zaterdag 8 juni 2013

De ongewone gewoonheid van het dagelijkse leven

(Dit is een recensie van het boek Arabieren kijken van Hassnae Bouazza, die ik schreef voor het rond deze tijd verschenen nummer 1/2013 van het blad ZemZem).

Over Arabieren wordt al lang heel wat geschreven. Sinds de studie van het Arabisch in de 16e eeuw op gang kwam aan diverse Westerse universiteiten, kwamen er naast vertalingen van de Qur'an en Arabische grammatica's ook beschrijvingen van het leven van de mensen die die taal bezigden. In de 19e eeuw ging de romantiek een hoofdrol spelen in die beschrijvingen en kwam de nadruk te liggen op de zogenaamde Arabische zinnelijkheid - olala, de harem! Ongeveer in dezelfde tijd begon ook de Westerse kolonisatie van de Arabische landen die tot dan toe deel hadden uitgemaakt van het Ottomaanse rijk. En onder invloed van dit laatste werd 'de Arabier' meer en meer afgebeeld als een persoon die behalve zinnelijk ook omgeremd, irrationeel, wreed en niet echt in staat tot logisch denken was. Heel functioneel, want zo kon het Westen zijn overheersing rechtvaardigen als een soort christenplicht. Het was immers in het belang van deze lieden zelf dat zij door beschaafde en gedisciplineerde mensen werden geleid.
Een eeuw later zou Edward Said in zijn boek 'Oriëntalism' aangeven dat veel van deze grove, kolonialistische generalisaties van 'de' islam en 'de' Arabier niet waren verdwenen en dat er nog steeds geleerden waren ik noem even geen namen) die er in opmerkelijk algemene termen over schreven, om er vervolgens conclusies aan te verbinden over het onvermogen van die mensen daar om – bijvoorbeeld - ooit echt te democratiseren. Nuwelijks waren de wijze woorden van Said een beetje doorgedrongen en hadden de oriëntalisten hun lesje geleerd, of daar was alweer een nieuw probleem. De opkomst van Khomeiny, de Rushdi-affaire, Saddams verovering van Kuweit, de Tweede intifada, Nine Eleven – en niet te vergeten de immígratie van grote groepen mensen van over de Middellandse Zee, maakten dat we er op werden gewezen dat we een probleem hadden met 'de' islam. Dit keer waren het niet de oriëntalisten die voorop liepen om ons daarop te wijzen (op een ontspoorde enkeling na die Hans Jansen heet) maar populistische politici als Bolkestein, Fortuin en Wilders, daarbij geholpen door bekeerde ex-moslims als Hirsi Ali, of Wafa'a Sultan, en een legertje selfmade experts van het kaliber Daniel Pipes. En hele club islam-hatende, rechtse Israeli's natuurlijk, met van die betrouwbare watchdogclubjes als Memri, die in de slipstream meedreven en islamieten wisten af te schilderen als ongeremd wrede en irrationeel denkende types op een manier waar de oriëntalisten van een eeuw eerder nog een puntje aan hadden zuigen.
'Nine eleven' is intussen meer dan tien jaar geleden, maar de anti-Islam geluiden zijn nog steeds niet verstomd. Wel is er intussen een tegencultuurtje ontstaan, een soort anti-anti-islam, van mensen die zich boos maken over dit van-dik-hout-zaagt men planken gedoe. En tot die anti-anti-islam kunnen we ook vaak de kinderen rekenen van de immigranten van weleer, die intussen minimaal dertig zijn, vaak interessante beroepen hebben als journalist, advocaat of ondernemer en die van zich laten horen.
Hassnae Bouazza is zo'n immigrantenkind. Ze heeft in het verleden ooit succesvol en met ironie de onzin doorgeprikt die Hans Jansen verkondigde over de Qur'an. Ze kwam een paar maal in actie in het programma Pauw & Witteman. Daar bleef ze overeind bij suggestieve vragen over het vermeende terroristische karakter van Palestijnen en ook als tegenstandster van Rebecca Gomperts die op goed geluk met haar abortusboot naar Marokko was gevaren. Volgens Hassnae had ze zich van te voren moeten afvragen of dat de zaak van de Marokkaanse vrouwen die voor het recht op abortus opkomen niet meer schade zou berokkenen dan dat het hen zou helpen.
Hassnae, ook bekend van Vrij Nederland, de NRC of eventueel de columns die ze ooit schreef voor ZemZem, heeft nu een boek laten verschijnen. 'Arabieren kijken' is haar persoonlijke manier van naar Arabieren kijken. Dat heeft ze haar hele leven namelijk gedaan, van de tijd dat ze als kind met oudere familieleden meekeek naar Arabische soaps, en tegen haar zin Arabisch moest leren, tot de tijd van nu waarin ze zelf op de Arabische zenders series volgt. Veel van haar boek gaat eigenlijk over wat je life style zou kunnen noemen. Hassnae's manier van naar Arabieren kijken is, als ik het goed heb begrepen, vooral mee leven en laten zien dat Arabieren gewone mensen zijn met dezelfde voorkeuren, ondeugden en neigingen als mensen in het Westen, al is het dan in een andere omgeving en soms in een ander jasje. Haat, liefde, eerlijkheid, leugens, bedrog en overspel, het komt allemaal langs en zoveel verschilt het niet van wat hier gebeurt.Wat voor haar verhalen over soaps geldt, geldt ook voor muziek. Mede door de voorkeuren van oudere broers en zussen groeide ze op met Oum Koulthoum, Farid al-Atrash, Mohammed Abdel Wahab, Fairouz, of Cheb Khaled en van daar bleef ze luisteren naar meer hedendaagse sterren als Haifa Wehbe en een hele trits namen die mij niet veel zeggen, maar waarmee Hassnae laat zien dat er niet vreselijk veel verschil is tussen de Westerse verering van Dylan, de Stones en wie dan ook en de Midden-Oosterse cult van een even oneindige rij zangers en zangeressen.In haar opsommingen komen ook anderen langs, zoals de schrijver Naguib Mahfouz of de filmmaker Youssef Chahine, beiden Egyptenaren en beiden inmiddels overleden, die ze tijdens journalistieke uitstapjes ontmoette (Ze noemt Chahine de bekendste homo in de Arabische wereld. Volgens mij was dat Farouq Hosni, die meer dan 20 jaar Mubaraks minister was van Cultuur, maar vooruit). Wat ik als dit soort mensen voorbij komt een beetje mis, is ook wat meer uitweidingen over het soort boeken dat Mahfouz schreef of de films die Chahine maakte, of zijn grote tegenhanger Salah Abu Seif. Ook dat gaat over hoe mensen in de Arabische wereld voelen en denken. Maar vooruit, Hassnae gooit het meer op de wat minder culturele kanten van het leven en dat is zonder meer een verdedigbare keuze.
Maar intussen heeft haar boek toch ook weer de zwartkijkers en islamhaters niet kunnen overtuigen – of beter: zij hebben er weer elementen uit weten te halen die bewijzen dat het daar allemaal niet deugt. Neem bijvoorbeeld dit fragment uit een bespreking van Henk Müller van de Volkskrant, iemand die nota bene ooit islamologie heeft gestudeerd: 

Haar aanpak levert boeiende verhalen op, zeker waar ze haar eigen ervaringen als uitgangspunt neemt. Er blijkt sprake van sterk onderling racisme, corruptie, hypocrisie en een obsessieve gerichtheid op vrouwen. Maar, zo stelt Bouazza, Arabieren weten dat tenminste van zichzelf en verkeren niet in de veronderstelling dat ze perfect zijn. Haar centrale stelling is dat traditie en islam allesbepalend lijken, terwijl in werkelijkheid de bewoners uit traditie en islam halen wat ze uitkomt. ‘Of nu wel of iets niet mag volgens de letter van het geloof, mensen doen wat ze zelf willen.’
Zou het? Vrijwel haar hele boek wijst onbedoeld anders uit. Hoe vrijgevochten en zelfstandig je ook denkt te zijn, de traditie is onbarmhartig. Ook voor de vrijgevochten schrijfster. Dat blijkt uit het roerende verhaal over de dood en begrafenis van haar vader. Als hij op zijn verzoek in Marokko wordt begraven, mag zij er niet bij zijn. Ze is immers vrouw. Bouazza is eerst radeloos en dan woedend. Al snel merkt ze echter dat de meeste vrouwen haar verontwaardiging niet delen en die traditie als iets vanzelfsprekends zien. ‘Ik projecteerde mijn eigen ongenoegen op alle moslimvrouwen.’ Misschien geldt die projectie wel de hele Arabische wereld.’

Ik begrijp niet goed hoe mensen als Müller (en in Trouw was het al niet anders) in staat zijn dit soort conclusies uit Bouazza's boek te trekken. Waar Bouazza laat zien dat er een hoop 'gewone' mensen zijn in de Arabische wereld die net als zijzelf soms botsen met meer conservatieve gebruiken of opvattingen, verbinden de Müllers van deze wereld daar meteen oriëntalistische conclusies aan. Misschien is dat ook een vorm van projectie, maar dan de hunne. Blijkbaar màg het daar allemaal niet deugen. Eigenlijk is dat soort onbegrip ook wel een beetje vermakelijk, want wat Hassnae juist laat zien, is dat er – zoals ook de recente Arabische opstanden aantonen – veel hoop is voor de toekomst. Afgezien daarvan is het boek natuurlijk ook gewoon leuk om te lezen.

Geen opmerkingen: