dinsdag 16 februari 2010

Hoe het Simon Wiesenthal Centre bezig is met het bouwen van een Museum van de Schande

 De Ma'man Allah (Mamilla) begraafplaats met graftombes uit de 19e eeuw.

Joden kennen het principe dat hun begraafplaatsen niet mogen worden geruimd. Dat heeft te maken met het geloof in de wederopstanding. In de profetie van Yeshayahu (Jesaja) wordt voorspeld hoe, als  de Mashiah (Messias) komt de botten zich weer aaneen zullen voegen en  met vlees worden bekleed, zodat de doden kunnen herrijzen.
Islamieten kennen een soortgelijk principe: ook hun begraafplaatsen mogen nooit en te nimmer worden geruimd.
Juist door deze overeenkomst tussen de religies is het volgende verhaal zo pijnlijk. Het gaat om de islamitische Mamilla (Ma'aman Allah) begraafplaats in Jeruzalem, waarop  het Simon Wiesenthal Center uit Los Angeles twee gebouwen wil neerzetten, een Museum van de Tolerantie en een Museum van de Menselijke Waardigheid. De eerste steen voor het project werd gelegd in 2004 door de gouverneur van Californië, Arnold Schwarzenegger in het bijzijn van de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Israël, Daniel Kurtzer.
 
Tombe van de 12e eeuwse Mammelukse heerser Al-Qabki.

De Mamilla begraafplaats is ongeveer 1000 jaren oud en dus één van de oudste ter wereld. De begraafplaats ligt net even buiten de antieke stadsmuren van de Oude Stad (hij wordt begrensd door de King George- Agron-; Hillel- en Menashe ben Israel Straten)  en gaat terug tot de tijd van Salah ed-Din el Ayyubi (Saladin), de man die de kruisvaarders uit Palestina verdreef (en - maar dat terzijde - de Joden toestemming gaf terug te keren naar Jeruzalem). (sommigen neem zelfs aan dat de plek nog ouder is, en dat er strijders begraven liggen van de allereerste moslim-veroveraars die Jeruzalem innamen in 640). Uit de tijd van Saladin ligge er dignitarissen en ministers. Sommigen van hen waren voorzaten van families die nu nog in Jeruzalem voorkomen. Vele duizenden bewoners van Jeruzalem na hen, waaronder leden van families die tot op de huidige dag een rol spelen in Jeruzalem; zoals de Husseini's, de Nashashibi's, de Dajani's, de Khalidi's  of de Nusseibehs, volgden hen.
 
Leden van de waqf en de moslimgemeenschap inspecteren in 1967 de vernielingen die Israël heeft aangericht bij het aanleggen van een parkeerplaats en verzamelen botten die bij de graafwerkzaamheden zijn achtergebleven.

 
De in een park veranderde Mamilla begraafplaats.
 
De begraafplaats viel onder de verantwoordelijkheid van de Waqf (islamitische beheersstichting) die ook de Haram al-Sharif  (Tempelberg) beheert, maar viel bij de verdeling van Jeruzalem in 1948 in Joodse handen en werd toen tot zogenaamde 'absentee property' verklaard. Een gedeelte van de begraafplaats aan de kant van de Hillel Straat werd in 1967 geasfalteerd en tot parkeerplaats gemaakt, terwijl er ook een parkeergarage werd aangelegd. Tevergeefs deed de Waqf in 1967, na de verovering van Oost-Jeruzalem door Israël, het verzoek het beheer over de begraafplaats weer te mogen overnemen. Een jaar later werd nog een veel groter gedeelte van de begraafplaats - iets meer dan 50%, overwegend aan de kant van de King George Straat  - omgetoverd in een park, dat ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van Israël de naam 'Onafhankelijkheidspark (Gan Ha'atsmaut) kreeg. De nog aanwezige grafstenen en resten van grafstenen op dat gedeelte werden bij die gelegenheid verwijderd en het aanzien van een begraafplaats verdween volledig onder het park.
 
Graven met op de achtergrond het hek rond de bouwplaats van de nieuwe musea. 

En inmiddels is zich dus weer een nieuwe bedreiging aan het voltrekken: de bouw van de twee musea door het Wiesenthal Centre. Het Centrum heeft daarvoor van de Israëlische regering het gedeelte gekregen dat al jaren in gebruik is als parkeerplaats, plus nog wat erbij. Belangrijke Jeruzalemmers en de moslimautoriteiten hebben daartegen bezwaar gemaakt bij het Israëlische hooggerechtshof, maar dat werd in 2007 ongegrond verklaard. In de Los Angeles Times van 12 februari is in een stuk van rabbijn Marvin Hier, de directeur van het Wiesenthal Centrum, te lezen wat de overwegingen waren van het Hof. Die komen in grote trekken hierop neer:  1) Het parkeerplaatsgedeelte was al meer dan 50 jaar niet meer als begraafplaats in gebruik en niemand had daar ooit bezwaar tegen gemaakt; 2) de Israëlische Archeologische Dienst had een 250-tal resten van lichamen opgegraven en herbegraven en 2) een islamitische imam had de begraafplaats ooit 'mundras' verklaard, wat zo veel wil zeggen als 'in onbruik en niet langer geheiligd'.
Een groot aantal nazaten van mensen en families die op de begraafplaats begraven liggen heeft daarop - gesteund door een aantal mensenrechtenorganisaties een petitie opgesteld. De petitie is - omdat in Israël geen recht meer te verkrijgen was - gericht aan de Unesco en diverse andere organisaties van de VN. Onder meer de volgende punten worden erin naar voren gebracht: 1) de Palestijnen in Israël konden tot 1966 geen bezwaar maken tegen de onteigening van de begraafplaats, want de Arabische bevolking van Israël leefde tot 1966 onder militair bestuur, 2) opeenvolgende Israëlische regeringen en instanties hebben in de jaren voor 1967 steeds aangevoerd dat de begraafplaats een belangrijk cultureel erfgoed vertegenwoordigde en daarom in stand zou worden gehouden. Die beloftes werden vervolgens gebroken; 3) het verzoek van de Waqf uit 1967 om weer het beheer over de begraafplaats te mogen overnemen, werd afgewezen, 4) het besluit om de begraafplaast 'mundras' te verklaren was onwettig en was uitgevaardigd door een imam in Israëlische dienst uit Jaffa, die een jaar later wegens fraude werd veroordeeld. De islamitische rechtbank van Jeruzalem heeft dit besluit nietig verklaard. Er is namelijk geen enkele mogelijkheid onder islamitisch recht om een begraafplaats die lang in gebruik is geweest als 'mundras' te bestempelen. Zo'n begraafplaats blijft altijd geheiligd (zoals dat ook met joodse begraafplaatsen het geval is);  5) De Israëlische Archeologische Dienst heeft 250 lichamen opgegraven zonder dat daar - volgens de regels - islamitische geestelijken bij aanwezig waren, niemand weet ook of, en zo ja waar, ze zijn herbegraven  Maar wat erger is: de Israëlische Archeologische Dienst had vastgesteld dat er nog minstens 200 lichamen zijn achtergebleven en dat  in vier diepere lagen zich vermoedelijk nog ten minste 2000 andere graven bevinden op dit deel van het terrein. Het rapport van de desbetreffende archeoloog, Gideon Suleimani, is niet aan het hooggerechtshof meegestuurd, zoals Suleimani zelf in een stuk dat bij de petitie is gevoegd, verklaart.
Begraafplaats die parkeerplaats is geworden. Hier komt een deel van het Museum van de Schande.


Er stijgt een bijna  onvoorstelbaar racistische denkwereld op uit dit verhaal. Wie zich realiseert dat elke opgraving in Israël onmiddellijk wordt stilgelegd als er een maar een middenvoetsbeentje of vingerkootje wordt gevonden dat wellicht aan een Jood heeft toebehoord, weet wat ik bedoel. En hoeveel boosheid  klonk er niet door in de verhalen, destijds van de Joodse kant,  over het feit dat het leger van Jordanië Joodse grafstenen van de Olijfberg zou hebben gebruikt om er wegen en latrines van te maken? Hoeveel moeite heeft Israël zich niet getroost om Egypte, eind jaren '80 toen ik er correspondent was, via rechtstreekse en indirecte (Amerikaanse) diplomatieke druk van te weerhouden een geplande vierbaans rondweg om Cairo deels over de uitgestrekte Joodse begraafplaatsen van Cairo te laten lopen?
Als het Wiesenthal Center en rabbijn Marvin Hier hun zin krijgen - en dat zal wel gebeuren - dan wordt dat museum dus helemaal geen museum van de Tolerantie, maar van de Intolerantie, de Schande en de Menselijke Onwaardigheid. Zoals trouwens ook het 'Onafhankelijkheidspark' wat mij betreft mag worden hernoemd tot  'Nationaal monument  van het Israëlische racisme'.

.P.S:  1) Het is ook tekenend dat zich bij de organisaties die de opstellers van de petitie steunen niet één Joods-Israëlische organisatie bevindt, behalve de organisatie Zochrot (Herinneringen). Maar dit piepkleine clubje stelt zich dan ook tot doel de herinnering aan de Nakba levend te houden. Op grond van hun filosofie die ik deel, dat ware verzoening met de Palestijnen uiteindelijk alleen mogelijk zal zijn als de Israëli's zich bewust worden van het onrecht dat zij jegens de Palestijnen hebben bedreven.
P.S.  2) Israël heeft een wet op de Bescherming van Heilige Plaatsen. Daar staan 137 plaatsen en monumenten op. Het Amerikaanse State Department constateerde in zijn rapport uit 2009 over Internationale Interreligieuze vrijheid dat er geen enkel christelijk of islamitisch monument tot deze 137 behoort.   

Geen opmerkingen: