen de 100.000 mensen en in 2001 zal de 750.000ste bezoeker worden binnengehaald. Onnodig te zeggen dat Robeco van de relatie dezelfde voordelen beleeft als de ING met zijn sponsoring van het Concertgebouworkest. Namelijk: upgrading van het imago door de associatie met dit jaarlijks evenement, ‘relatiebeheer’ in een brede betekenis van het woord en een positieve uitstraling naar de Robeco-werknemers, die jaarlijks als eersten de programma’s in hun postvakje vinden.

Bovenop infrastructuur
Volgens Philip van Tijn, tot voor kort directeur Corporate Communicatie van KPN en de man die al vanaf de tijd dat het bedrijf aan zijn verzelfstandiging begon (1989) de sponsoring in zijn portefeuille had, is uit de voorgaande (en naar believen verder aan te vullen) succesverhalen, inderdaad af te lezen dat ook kunstsponsoring inmiddels in Nederland een gevestigd fenomeen is, dat een zekere mate van volwassenheid heeft bereikt en niet meer is weg te denken. Toch meent hij dat de sponsors een grote mate van bescheidenheid past. Want in de eerste plaats is met kunstsponsoring nog altijd een fractie gemoeid van de bedragen in de sport (in 1999 f 130 miljoen tegen f 880 miljoen voor de sport volgens schattingen van het bureau Adfo). In de tweede plaats is, volgens van Tijn, kunstsponsoring in essentie nog altijd een soort complementaire bezigheid.
‘Het is waar dat daardoor dingen gedaan worden die anders niet hadden kunnen plaatsvinden, betere programma’s, en zelfs evenementen die er anders niet waren geweest. Maar sponsoring bouwt in wezen voort op het feit dat er al iets ís: een infrastructuur namelijk, orkesten, toneelgroepen, musea etc. En niet de sponsors houden die overeind, maar de overheid, die nu eenmaal de door ons aangestelde bewaarder van onze cultuurschatten is en die taak uitoefent middels het betalen van subsidies. Het is weliswaar zo dat sponsoring incidenteel wel eens grote bedragen oplevert, zoals de renovatie van het Concertgebouw (f 33 miljoen) of de nieuwe vleugel van het Van Gogh-museum (f 35 miljoen). Maar als je kijkt wat er per bedrijf wordt bijgedragen, zie je dat het in wezen toch altijd nog om relatief kleine bedragen gaat. De allergrootste sponsorbijdrage ooit door één bedrijf betaald was een bedrag van f25 miljoen van de Gasunie voor het Groninger Museum en goede tweede was KPN met een bijdrage van f 4 miljoen voor de reconstructie van de Zuidvleugel van het Rijksmuseum. Sponsoring is nu eenmaal geen zaak van liefde voor de mooie blauwe ogen van de ander, maar gewoon een zaak waarin het bedrijfsbelang de eerste viool speelt. En ook móet spelen.’

Productontwikkeling
Toch zou het kunnen dat Van Tijn op termijn een beetje ongelijk zal krijgen. Neem het Rijksmuseum (waar directeur De Leeuw, destijds directeur van het Van Gogh-museum, de scepter zwaait). Het museum onderhoudt een vaste relatie met Philips en Achmea (en lossere banden met anderen). Maar volgens René van Son, de ‘sponsorman’ van het museum, wil het Rijksmuseum meer. Beduidend meer zelfs. De huidige 5% van het budget die sponsoring uitmaakt moet omhoog, al kan hij nog niet zeggen hoeveel.
Het museum denkt daarbij aan het meer uitnutten van de mogelijkheden van de vaste collectie, tentoonstellingen (daarbij uitdrukkelijk ook inbegrepen tentoonstellingen elders of in het buitenland), educatie, restauratie, ad hoc tentoonstellingen en het (samen met sponsors) bedenken van evenementen. Bij het laatste kan gedacht worden aan zaken die al zijn geweest, zoals open dagen, museum-zondagen (met het VSB-fonds), een museumnacht, lezingen en activiteiten voor kinderen. Maar ook en vooral aan dingen die er nog niet zijn, zoals bijvoorbeeld een website voor kinderen, boeken, of nog heel wat anders.
Van Son: ‘Wat we zouden willen is samen met sponsors gaan doen aan ‘productontwikkeling’, dingen bedenken die er nog niet zijn en waarbij we kunnen profiteren van de marketing- of andere ervaring van het bedrijfsleven en zij van onze collectie en kennis. Dat klinkt commercieel. En dat is het ook.’
En waarom het museum dat wil? Omdat het hoofdgebouw in 2003 dicht gaat voor een volledige restauratie, volledig terug naar de staat waarin bouwmeester Cuypers het heeft neergezet. Die restauratie kost f 450 miljoen. Honderd miljoen daarvan (en dat is ongekend veel) zal door het museum zelf moeten worden opgebracht. Kortom: bij het Rijksmuseum staat de deur open voor serieuze sponsors. En zeker ook voor nieuwe, spannende en in Nederland nog niet eerder vertoonde vormen van sponsoring.

Ahmed Aboutaleb: 'Destijds in Marokko heb ik nooit iets van antisemitisme gemerkt'

Uit: Kol Mokum, maart 2005

Ron van der Wieken, Maarten Jan Hijmans

Na het vertrek van Rob Oudkerk kreeg Amsterdam de eerste islamitische wethouder uit zijn geschiedenis. Maar nog voor zijn eerste jaar erop zat kreeg Ahmed Aboutaleb (Integratie, Onderwijs, Sociale Zaken) in volle omvang de nasleep van de moord op Theo van Gogh over zich heen. Sindsdien is hij niet minder dan Job Cohen bezig de boel bij elkaar te houden. 'Ik zal pas tevreden zijn als iedereen in het middelbaar onderwijs heeft geleerd één meter voor zichzelf te claimen en anderhalve meter te gunnen aan anderen.'

'Knuffelallochtoon' werd hij wel genoemd. Hij zou soft zijn, zich precies zo opstellen als de autochtone gemeenschap het wilde horen. 'Een politiek correcte profeet,' smaalde Ayaan Hirsi Ali bij zijn aantreden. Maar na de moord op Theo van Gogh ebden de smalende geluiden weg. Aboutaleb (43 - geboren in Marokko en op 16-jarige leeftijd naar Nederland geëmigreerd), maakte indruk. Op rechts, op links èn op de allochtone gemeenschap zelf. Een dag na de moord stapte hij de Kabir-moskee aan de Weesperzijde binnen en hield daar een felle speech. Een toespraak waarin hij de Nederlandse waarden verdedigde, maar tegelijkertijd de Marokkaanse gemeenschap een hart onder de riem stak door hen te laten weten dat hij begrip had voor hun angst dat de moord zich tegen hen zou kunnen keren.

'Ik ben groot voorstander van een krachtige diverse stad waarin voor iedereen een plaats is,' zei Aboutaleb toen. 'Maar een stad kan alleen gedijen als we ook overeenstemming hebben over wezenlijke kernwaarden die voor ons allen gelden. Voor mensen die deze gezamenlijke kernwaarden niet delen is geen plaats in een open samenleving als de Nederlandse. De vrijheid van religie, de vrijheid van meningsuiting en het anti-discriminatiebeginsel zijn de belangrijkste onderdelen daarvan. Een ieder die deze waarden niet deelt, doet er verstandig aan zijn conclusies te trekken en te vertrekken. Het kan niet zo zijn dat iemand van ons eist dat we zijn opvattingen respecteren en tegelijkertijd niet bereid is de opvattingen van anderen te respecteren. Tolerantie eisen is alleen aan de orde als mensen zich tolerant opstellen. Het is wederzijds.'
En ook: 'Er is angst in de stad onder velen. Angst onder de autochtonen die zich via de mail bij mij melden. Angst dat er misschien nog meer te gebeuren staat. Er is ook angst onder de Marokkanen, omdat de verdachte van Marokkaanse oorsprong is. Zij zijn bang dat de samenleving zich tegen hen zal keren. Beide zijn reële angsten die we met veel aandacht voor elkaar moeten bestrijden.'
Als we Aboutaleb spreken is deze boodschap onverminderd de kern van waar hij mee bezig is en waar hij voor staat. Het is dan alweer een paar maanden later, maar een nieuw-incident - dat van de tasjesdief die werd doodgereden in Amsterdam-Oost - heeft dan net duidelijk gemaakt dat de opwinding over de Van Gogh-moord nog allerminst is geluwd. Aboutaleb, die net als Hirsi Ali, Wilders en Cohen is bedreigd en sinds oktober onder permanente bewaking staat (terwijl we met hem praten zitten de bewakers - onzichtbaar voor ons - in een belendende kamer), spreekt snel, maar drukt zich uiterst behoedzaam uit.
Met het tasjesdief-incident moeten we oppassen, zegt hij. Oppassen dat we het allemaal wel in perspectief blijven zien, want die zaak werd wel sterk opgeklopt. Misschien ook omdat sommigen daar belang bij hadden, laat hij er cryptisch op volgen. Aan de ene kant waren er de mensen die begonnen te roepen 'Alle tasjesdieven het land uit' en: 'Zie je wel, we hebben het altijd al gezegd'. Aan de andere kant de Marokkanen die riepen: 'Wij zijn weer het slachtoffer, met onze belangen houdt niemand rekening'.
Beide meningen, zegt Aboutaleb, waren schromelijk overdreven. Ook al kan je begrip opbrengen voor de ergernis over tasjesrovers - 'zelf heb ik ook een keer een pistool op mijn borst gehad en ik ken de ongelofelijke woede die daaruit voortkomt' - en ook al was begrijpelijk dat wat er gebeurde vreselijk was voor de familie van die doodgereden jongen, 'toch was dit duidelijk van een heel andere orde dan de moord op Van Gogh'.
Aboutaleb maakt zich dan ook oprecht boos over gezagsdragers die in het openbaar olie op het vuur gooiden door van alles te gaan roepen. (Onder hen waren Balkenende en Verdonk, maar Aboutaleb weigert namen te noemen). 'De enige die echt recht van spreken had, ' zegt hij met enig venijn, 'was de burgemeester. Het is namelijk zijn taak de gemoederen te kalmeren. Alle anderen hadden gewoon hun waffel moeten houden. Dat is les 1 van het politieke bestuur. Als iets onder de rechter is, heb je maar te zwijgen, ook al staan er camera´s om je heen en is het verleidelijk om te spreken.'

300 jaar
Van Gogh, integratie. Die woorden vallen al gauw als je dezer dagen met Aboutaleb praat. Wat vindt hijzelf eigenlijk als we het over integratie hebben? Er zijn immers verschillende opvattingen. Aan de ene kant was er Paul Scheffer die een paar jaar geleden signaleerde dat de multiculterele samenleving was geflopt, omdat het een naast en langs elkaar heen leven betekende. De andere kant was het recente rapport van de Commissie Blok van de Tweede Kamer, waarin stond dat ruim 20 jaar integratiebeleid toch niet helemaal voor niets was geweest.
Wat vindt Aboutaleb?
Allebei hadden gelijk, zegt de wethouder. Scheffer keek vanuit zijn positie als publicist naar de stad en signaleerde tendensen. Stef Blok en zijn commissie keken naar het rendement van de investeringen van de afgelopen jaren en kwamen tot de conclusie dat het toch niet allemaal weggegooid geld was geweest. Beide zijn waar. Qua werkgelegenheid, onderwijsniveau en woonsituatie is de situatie van allochtonen nog nooit zo goed geweest. 'Toen ik hier kwam in 1976 was het normaal dat drie of meer mensen op een kamer woonden. Als we dat vergelijken met nu is de levenskwaliteit enorm verbeterd.' Maar, zegt de wethouder, we moeten oppassen dat we niet ongelijke variabelen bij elkaar gaan optellen of met elkaar gaan vergelijken. Verbeterde levensomstandigheden zijn namelijk nog geen integratie. Dat is het pas als sprake is van 'culturele overeenstemming'. Dat komt na een lang proces. 'De Joden hebben daar, nadat ze hier kwamen, 300 jaar over gedaan. Wat? Tweehonderd? De eersten kwamen hier al rond 1600. Nou ja, in ieder geval een paar honderd jaar. Wij zullen het sneller, zo snel mogelijk moeten doen. Dat is wat de samenleving eist. Die wil stabiliteit.' Later in het gesprek zal hij zeggen dat het voor zover hij het kan overzien, misschien twee, drie generaties zal gaan duren.
En natuurlijk, zegt hij, is het ook de vraag van belang hoe ver integratie moet gaan. 'Nu lijkt het erop dat het nog heel vaak wordt verward met assimilatie. Maar assimilatie is invoegen met achterlating van alles, inclusief een eigen identiteit. Ik stel daar tegenover dat mijn persoonlijke integratie niet het verlies van eigenschappen heeft betekend. Voor mij was het vooral een proces van dingen erbij leren.'

De boel bij elkaar
Het overgrote deel van de burgers wil rust en stabiliteit, zegt de wethouder, maar veel mensen zijn bang en angstig. 'Ik denk dat het nodig is heel alert en waakzaam te zijn. Er zijn mensen die zich niets aantrekken van anderen, die willen verstoren. Die vinden dat als hun gedrag 16 miljoen mensen op hun kop zet - die dan maar op hun kop moeten gaan staan. Dat is deviant gedrag. Wat mij betreft moeten we die mensen isoleren en uitschakelen.' Desnoods is Aboutaleb niet tegen uitzetten, al vindt hij dat dit niet kan met mensen die in Nederland zijn
geboren en een Nederlands paspoort hebben. Maar hard optreden, ja. 'Tegen metaal is alleen metaal opgewassen, niet een krijtje'.
Maar is het voor moslims niet moeilijk, wordt er niet ook te veel met twee maten gemeten? vragen wij. Aan de ene kant was er Van Gogh die moslims geitenneukers noemde, of Hirsi Ali die de profeet Mohammed 'pervers' noemde. Bij moslims kwam dat hard aan, maar de autochtonen laten dat passeren. Aan de andere waren er zaken als uitlatingen van imam El Moumni over homo´s, of Abdul Jabar van der Ven die zei dat hij het niet erg zou vinden als Wilders iets overkwam, waarbij heel autochtoon Nederland meteen op zijn achterste benen stond, en in de Tweede Kamer werd aangedrongen op vervolging.
Jawel, zegt Aboutaleb, hij kan zich best indenken dat sommigen dat meten met twee maten noemen. Maar moslims moeten leren aanvaarden dat dit manier is waarop in Nederland de dingen gaan. Wat Van Gogh deed kòn. Begrijpen dat dat kon is een leerproces, zegt hij, en het is onvermijdelijk dat dit plaatsvindt. Hij wijst op wat Scheffer noemt 'niveaus van communicatie'. Op een laag niveau communiceren betekent dat je de dingen direct op jezelf betrekt, op een hoger niveau ben je beter in staat afstand te nemen. Veel moslims hebben daar moeite mee, zegt hij. Zelfs hoger opgeleiden blijken soms nog moeite te hebben met het leren van die les.
In hetzelfde verband merkt hij op het oneens te zijn met minister Verdonk dat het initiatief voor een Nederlandse imamopleiding van de moslims zelf moet komen. 'Met de moskeeën hebben we het op net zo´n liberale manier aangepakt. De moslims moesten zelf uitzoeken hoe ze aan het geld kwamen voor de bouw. Ze hebben het uitgezocht en het geld gekregen uit het buitenland. Meestal met de voorwaarden erbij en vaak ook met de imam. En dat wreekt zich dus nu.'
En intussen, in afwachting van de geslaagde integratie, gaat het erom de boel bij elkaar te houden. Dat is wat Cohen zegt. U zegt hetzelfde, nemen we aan?
'De uitdrukking 'de boel bij elkaar houden', zegt Aboutaleb is niet uitgevonden door Cohen. Die is afkomstig van Den Uyl die hem een keer in een rede heeft gebruikt. De boel bij elkaar houden is eigenlijk de grondwettelijke plicht van elke bestuurder. Want wat is het alternatief ? De boel niét bij elkaar houden? Dat is dus chaos. Ik heb de criticasters van Cohen dit alternatief nog nooit horen noemen als ze het hebben over 'zachte heelmeesters'. Het is ook niet een kwestie van zachte heelmeesters, het is hard en zacht bij elkaar.
Maar hoe doe je het?
'Het is mensen deel uit laten maken van een grote kring waarin iedereen gelijkberechtigd is en gelijke plichten heeft, waarin niet met twee maten wordt gemeten en waarin hard wordt opgetreden tegen iedereen die zich bewust tegen die grote kring verzet, gewapend of niet. Ik kan, zegt Aboutaleb, het op micro-niveau illustreren. Deze week was er een meneer in Amsterdam die op een bijeenkomst tegen me zei: 'Ik wist niet dat ik met u bezig was in die kring. Maar toevallig heb ik deze week als werkgever een Marokkaans meisje met een hoofddoek een stageplaats aangeboden.'

Antisemitisch
Een heel ander onderwerp: Hoe komt het dat Marokkanen zo pro-Palestijns zijn?
Dat komt, zegt Aboutaleb, doordat de Marokkanen vergroeid zijn met het Palestijnse probleem. Ze groeien er mee op, in Marokko is het altijd één van de belangrijkste items op het nieuws. In het tv-journaal is de koning gewoonlijk item nummer eén. Maar als de koning er niet is, of er een keer niets te melden valt, dan zijn het bijna altijd de Palestijnen. Er is ook altijd sprake geweest van hulp en solidariteit. Palestijnen kunnen bijvoorbeeld vrij studeren in Marokko.
Ook is er een religieuze invalshoek: ze (Israël) willen de islam uitroeien. Dat speelt vooral bij onderontwikkelde mensen een rol. En tenslotte is er de rol van Amerika, waar achtereenvolgende presidenten - of ze nu Democraat zijn of Republikein - altijd kiezen voor
Israël. Marokkanen vereenzelvigen zich makkelijk met de Palestijnen. En dat is waarom vooruitgang bij het vredesproces de situatie hier sterk zou kunnen verbeteren. Datzelfde geldt trouwens voor een terugtrekking uit Irak.'
En waarom zijn Marokkanen zo antisemitisch?
Aboutaleb: 'Ik heb voor ik hier kwam 15 jaar in Marokko gewoond, en geloof me, ik heb daar nooit iets van antisemitisme gemerkt. Bij ons in het dorp kwamen geregeld Joodse handelaren langs, om zilver te kopen of aardewerk, maar ze werden nooit laatdunkend bejegend. Hier in Nederland daarentegen is het antisemitisme stevig aanwezig. Misschien dat de Arabische tv-zenders ook invloed hebben. Maar in Marokko is er tot op de dag van vandaag niets van te merken. Het is niet daar, maar hier. Misschien,' zegt hij met een glimlach, 'moeten we daarom wel zeggen dat die Marokkaanse jongeren wat dat betreft voortreffelijk zijn geïntegreerd.'
En wat kunnen we doen tegen dat Marokkaanse antisemitisme?
Ik vind het jammer,' zegt Aboutaleb, 'dat u zo focust op Marokkanen. Het gaat ook heel vaak om autochtone Nederlanders onder wie het antisemitisme bijna net zo sterk is alleen minder uitgesproken. En ik zeg erbij: ik weet vaak niet waar je je meer zorgen over moet maken: over datgene wat luid en duidelijk wordt uitgesproken of over datgene wat je niet hoort of ziet.'
En wat we doen? Heel veel onderwijs. Maar daarbij worden niet morgen al resultaten geboekt. Dat is jammer genoeg een manco van onderwijs, er gaat soms wel een generatie overheen. Maar ik ben hier als gemeenteambtenaar begonnen met een programma historisch besef .....
.. over de holocaust?
'...niet alleen over de holocaust. Er is hier een andere Van der Wieken, dat is mevrouw van der Wieken, (Aboutaleb verwijst naar de vrouw van Ron van der Wieken die gemeenteraadslid is voor de VVD, rvdw en mjh) en die maakte een keer de opmerking dat je het holocaustonderwijs niet alleen moet associëren met de doden, maar dat er ook levende Joden zijn. Dat vond ik een hele slimme opmerking.' Vervolgens vertelt Aboutaleb over zijn programma. Er is een pilotproject geweest op vier scholen, waarbij Marokkaanse studenten les gaven over de holocaust en de lessen daarvan doortrokken naar het heden: het Palestijnse probleem, maar ook discriminatie, antisemitisme, meelopen, respect en vernedering in het Amsterdam van nu. Dat project is aantoonbaar een succes geweest. Zo waren vòòr het project 32% van de Marokkaanse leerlingen van mening dat de joden de wereld wilden overheersen en was na het project dat percentage gedaald tot 11%. Het programma is voortgezet en uitgebreid. Er staan, zegt Aboutaleb, onder meer ook reizen naar Auschwitz op het programma die door de gemeente zullen worden gesubsidieerd. 'In feite is het burgerschapseducatie met tolerantie als belangrijkste pijler. Ik ben pas tevreden als iedereen in het middelbaar onderwijs heeft geleerd om één meter ruimte voor zichzelf te claimen en anderhalve meter te gunnen aan anderen.'

Israel begint serieus met de annexatie van de Westoever

  Het is natuurlijk onvergeeflijk als je al jaren blogt over het Midden-Oosten en vooral over Israel en de Palestijnen en juist nu, als Isra...