dinsdag 21 april 2009

Israël en Libanon: iedere tien jaar een invasie

Uit De Brug, uitgave SIVO, september 2006

David ben Gurion placht in de jaren vijftig te zeggen dat hij niet wist welk Arabisch land het eerst met Israël vrede zou sluiten, maar dat Libanon zeker het tweede zou zijn. Libanon was in die tijd sterk Westers georiënteerd, maar zou als eén van de zwakkere Arabische broeders niet als eerste schaap over de dam durven komen met het sluiten van een akkoord met Israël, zo was de gedachte van de Israëls eerste premier.
Beschietingen van Beirut, 2006

door Maarten Jan Hijmans

Ben Gurions uitspraak klinkt ons nu belachelijk in de oren. Om te beginnen is het huidige Libanon na jaren burgeroorlog en een akkoord dat wat van de christelijke macht heeft afgeknabbeld (het Akkoord van Taif van 1989) niet meer hetzelfde als toen. Maar bovendien heeft Libanon net een Israëlische aanval over zich heen gekregen die rond de 1200 slachtoffers (meest burgers) heeft gemaakt en voor miljarden en miljarden schade heeft opgeleverd. Als we kijken naar de geschiedenis van de afgelopen veertig jaar, dan zien we dat Libanon zo ongeveer elke tien jaar een Israëlische invasie van enige omvang heeft beleefd. Zo bezien zou niemand raar moeten opkijken als Libanon uiteindelijk als laatste Arabische land vrede met Israël zou sluiten.
Aanvankelijk golden die Israëlische aanvallen de Palestijnen. Een groot aantal Palestijnse vluchtelingen was na 1948 in diverse kampen in Libanon terecht gekomen en vooral na de geboorte van de Fatah-beweging van Yasser Arafat in 1965 namen de spanningen toe. De eerste aanval van Israel was in 1968. Israël vernielde toen 13 vliegtuigen van de Libanese luchtvaartmaatschappij MEA op het vliegveld van Beiroet als represaille voor een beschieting van een El Al vliegtuig door Palestijnen op het vliegveld van Athene. Na september 1970, toen Jordanië korte metten maakte met de politieke en militaire aanwezigheid van de PLO op zijn grondgebied (de 'Zwarte September') en veel Palestijnen naar Zuid-Libanon uitweken,liep de spanning verder op. In 1973 voerde Israël een commando-aanval uit in hartje Beiroet, waarbij onder meer drie PLO-kopstukken werden vermoord (Ehud Barak, de latere Israelische stafchef, minister en premier, deed er aan mee vermomd in vrouwenkleren).
De eerste echte Israëlische invasie vond plaats in 1978, na Palestijnse aanvallen in Israël en de nodige beschietingen over en weer. Israël rukte op tot aan de rivier de Litani. Een kwart miljoen mensen werd tijdens deze 'Operatie Litani' op de vlucht gejaagd, er werden grote vernielingen aangericht aan de infrastructuur en een aantal dorpen verwoest in een poging de PLO naar het noorden op te jagen en een wig te drijven tussen de plaatselijke (overwegend sjiïtische) bevolking en de Palestijnen. Pas na stationering van een VN-vredesmacht (Unifil) was Israël te bewegen Libanon weer te verlaten, op een strook land na langs de grens, die het tot 'Veiligheidszone' bestempelde. De bezetting van dit stuk land zou uiteindelijk 22 jaar - tot het jaar 2000 - gaan duren. Ook werd in dezelfde tijd de relatie bestendigd tussen Israël en het 'Leger van Zuid Libanon' (SLA) een groepje door Israël betaalde en uitgeruste huurlingen, dat onder leiding van de uit het Libanese leger gedroste chistelijke majoor Saad Haddad, tot 2000 een terreurbewind in het zuiden in stand zou houden, compleet met een gevangenis (Khiam) waarin mensen die weigerden met het SLA te collaboreren werden opgeborgen en gemarteld.

Sharon
Ook de jaren daarna waren er regelmatig kleinere schermutselingen. Aanvallen op Israël en terreuracties van Palestijnse groepen werden standaard beantwoord met beschietingen van dorpen en andere burgerdoelen, terwijl ook regelmatig bombardementen werden uitgevoerd op elektriciteitscentales, wegen, bruggen, opslagplaatsen en andere infrastructurele zaken om de Libanese regering onder druk te zetten.
De invasie van 1982 onder leiding van de toenmalige minister van defensie Ariël Sharon ging echter een flinke stap verder. Sharon wilde de PLO uit Libanon verdrijven, en zo mogelijk vernietigen, teneinde het bezit van de Westoever voor Israël veilig ter stellen. Tevens wilde hij in Libanon Israëls christelijke bondgenoten aan de macht brengen om met hen een vredesakkoord te kunnen sluiten. De generaal pobeerde enkele malen de PLO te provoceren door – ondanks een bestand – beschietingen uit te voeren opp Zuid-Libanon. Uiteindelijk greep hij als aanleiding een aanslag aan die door een dissidente Palestijnse groep (de groep van Abu Nidal) werd gepleegd op de Israëlische ambassadeur in Londen. Al kort na het begin van de invasie begon een wekenlang beleg van West-Beiroet. De veldtocht bewerkstelligde, na Amerikaanse bemiddeling, een militaire aftocht van de Palestijnen. Maar het einde van de PLO werd het, zoals wij weten, toch niet. Ook het andere doel: een Libanon, dat onder leiding van president Bashir Gemayel vrede met Israël zou sluiten, werd niet bereikt. Bashir werd weliswaar tot president gekozen, maar kort voor hij aantrad werd hij in september 1982 tegelijk met een groot aantal getrouwen gedood, toen een - door handlangers van Syrië geplaatste - bom zijn hoofdkwartier verwoestte. Gemayel werd opgevolgd door zijn broer Amin, die aanmerkelijk meer afstand hield van Israël. Sharons veldtocht werd zodoende een mislukking, ten koste van zo´n 20.000 Libanese doden en een miljardenschade aan Libanons infrastructuur. Als om het fiasco te onderstrepen pleegden Israëls christelijke (falangistische) bondgenoten onder het toeziend oog van Israëlische militairen ook nog eens een gruwelijke moordpartij op achtergebleven Palestijnen (meest ouden van dagen, vrouwen en kinderen) in de kampen Sabra en Chatila in Beiroet.
Lichamen van vermoorde inwoners Sabra en Chatila

Sharons veldtocht was mislukt, maar had wel een ander effect. Al eerder, midden jaren zeventig, was mede door de druk waaraan Zuid-Libanon blootstond, ingeklemd als het was tussen Israël en de PLO, een emancipatiebeweging ontstaan van de overwegend sjiïtische bevolking. Deze beweging, Amal, aanvankelijk onder leiding van de Iraanse geestelijke Moussa Sadr maar later geleid door de huidige Libanese parlementsvoorzitter Nabih Berri, was redelijk gematigd en klopte - tevergeefs - op Israëls deur om een modus vivendi voor Zuid-Libanon uit te werken. Na de Israëlische inval van 1982 ontstond in de Beka'a-vallei, mede door toedoen van een vanuit Iran gestuurde eenheid Pasdaran (Islamitische Wachters) een radicale afsplitsing onder leiding van Abbas Moussawi, een voormalige leider van Amal. In de loop van de volgende jaren ging zijn groepering samen met een aantal andere anti-Westerse groeperingen, waarvan sommige ontvoeringen, kapingen en aanslagen op hun naam hadden. In 1985 presenteerde dit amalgaam zich als Hizbollah (Partij van God) aan de wereld met een manifest, waarin als doeleinden werden omschreven het vestigen van een islamitische republiek Libanon, de verdrijving van Israël uit Libanon en het laten verdwijnen van Israël als joodse staat.

Nieuwe vijand
Door de geboorte van Hizbollah kreeg Israël te maken met een formidabele nieuwe vijand, die zorgde voor een fikse toename van het aantal slachtoffers onder het Israëlische bezettingsleger, dat zich na de debacle van Sharons veldtocht had teruggetrokken tot aan de rivier de Litani. De oplopende verliezen door de hand van het ´nationale verzet´ (al-muqawwana al-wataniya) zoals Hizbollahs strijders in Libanon meestal werden genoemd, dwong hetIsraëlische leger zich in 1985 verder terug te trekken, tot de al sinds 1978 bestaande 'Veiligheidszone'.
Hizbollah bleef Israël ook daar bestoken (in enkele gevallen met zelfmoordacties). Afgezien van kleine botsingen beantwoordde Israël dat in 1993 met de operatie 'Afrekening' (Din wacheshbon) en in 1996 met de operatie 'Druiven der Gramschap'. In beide gevallen werd de bekende tactiek gevolgd: bombardementen van infrastructurele werken zoals elektriciteitscentrales, olieopslaglaatsen en dergelijke en een beperkte opmars van de grondtroepen. In 1996 deed zich ook een apart drama voor: bij een artilleriebeschieting van een VN-legerpost in het Zuidlibanese Qana werden 108 burgers gedood. Die daar een schuilplaats hadden gezocht.(Dit jaar zouden in hetzelfde Qana bij een ongelukkig bombardement eveneens tientallen burgerslachtoffers vallen). Ook kleinere operaties werden uitgevoerd: zo vuurde Israel in 1992 een raket af op de auto van Hizbollah-leider Moussawi, waarbij deze tezamen met zijn vrouw en vijfjarig zoontje werd gedood. Hij werd opgevolgd door de huidige leider, Hassan Nasrallah.

De niet-aflatende strijd van Hizbollah leidde ertoe dat Israël zich in 2000 eindelijk terugtrok uit de ´Veiligheidszone´, waarmee ook na 22 jaar een abrupt einde kwam aan het Leger van Zuid-Libanon dat in een tijdbestek van 36 uur volledig in elkaar stortte. Vanzelfsprekend was dat een groot succes voor Hizbollah, maar het sociale en politieke belang van de beweging was toen de militaire kant allang voorbijgestreefd. De beweging had in de 20 jaar van haar bestaan een uitgebreid netwerk opgezet van sociale instituties, zoals scholen, goedkope klinieken, plaatsen waar armen financiële ondersteuning kunnen krijgen en zelfs een onderneming voor wederopbouw en rehabilitatie van arme en/of getroffen wijken (jihad al bina). Ook had zij de stap gewaagd naar de politiek door aan de parlementsverkiezingen mee te doen. Bij de laatste verkiezingen haalde zij 12 van de 128 zetels. Uit uitspraken van onder meer Nasrallah, de leider, valt op te maken dat de beweging intussen ook niet langer streeft naar een islamitische republiek Libanon, maar gekozen heeft voor een parlementaire democratie, waarmee het voorbeeld wordt gevolgd van soortgelijke islamistische partijen in onder meer Turkije, Syrië en Egypte en niet te vergeten Palestina (Hamas). Volgens Nasrallah zou zo´n islamitische republiek alleen haalbaar zijn als er een grote parlementaire meerderheid voor te vinden zou zijn, en dat was nou eenmaal niet realistisch in het geval van Libanon.

Ook het oorspronkelijke ideaal van het van de kaart vegen van Israël leek plaats te maken voor een meer pragmatische benadering. Weliswaar bleef Hizbollah Israël bestoken, met als argument dat Israël de waterrijke Sheba Farm niet had teruggegeven (volgens Israël en de VN Syrisch gebied, volgens Libanon en Syrië zelf echter Libanees), maar het waren kleinschalige acties. Een van de doelen ervan was het terugkrijgen van de vele Libanezen die in Israëlische gevangenissen verbleven. Zo werd in 2004 een duizendtal gevangenen geruild tegen enkele lichamen van gesneuvelde Israëli's. En is genoeg reden om te geloven dat Hizbollah met zijn ontvoeringsactie van twee militairen in juli iets soortgelijks in de zin had: namelijk het verkrijgen van een ruilobject voor de drie nog steeds in Israëlische gevangenissen zuchtende Libanezen, plus een aantal Palestijnen een de kaarten van de naar schatting 30.000 Israëlische landmijnen die delen het Zuiden van Libanon nog steeds onbegaanbaar maakten. Sterker nog: Nasrallah zelf gaf in een interview toe dat de Israëlische reactie hem had verrast en dat hij de ontvoeringsactie, die overigens al maanden was gepland, niet had uitgevoerd als hij geweten had dat Israël zo zou reageren.
Blijft over het feit dat Hizbollah bewapend was met grote aantallen raketten - een deterrent tegen de luchtaanvallen die Israël al jaren in Libanon met grote regelmaat ongestraft uitvoert? - en dat Hizbollah strijders in het verleden getraind zijn door Iran. Vraag: maakt dat van Hizbollah een vazal van Iran? Of van Syrië over welks grondgebied die raketten wellicht zijn geleverd? Rechtvaardigt het de steun van Amerika voor het recente optreden van Israël tegen deze ´terroristische beweging´? Het antwoord op deze vraag mag u zelf geven. Als u maar bedenkt dat Israël op grond van dezelfde logica kan worden aangemerkt als vazal van Washington.

Geen opmerkingen: