woensdag 18 september 2019

Haagse rechters oordelen over aansprakelijkheid Israelische generaals voor oorlogsmisdaden

Op 9 juli 2014 gebombardeerd huis in Khan Yunis. Foto B'tselem. (Dit is een ander huis dan dat van Ismail Ziada)

door Jaap Hamburger
Voor de Rechtbank in Den Haag, diende 17 september - door een bizar toeval de dag van de Israëlische verkiezingen - de zaak van de Nederlandse Palestijn Ismaïl Ziada tegen twee voormalige Israëlische generaals Benny Gantz, stafchef IDF in 2014 en Amir Eshel, in datzelfde jaar de commandant van de IAF, de luchtmacht. Om meteen een misverstand uit de wereld te helpen: er is geen sprake van dat deze generaals hier ooit voor een rechter zullen verschijnen en dat hun oorlogsmisdaden ten laste zouden worden gelegd; het betreft hier geen strafzaak, maar een zogeheten ‘civiele procedure’. De Volkskrant werkte dit en andere misverstanden in de hand door on-line te berichten dat ‘Benny Gantz  …mogelijk in Nederland terecht moet staan voor ‘oorlogsmisdaden’ in de Gazaoorlog van 2014’ en ‘dat de rechtbank zich buigt over het verzoek de zaak inhoudelijk te behandelen’.
De juiste en volledige formulering had behoren te luiden: “De meervoudige Kamer (drie rechters) van de Rechtbank in Den Haag hoorde de eis aan van de Nederlandse advocaten van Gantz en Eshel om zich onbevoegd te verklaren te oordelen terzake van een door Ziada eerder ingediend verzoek.
Ziada verzocht de Rechtbank om te oordelen over zijn eis Gantz en Eshel aansprakelijk te stellen voor de materiële en immateriële schade die hij geleden heeft, door de dood van zes familieleden bij een bombardement door de Israëlische luchtmacht van zijn ouderlijk huis in Gaza in 2014 tijdens de militaire actie ‘Protective Edge’, en hen een schadevergoeding op te leggen.” Zes  familieleden: zijn bejaarde moeder, drie broers, een schoonzusje en een neefje. Zij lagen te slapen toen de bommen uiteenspatten.
Het juridische betoog van Gantz en Eshel teruggebracht tot gewone mensentaal: hun advocaten betoogden dat Ziada zich met zijn eis tot aansprakelijkheid+schadevergoeding tot de Israëlische rechter had behoren te wenden, en niet tot de Nederlandse. ‘Het Israëlische recht en het Israëlische juridische systeem’, zeiden de advocaten, ‘bieden toegang en staan open voor klachten en eisen van Palestijnen uit Gaza en zijn in staat daar onbevooroordeeld en onafhankelijk over te oordelen’.
De twist doet mij, als ik het goed zie, het meeste denken aan de geschillen in een ingewikkelde onderafdeling van het privaatrecht, het zogenaamde Internationaal Privaatrecht (IPR). Kernvragen in dit rechtsonderdeel zijn: in welk land huist de bevoegde rechterlijke macht, en krachtens welk recht moet geoordeeld worden?
Om een voorbeeld te geven van het soort kwesties dat daar aan de orde van de dag is: Fransman en Engelse vrouw zijn getrouwd in Duitsland, wonen in Spanje en hebben gezamenlijk onroerend goed in Polen. Zij gaan scheiden en eisen beide het bezit in Polen op. Waar huist de rechtbank die vonnis moet wijzen, en welk recht moet deze rechtbank toepassen op de scheiding en de verdeling van het bezit?

Open mond
Wie enige weet heeft van de obstakels die aan Palestijnse levens worden opgelegd, van voor de geboorte tot na de dood, in het bijzonder in Gaza, kon alleen maar met open mond van verbijstering luisteren naar het betoog van de twee advocaten van Gantz en Eshel. Dat betoog was lang, hoogst juridisch-technisch en stond bol van lastige leerstukken en verwijzingen naar geleerde artikelen, maar de kern was duidelijk, ook voor de juridische leek: Ziada moet afreizen naar Israël, daar zijn verzoeken tot aansprakelijkstelling en schadevergoeding bij de rechtbank indienen, en dan zal er in alle objectiviteit en onafhankelijkheid door de Israëlische rechter geoordeeld worden. Israël is immers een rechtsstaat met een modern ontwikkeld rechtssysteem dat veel professionele waardering in Nederland geniet?! Voor een Nederlandse rechter is hier geen enkele rol weggelegd, die kan gemist worden als kiespijn en dient zichzelf daarom in deze zaak onbevoegd te verklaren.
Niet vaak hoorde ik zoveel woorden spreken, waarvan er geen een diende om iets te verduidelijken, maar die slechts bijeen geplaatst en van een geleerd randje voorzien waren, om de rauwe, cynische, mensonterende en diep onrechtvaardige werkelijkheid van leven en sterven in Gaza te verhullen. Of de drie rechters net zo zullen oordelen, we zullen het op 29 januari 2020 vernemen.
Pas als zij zich bevoegd zouden verklaren, kan een eerste begin worden gemaakt met de procedure van aansprakelijkheidsstelling, waarvan de uitslag lang op zich zal laten wachten, en hoogst ongewis is. Maar één ding is gisteren 17 september wel bereikt: een dappere Palestijn heeft zich, met hulp van familie, vrienden en advocaten niet uit het veld laten slaan, maar de handschoen opgepakt. Alom, van de New York Times en Al Jazeera, tot Reuters en Le Monde werd er gisteren bericht over deze zaak. Die aandacht is een vorm van genoegdoening, een eerste – flinterdunne - pleister op het trauma van verlies van zes familieleden.
‘Ik voel mij als David tegenover Goliath’, sprak Ziada in zijn inleidende verklaring. Wij weten hoe dat gevecht ooit is afgelopen!

Geen opmerkingen: