maandag 20 april 2009

Nederland krimpt, terwijl Europa groeit

Management Team, ...2000


Voor verkiezingen voor de Tweede Kamer komt het gros van de Nederlanders nog wel naar de stembus. Voor het Europese parlement gaat er echter niet meer dan één op de drie. Andersom zou logischer zijn. Wat wet- en regelgeving betreft, is Brussel al lang veel belangrijker dan Den Haag.

door Maarten Jan Hijmans

Eén van rare dingen van Europa is dat het, zoals dat heet, ‘zo weinig leeft’. Ooit is dat anders geweest. In de jaren vijftig en zestig, toen een gemeenschappelijk Europa nog helemaal van de grond moest komen en voornamelijk nog een hobby was van heren als Schumann en Monnet die graag wat verder keken dan de eigen grens, was het een ideaal. Er bestond een echte Europese fanclub. En hoewel het toen maar een paar landen betrof en ook niet verder ging dan een gemeenschappelijke markt voor kolen en staal, werden er debatten gehouden, was er een Europese Beweging die iets voorstelde en waren er mensen die een mooie toekomst predikten. Europeaan zijn stelde wat voor. Europeanen streefden - zo kort naar de oorlog - naar een situatie waarin de erfvijanden Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië die elkaar toch nog maar net weer bloedig naar het leven hadden gestaan, gezamenlijk zouden optrekken en samen zouden bouwen aan een nieuwe maatschappij .
Vooral bij Westduitsers was Europa in die jaren populair. Waarschijnlijk omdat zij er een manier in zagen om de Duitse nationaliteit, waar zij zo kort na de nazi-gruwelen moeilijk oprecht trots op konden zijn, in te kunnen inruilen voor iets beters en hogers. In een nummer van het glossy jongerenblad ‘Twen’ dat maar enkele nummers heeft bestaan, werd jonge Duitsers eens gevraagd naar hun kijk op Europa. Om het hardst verzekerde de ene na de andere Duitse twenner dat ‘Duitser zijn’ niet zoveel voor ze betekende, nee, maar ze waren wel ‘verdammt stolz Europäer zu sein’.
Van die trots op Europa is weinig over. En niet alleen in Duitsland waar het een generatie of wat later best nog wel goed gekomen is met het Duitse zelfgevoel. Eigenlijk is het overal een beetje hetzelfde. Echte idealistische Europeanen bestaan nauwelijks meer. Het hoeft misschien ook niet meer, want de utopie van toen is behoorlijk tastbaar geworden en sneller tot stand gekomen dan toen mogelijk werd geacht. Europa is intussen van zes naar 15 landen uitgebreid en zal er binnen afzienbare tijd waarschijnlijk wel zo’n 20 tellen. Waarschijnlijk hebben we er gewoon mee leren leven dat Brussel intussen een realiteit is, die niet meer is weg te denken. Al lang hoeft Europa niet meer stapje voor stapje via verdragen en bijeenkomsten van Europese leiders vorm te krijgen. Veeleer is het intussen een trein die volop op stoom is en in zijn loop niet meer is te stuiten.
En de vaart zit er behoorlijk in. Steeds meer terreinen die vroeger het exclusieve domein van de nationale regeringen waren, worden tijdens de rit meegesleurd. ‘Subsidiariteit’ (het principe dat Brussel alleen datgene regelde wat persé op een supranationaal niveau moest worden gedaan en de rest overliet aan de nationale regeringen) was ooit een bijna heilig begrip. Het bestaat ook nog steeds. Nog steeds kunnen regeringen van de lidstaten dingen tegenhouden omdat ze menen dat het beter plaatselijk kan worden gedaan. (Zoals Nederland dat net een programma voor het saneren van schulden van natuurlijke personen had gelanceerd, niet zo lang geleden een Europees initiatief op dat gebied tegenhield). Maar subsidiariteit of niet, de voortgang van Brussel heeft zo zijn eigen dynamiek. En in de loop van dat proces groeit de behoefte om steeds meer zaken op supranationaal niveau te ‘harmoniseren’.

Steeds meer
Volgens dr F.B. Lempers van het Brusselse bureau van de werkgeversorganisatie VNO-NCW komt ‘zo langzamerhand zo’n beetje alle wetgeving op het terrein van Brussel terecht’. En hij somt op: Alle regelgeving betreffende de interne markt en de vrije mededinging is voor ongeveer 100% in handen van Brussel (wat overigens te verwachten was). Landbouw en visserij is ook allemaal Brussel wat de klok slaat. Hetzelfde geldt natuurlijk voor het vrije verkeer van personen en goederen en het vreemdelingenrecht (Schengen). Maar het gaat verder: ook (de liberalisatie van) het energiebeleid is nagenoeg geheel een Brusselse zaak. Transportregelingen zijn voor driekwart een zaak van Europa. Wat betreft het milieu is het ongeveer de helft, maar het aandeel van de EU groeit. De regeling van consumentenzaken: eveneens grotendeels een Brusselse aangelegenheid. Regelingen betreffende internet en e-commerce zullen straks van de EU komen. Handelspolitiek (onderhandelingen met de World Trade Organization WTO): een zaak van de EU. Onderzoek en ontwikkeling is voor een groot deel EU. Intellectuele eigendom: er komt straks een regeling uit Brussel. En op de laatste Eurotop in Nice (2000) is ook nog eens coördinatie van het sociale beleid op de agenda gezet.
Zelfs het economische beleid van nationale regeringen blijft niet meer buiten schot. Met de invoering van de - nu nog virtuele - euro is een gemeenschappelijke aanpak op dat terrein een flinke stap dichterbij gebracht. Nu de lidstaten geen wisselkoersen meer kunnen hanteren en hun monetaire beleid hebben uitbesteed aan de Europese Bank, is het zaak dat op het gebied van de macro-economie zoveel mogelijk één lijn wordt gevolgd. Dat gebeurt, zoals het bij Economische Zaken heet, nu nog in een ‘open coördinatie’, waarbij op basis van vrijwilligheid de onderlinge performance wordt vergeleken en de neuzen zo goed mogelijk één en dezelfde kant op worden gezet. Maar straks wordt dat wellicht toch anders. Op termijn lijkt het onontkoombaar dat gestreefd zal worden naar één supranationaal beleid.
‘Steeds meer,’ zegt Lempers, ‘wordt een zaak van de EU. Uitzonderingen zijn natuurlijk nog onderwijs en cultuur. Ook infrastructuur, zeg maar het beleid van minister Netelenbos, is nog tot op grote hoogte een zaak van de nationale regering. Hetzelfde geldt voor belastingzaken, hoewel de EU zich daar ook steeds meer mee bezig gaat houden voorzover tarieven de vrije mededinging kunnen beïnvloeden. Arbeidsrecht en sociale verzekeringen zijn in ieder geval tot op dit moment eveneens nog een nationale zaak. Maar als je kijkt naar het Nederlandse parlement, dan kun je hoe dan ook vaststellen dat het de laatste vijftien jaar aanzienlijk aan invloed heeft ingeboet. Er zijn steeds meer terreinen gekomen waarop het alleen nog maar indirect enige invloed kan uitoefenen. Natuurlijk is het zo dat Brusselse voorstellen aan de Kamer worden voorgelegd en met de betreffende vakminister doorgenomen, voordat deze in de Europese ministerraad een standpunt inneemt en daar besluiten worden genomen. Maar als zo’n besluit eenmaal genomen is, dan houdt de bemoeienis van de Kamer toch praktisch op.’

Haagse kringen, in dit geval ambtenaren van het ministerie van buitenlandse zaken die niet met name willen worden genoemd, zijn het natuurlijk met deze visie niet helemaal eens. Immers, met de grote lijnen kan Nederland en het Nederlandse parlement zich natuurlijk altijd nog bemoeien. En ook kan je zeggen dat Nederland zich bij de overgang naar grotere liberalisatie, meer marktwerking, een kleiner aandeel voor de overheid en vrijere mededinging, niet alleen maar door Brussel heeft laten meevoeren. Het heeft zelf een geheel eigen opschoningsoperatie op touw gezet in het kader van de interdepartementale aanpak ‘Deregulering, Marktwerking en Wetgevingskwaliteit (MDW), die voor een heel eigen Nederlandse wetgeving heeft gezorgd, waarin de EU-regels werden ingebed. En tenslotte - Haagse ambtenaren zijn er altijd als de kippen bij om daarop te wijzen - maakt Brussel geen wetten. Brussel vaardigt gewoonlijk n ‘richtlijnen’ uit. En die moeten weliswaar binnen een zekere termijn worden overgenomen (Brussel houdt tegenwoordig scoreborden bij om te zien wie dat niet tijdig doet - Portugal, Griekenland en Frankrijk zijn veelvuldig in overtreding) - maar hoe de richtlijnen worden ingevuld mag elke lidstaat zelf bepalen. Of dat gebeurt via een wet, afspraken met de industrie of door er allerlei zaken aan toe te voegen, het mag allemaal. Het laat de EU koud, zolang het maar gebeurt.

Non-discriminatie
Zo’n mogelijkheid aan variaties geeft nationale overheden en parlementen natuurlijk wat speelruimte om ook nog wat eigens te doen en niet alleen aan de hand van Brussel te marcheren. Maar die eigenheden kunnen weer aanleiding geven tot allerlei juridisch gedoe. Mr dr Axel Hagedorn kan erover meepraten. Hij is Duitser en werkt als Rechtsanwalt, en advocaat bij het Nederlands kantoor Van Diepen Van der Kroef, waar hij is gespecialiseerd in een internationale praktijk. Hagedorn citeert gevallen van mensen die in Duitsland hebben gewerkt en naar Nederland willen verhuizen met behoud van een WW-uitkering. Volgens de Europese richtlijnen en non-discriminatiebepalingen zou dat moeten kunnen. In de praktijk echter stuit het meestal op praktische bezwaren die door onwil van autoriteiten moeilijk zijn aan te pakken. Ook mensen die in een warm EU-land van hun pensioen willen gaan genieten kunnen dergelijke problemen ontmoeten.
Volgens Hagedorn is het non-discriminatie beginsel door de vaak grote verscheidenheid van EU-wetten so wie so een punt dat voor veel geharrewar kan zorgen. Hij geeft het voorbeeld van een man die in Londen een vennootschap oprichtte, een zogenoemde Ltd., wat daar vrij simpel is, en de zetel ervan vervolgens naar Kopenhagen wilde verplaatsen. Dat stuitte op bezwaren van de Deense overheid, want onder het Deense vennootschapsrecht zijn de vestigingseisen zwaarder. Het Europese Hof van Justitie stelde de man echter in het gelijk. Wetgeving die in het ene land liberaal is, zou ook in een ander land moeten gelden, anders is van discriminatie sprake, meende het Hof in dit zogenoemde Centros-arrest. Voor ondernemers die werken met werknemers aan twee kanten van de grens is het eveneens zaak het non-discriminatiebeginsel voor ogen te houden, meent Hagedorn. Hij raadt hen aan zich er goed van te vergewissen hoe het recht aan beide kanten van de grens werkt. Welk recht is van toepassing? En bent u er zeker van dat werknemers in het ene land niet benadeeld worden ten opzichte van die in het andere? In dat geval zouden degenen die in het nadeel zijn in een conflictsituatie wel eens een ‘case’ kunnen hebben.
En dan zijn er de gevallen waarin een Europese richtlijn niet helemaal 100% in een nationale wet is terechtgekomen. Hagedon wijst op de Europese regel bij overnames, waarin wordt bepaald dat het personeel in zo'n geval mee gaat naar de nieuwe eigenaar. In de Nederlandse wet staat dat dit geldt voor alle mensen met een arbeidscontract. In de EU-richtlijn daarentegen heet het dat alle mensen met arbeidsovereenkomsten èn alle mensen met een arbeidsbetrekking mee gaan. De EU- richtlijn gaat dus verder, aldus Hagedorn. En hij zou zich kunnen voorstellen dat onder de EU-formulering niet alleen mensen met een vast contract en flexwerkers vallen, maar ook vaste oproepkrachten en zelfs freelancers. Potentieel ligt daar stof voor een rechtszaak, meent hij. Een freelancer die in Nederland bij een overname wordt gedumpt, zou het kunnen proberen. Tot slot kan Hagedon ook nog voorbeelden geven van problemen doordat EU-richtlijnen door verschillende lidstaten net iets anders worden geïnterpreteerd. Zo heeft hij niet lang geleden een zaak aan de hand gehad, waarbij een firma via een bepaalde constructie iets importeerde vanuit de Derde Wereld. In Nederland werd dat een legale constructie gevonden. De Duitse douane zag er echter een ontduiking van de regels in en begon een vervolging, compleet met invallen en inbeslagnames van de boekhouding. Totdat het Duitse openbaar ministerie tot inkeer kwam en na lang beraad besloot om de hele zaak toch maar te seponeren.

Klachtenbureau
Kortom, de uitdijende massa Europese wetgeving geeft - door de onvermijdelijke fouten die bij het opzetten van het bouwwerk worden begaan - de advocatuur en rechterlijke macht het nodige te doen. Een soort aanvullend bewijs hoe reëel de groei van Europa dus blijkbaar is. En niet alleen de advocatuur maakt kennis met slecht op elkaar aansluitende regels. Ook het ministerie van Economische Zaken heeft er mee te maken. Daar fungeert als aanhangsel van de directie Europese Integratie ook een Klachtenbureau, waar ondernemers zich kunnen melden als zij menen niet naar behoren, dat wil zeggen naar huidige Europese normen, te zijn behandeld. Het overgrote merendeel van de klachten heeft betrekking heeft op onnodige rompslomp, administratieve belemmeringen en gechicaneer voordat een product X zijn weg naar de consument kan vinden in land Y. Soms ook worden eisen aan een product gesteld die niet kunnen, omdat wat aan de specificaties voldoet in het ene land volgens het non-discriminatiebeginsel ook acceptabel moet zijn in het andere. Het Klachtenbureau van EZ stelt er een eer in dat via brieven, telefoontjes en desnoods het dreigen met procedures de zaken meestal worden opgelost. In andere lidstaten waar eveneens dergelijke bureaus bestaan, gaat het niet anders.
Het Europa van de praktijk verliest zo al doende langzamerhand wat van zijn scherpere kantjes, maar de Brusselse wetgevende machinerie stoomt intussen door. Op stapel staan, na de laatste top van Nice, onder meer het model van een ‘Europese vennootschap’, het ontwerp voor een ‘ Europees octrooi’ en het begin van een coördinatie van de sociale zekerheid in de aangesloten lidstaten.

Geen opmerkingen:

Shana Tova,

Wie het viert wens ik een goed joods Nieuwjaar 5781 toe met veel inhoud  // I wish everyone who celebrates it a good and meaningful Jewish N...