zaterdag 18 april 2009

Vertoon eensgezindheid Iraakse oppositie tegen achtergrond van naderende inval VS

Uit: Soera, nummer 3 + 4 - 2002

Tegen de achtergrond van de Amerikaanse voorbereidingen voor een aanval op Bagdad, kwamen in december 2002 Iraakse oppositiegroepen in Londen samen. Ze beraadden zich op een toekomst na Saddam. Het was de eerste keer in tien jaar dat het was gelukt zo'n breed oppositiefront bijeen te krijgen, al bleven de pro-Syrische Da'awa-partij en de communisten weg. Aan het feit dat de andere zes partijen er wel waren, ging behoorlijk veel koehandel vooraf en ook flinke druk van de VS.

Door Maarten Jan Hijmans

het was vooral een theaterstuk en het werd midden december opgevoerd nadat het eerder tweemaal, in oktober en november, was uitgesteld. Het decor was een Londens hotel met voldoende accomodatie om zo'n 400 deelnemers en nog eens twee- a driehonderd journalisten te bergen. Omdat het zo'n gigantisch complex was, liepen de zaken nog wel eens wat door elkaar. Zo ontstond op een avond een tamelijk komische mix, toen een groepje in abaja en tulband gehulde shi'itische geestelijken van SCIRI bij het afdalen van de trap verzeild raakte tussen een aantal Britse jongedames in blote uitgaanskledij. Ze waren afkomstig van een zo te zien nogal zwoele bedrijfsfuif die een verdieping lager werd gehouden.
Deelnemers in Londen waren de zes belangrijkste Iraakse oppositiegroepingen. Om te beginnen de twee grootste Koerdische groepen die de scepter zwaaien in het autonome Koerdistan: de Koerdische Democratische Partij (KDP) van Massoud Barzani en de Patriottische Unie Koerdistan
(PUK) van Jalal Talabani. Vervolgens de in Teheran zetelende shi'itische Hoogste Raad van het Islamitische Verzet in Irak (SCIRI) van ayatollah Mohammed Baqr al-Hakim, en het voornamelijk uit overgelopen veiligheidsmensen, Ba'ath-aanhangers en militairen bestaande Iraakse Nationale Akkoord (INA). En tenslotte het Iraakse Nationale Congres (INC) van de bankier Ahmed Chalabi en de royalistische beweging onder leiding van Sharif Ali bin Hussein, een neef van de in 1958 vermoorde koning van Irak. Daarnaast was er een groot aantal onafhankelijken en vertegenwoordigers van ethnische minderheidsgroepen als de Assyriërs en de Turkmenen.

Strategie
Het doel van de bijeenkomst was het smeden van een gezamenlijke strategie voor het Irak van na Saddam Hussein. Maar na dagen van plenaire speeches en bijeenkomsten achter gesloten deuren, bleef het intrigerend genoeg de vraag of dat was gelukt. Op het eerste gezicht leek het daar wel een beetje op. Zo was iedereen het erover eens dat het tyrannieke Ba'ath-bewind diende te verdwijnen en leek niemand er moeite mee te hebben dat dit straks zou gaan gebeuren door ingrijpen van de Amerikanen. 'Zelf kunnen we het niet, dus wat willen we dan nog,' zei minister Qazzaz van Ontwikkelingssamenwerking van de autonome Koerdische regering in Arbil me desgevraagd in de wandelgangen.
Ook het karakter van het toekomstige Irak leek geen probleem: unaniem was iedereen het erover eens dat het een federatieve, democratische en pluralistische staat moest worden, waarin iedereen gelijke rechten zou krijgen ongeacht etnische afkomst of geloof (al moet hierbij worden aangetekend dat de enigen die echt belang hebben bij federalisme de Koerden zijn, en dat het niet voor het eerst zou zijn dat dat toezeggingen op dat punt naderhand weinig waard bleken te zijn).
Vervolgens was er volledige overeenstemming over dat er na de val van het regime een overgangsperiode zou moeten komen om de terugkeer anar een genormaliseerd Irak mogelijk te maken. En tenslotte stond voor de deelnemers als het ware vast dat niet meteen in Londen een regering in ballingschap moest worden gevormd.
Goran Talabani, een Londense arts en neef van de Koerdische leider Jalal Talabani (maar zelf een aanhanger van het INC) vatte het tijdens een kort gesprekje dat we hadden in de vestiaire wat cynisch als volgt samen: 'Voor de Amerikanen was deze conferentie een groot succes. Ze wilden een steunbetuiging van de Iraakse oppositie aan hun plannen om met geweld een einde te maken aan het regime in Bagdad. In de tweede plaats wilden ze een vertoon van eensgezindheid. En ten derde wilden zo voorkomen dat er in Londen een regering in ballingschap zou worden gevormd. Dat is allemaal gelukt.'
Het was de wat zure visie van een man die zelf heel wat anders had gewild. Als het aan hem had gelegen was 'Londen' vooral een gelegenheid geworden waar de 'oude partijen' zich hadden beziggehouden met de vraag hoe het in practische zin verder moet met Irak als het regime straks is verjaagd. De Londense Talabani had graag gezien dat erover gesproken was hoe het huidige Irak – waar overheid, politie, rechterlijke macht, ambtenarij en wat al niet allemaal in handen waren van de Ba'ath – in een later stadium zou kunnen worden getransformeerd in een land waar vrijheid van meningsuiting, een vrije pers, een civil society en fatsoenlijk bestuur weer een kans zouden krijgen.
Een door het Amerikaanse State Department gesponsorde werkgroep onder leiding van de schrijver en hoogleraar Kanan Makiya had daar op de conferentie een dik, doorwrocht en in details uitgewerkt rapport over gepresenteerd, maar dat werd helemaal niet behandeld. Volgens Talabani omdat de 'oude partijen' qua structuur en mentaliteit niet erg zouden verschillen van de Ba'ath en omdat ze – meer dan wat anders – vooral begaan waren met machtspolitiek en het verkrijgen van een goede uitgangspositie in het 'Irak van de toekomst'.

Slechte naam
Makiya zelf sloot zich bij deze mening aan. Ook hij was zeer teleurgesteld. 'Om te beginnen is het zeer de vraag hoeveel aan hang die partijen eigenlijk nog hebben in Irak na zoveel jaar ballingschap,' zei hij in een gesprek dat ik met hem had in de koffiebar. 'Ook vraag je je af in hoeverre ze zich ervan bewust zijn dat partijpolitiek als sinds de coup van 1958, toen de koning werd verjaagd, een slechte naam heeft in Irak. Het stond toen gelijk aan straatgevechten, controleposten en willekeur, en dat is iets wat er in al die jaren van Ba'ath-terreur niet beter op is geworden. Dit rapport was een poging om een stap te zetten naar een nieuwe benadering. Misschien wel een stap naar een doorbraak van de algehele stagnatie op het gebied van democratie in het Midden-Oosten. Maar de partijen lijken niet bereid en in staat te zijn om verder te kijken dan hun bestaande belangen en huidige politieke cultuur.'
Dat de partijen daar inderdaad niet toe bereid waren bleek aan het slot van de conferentie, toen het erop aankwam een coördinatie-comité samen te stellen dat het hoogste orgaan van de verenigde oppositie moest worden en bij een volgende bijeenkomst uit zijn midden een overgangs-leiderschap zou moeten kiezen. De verdeling van het aantal afgevaardigden leidde tot scherpe tegenstellingen die pas na verlenging van de conferentie met een dag en na herhaald ingrijpen van de vlak voor de conferentie door het Witte Huis benoemde coördinator van het Irak-beleid, Zalmay Khalilzad, konden worden opgelost.
Uiteindelijk werd een lichaam van 65 mensen benoemd, waarin de shi'itische SCIRI een duidelijk meerderheidspositie kreeg: 24 van de 65 zetels. De Koerdische partijen kregen samen 15 zetels, INA, de Monarchisten en het INC samen eveneens 15. Turkmenen en Assyriërs kregen er respectievelijke vier een twee, vijf zetels werden in onderling overleg verdeeld, terwijl onafhankelijken een plaats kregen doordat alle partijen een paar plaatsen voor hen inruimden. En dat met deze koehandel de zaken lang niet waren opgeklost, bleek toen een voor 15 januari in Arbil (Koerdistan) geplande follow-up bijeenkomst tot twee keer toe moest worden uitgesteld.

Khalilzad met Barzani (r)

Geloofwaardig
Maar de verhoudingen binnen de Iraakse oppositie liggen dan ook moeilijk. De belangen gaan vaak tegen elkaar in. Van partijen als het INA, het INC of de royalisten is nauwelijks duidelijk hoeveel mensen en macht ze eigenlijk vertegenwoordigen. Groepen die wèl kunnen bogen op militaire en civiele macht zijn eigenlijk alleen de twee Koerdische groepen en het SCIRI van ayatollah Al-Hakim. De Koerden vormen al sinds 1992 de regering in Noord-Irak en hebben ieder een leger van zo'n 25.000 man. Het SCIRI heeft eveneens een legertje (de Badr brigade, zo'n 8000 man ) en claimt de vertegenwoordiger te zijn van 200- tot 300.000 vluchtelingen in kampen in Iran. Maar bij het SCIRI moet wel worden aangetteeknd dat de organisatie zowel op politiek als militar gebied tot op grote hoogte wordt gecontroleerd door Iran.
Beide groepen hebben echter wat het uitoefenen van de macht in Irak betreft een probleem: en dat is dat sinds de moderne staat Irak in 1921 werd gevormd, het bestuur traditioneel werd uitgeoefend vanuit de centrale provincie Bagdad, waar soennitische elites de dienst uitmaken. Dientengevolg was het ondenkbaar dat Koerden of shi'ieten zouden worden ingezet om Bagdad te bevrijden, laat staan de staat te gaan leiden. Een geloofwaardige post-Saddam-regering zou alleen uit een coalitie kunnen bestaan met andere groepen, ook al was nauwelijks duidleijk welke macht die vertegenwoordigden. De Amerikaanswe gehieme dienst CIA en een 'realistische fractie' rond minister Colin Powell en de Amerikaanse legerstaf had daarbij een voorkeur voor de overlopers van het INA. Zij redeneerden dat het dankzij contacten van de INA-leiders in de leidende echelons van de Iraakse maatschappij mogelijk zou moeten zijn om een machtsovername in Irak te ensceneren (ook al was een eerdere couppoging in 1996 afgestraft met een golf van executies in Irak). Met de twee Koerdische organisaties en SCIRI samen vormde het INA een coalitie die bekend stond als 'de grote vier'. In de zomer van 2002 lieten deze vier de VS weten dat zij gezamenlijk een conferentie wilden en van plan waren een Iraakse regering in ballingschap op te richten.
Dit plan stuitte in Washington op verzet van een 'meer ideologische' regeringsfractie (bestaande uit onder meer vice-president Dick Cheney en onderminister van Defensie Wolfowitz) die vond dat Irak na de machtswissleinge en democratiseringeproces moest ondergaan een een 'voorbeeld'voor het hele Midden-Oosten moest worden. De ideologen hadden hun eigen favoriet en dat was het INC en zijn leider, Chalabi. Dit INC was aanvankelijk niets anders geweest dan een soort overkoepelende administratie van het Iraakse oppositie-parlement dat tien jaar eerder - in 1992 - tijdens de vorige brede bijeenkomst van van de Iraakse oppositie in Iraaks Koerdistan bijeen was gekomen. Na het uiteenvallen van dit parlement was het INC echter een eigen politiek leven begonnen.
Druk uit het ideologische kamp, en ook het feit dat in Washington nog geen duidelijke consensus bestond over wat er in Irak moest gebeuren, leidde ertoe dat op 9 augustuis niet vier maar zes partijen (de grote vier + het INC en de royalisten) naar Washington werden ontboden om met hoge regeringsfunctionarissen te overleggen over de organisatie van een conferentie. Een conferentie waar nog geen beslissing zou moeten worden genomen over een regering in ballingschap, maar juist meerdere opties open gehouden moesten worden. Er was in Washington immers nog geen beslissing genomen of Saddam ten val gebracht kon worden via een coup, of dat militaire actie en een langdurige bezetting van Irak nodig zou zijn, waarbij naar het voorbeeld van Duitsoland of Japan na de Tweede Wereldoorlog het land geleidelijk op een terugkeer bnaar de democratie zou worden voorbereid.

Deal
De conferentie in Londen droef de sporen van de onzekerheid over de Amerikaanse bedoelingen. INC-leider Chalabi begon, zodra het INC terug was op de kaart, met succes te lobbyen voor een zo groot mogelijk aantal genodigden (onder wie veel onafhankelijken en ook etnische minderheden als Assyriërs en Turkmenen) er terecht van uitgaande dat dit de positie van het INC zou verstreken. Zijn aanpak kreeg op 19 november steun via en brief van het Wuitte Huis, waarin functionarissen van beide Amerikaanse regeringskampen zich uitspraken voor een 'brede' opzet van de conferentie. De benoeming – op het allerlaatste moment - van Khalilzad als coördinator van de conferentie, werd ook gedaan met de kennelijk bedoeling dat hij ervoor zou zorgen zoveel mogelijk opties open te houden.
En vervolgens begon de koehandel. Enkele dagen voor de conferentie van Londen nodigde SCIRI – met kennelijk instemming van Iran - Chalabi uit oor een bezoek aan Teheran. SCIRI-leider Al -Hakim sprak zich bij die gelegenheid uit voor een volledige rol van het INC op de conferentie, in ruil voor een toezegging van Chalabi dat het INC zou helpen te zorgen dat het SCIRI een belangrijke vertegenwoordiging zou krijgen in eventueel te benoemen lichamen of comités. Een soortgelijke deal werd gesloten met de Koerdische leider Barzani, in ruil voor steun van SCIRI (en Iran) voor Barzani in zij n moeizame positie ten opzichte van Turkije.
Niet onlogisch, dit wheelen en dealen. En het ziet er naar uit dat het nog wel even door zal gaan, zolang de plannen van de VS in vaagheid gehuld blijven.

Geen opmerkingen:

Shana Tova,

Wie het viert wens ik een goed joods Nieuwjaar 5781 toe met veel inhoud  // I wish everyone who celebrates it a good and meaningful Jewish N...