dinsdag 4 augustus 2009

Hamas, een bruikbare onderhandelingspartner, oftewel hoe fout het is om te denken dat er niet met ze te praten valt

Het is verbazend te zien hoezeer de geschiedenis van Hamas een kopie is van de geschiedenis van de PLO. Ali Abunimah van The Electronic Intifada citeerde onlangs een voordracht die de Palestijnse politicoloog Tamim Barghouti in april 2009 gaf op de universiteit van Georgetown. In die voordracht wees Barghouti erop dat de PLO destijds de keuze had tussen erkenning (van Israel) of legitimiteit (bij haar achterban) en dat de oude garde van de PLO uiteindelijk koos voor erkenning. Dat leidde ertoe dat de PLO op termijn haar legitimiteit kwijtraakte, wat op zijn beurt de weg vrijmaakte voor Hamas om op het toneel te verschijnen.
Intussen zijn we 20 jaar verder en wordt Hamas met hetzelfde dilemma geconfronteerd als destijds de PLO. Net als destijds van de PLO werd geëist dat zij eerst Israël erkende voordat zij mee mocht onderhandelen, eisen de Verenigde Staten, de Europese Unie en Rusland (het Kwartet) nu van Hamas dat zij haar principes opgeeft om als gesprekspartner bij vredesonderhandelingen te worden geaccepteerd. Als Hamas dat zou doen, zou zij echter net als de Palestijnse Autoriteit haar raison d'être als bevrijdingsbeweging kwijtraken.
Het is interessant om te zien hoe Hamas met dit dilemma omgaat en probeert legitimiteit en erkenning met elkaar te verzoenen. Ik geef twee voorbeelden aan de behandeling waarvan ik door de vakantie niet eerder toekwam. Eén is een belangrijk rapport van het United States Institute of Peace (www.usip.org) dat in juni 2009 verscheen, het andere een lange rede die Khaled Meshal, hoofd van het politburo van Hamas hield op 25 juni in Damascus, als antwoord op de rede die president Obama op 4 juni hield in Cairo.

I) Eerst de rede van Meshal:
Meshal was er duidelijk op uit nog eens duidelijk te maken dat Hamas bereid en voorbereid is om op pragmatische wijze aan het vredesproces deel te nemen, maar dat zonder haar principes op te geven. Hij juichte Obama's 'verandering van toon' toe, maar stelde dat meer nodig was, namelijk een verandering van politiek. Als voorbeelden noemde hij het opheffen van de blokkade van Gaza, en het beëindigen van de repressie op de Westoever. Ook zou de Palestijnse verzoening haar beloop moeten krijgen zonder druk of inmenging van buitenaf. Meshal verwees daarbij naar de 'onderdrukkende maatregelen' van de Palestijnse Autoriteit en de samenwerking met de Amerikaanse generaal Dayton (zie ook mijn eerdere stukje over deze generaal). De samenwerking van de troepen van de PA met de VS en Israël noemde Meshal het grootste struikelblok voor de gesprekken in Cairo die mikken op inter-Palestijnse verzoening.
Als echter Amerika en de internationale gemeenschap hun oprechte wil zouden laten blijken om de bezetting en de onderdrukking van de Palestijnen te beëindigen en hen de kans te geven op verwezenlijking van hun recht op zelfbeschikking, dan zouden Hamas en 'alle Palestijnse krachten' bereid zijn mee te werken. Meshal noemde Obama's nieuwe taal jegens Hamas een eerste stap in de richting van een dialoog. Maar die dialoog zou dan wel gebaseerd moeten zijn op het feit dat Hamas een democratisch bevestigd mandaat heeft en niet onderworpen moeten zijn aan eisen zoals het Kwartet die van tevoren heeft gesteld: namelijk dat Hamas Israël erkent, en afziet van geweld en het Recht op Terugkeer'.
Meshal herbevestigde eerdere uitspaken van Hamas dat het bereid is als minimum een soevereine Palestijnse staat te aanvaarden op basis van de grenzen van 4 juni 1967 met Jeruzalem als hoofdstad, na de volledige terugtrekking van de 'bezettingstroepen' en de ontmanteling van alle nederzettingen. Een gedemilitariseerde Palestijnse staat zoals verwoord door Netanyahu wees hij als van de hand als een 'deformed entity' die het Palestijnse volk onwaardig was. Ook waarschuwde hij ervoor dat het fout zou zijn Israel te erkennnen als 'Joodse staat', omdat dit het schrappen van het Recht op terugkeer van zes miljoen vluchtelingen zou inhouden en de 'verdrijving' van de Palestijnse inwoners uit 'de gebieden van 1948'. Hij stelde dat het Recht op terugkeer een individueel recht van alle vluchtelingen is, dat geen leider of onderhandelaar teniet kan doen of veranderen. Verder verdedigde hij het gebruik van geweld als een recht van de Palestijnen vergelijkbaar met het verzet van Europeanen tegen de nazi-bezetting, de Amerikanen tegen het Britse bestuur, of de Vietnamese en Afrikaanse anti-koloniale opstanden. Geweldloos verzet noemde hij een middel dat van pas kwam bij een strijd om burgerrechten. Verzet tegen een bezetting was echter van een andere orde. Meshal waarschuwde ook expliciet tegen meegaan met Westerse voorwaarden vooraf. Sinds de PLO in 1993 Israël erkende, geweld opgaf en de Oslo-akkoorden ondertekende was de bezetting en de onderdrukking erger geworden en het aantal nederzettingen en Palestijnse gevangenen gegroeid. En, zei Meshal, de voorwaarden zijn eindeloos. Zodra een Palestijnse onderhandelaar ergens mee akkoord gaat worden er nieuwe eisen gesteld. Eerst ging het erom Israël te erkennen, nu gaat het om het erkennen van Israëls Joodse karakter. Vervolgens gaat het om het erkennen van Jeruzalem als Israëls eeuwige hoofdstad, het opgeven van het Recht op Terugkeer of het aanvaarden dat nederzettigenblokken gehandhaafd blijven. En daarna moeten de Palestijnen niet alleen hun verzet opgeven, maar er zelf aan gaan werken dat het verzet wordt vervolgd en ontwapend, aldus Meshal, verwijzend naar het trainingsprogram van de veiligheidstroepen van de PA onder leiding van de Amerikaanse generaal Dayton.


II) Het USIP-rapport
Meshal's rede was een illustratie van het strategische denken van Hamas anno nu: enerzijds principes, anderzijds pragmatisme om aansluiting te kunnen vinden bij de praktische politieke realiteit. Het eerder genoemde rapport van het US Institute of Peace geeft een uitstekende uiteenzetting van de manier waarop dit denken van Hamas zich heeft ontwikkeld. De schrijvers zijn Paul Scham, een hoogleraar Joodse Studies aan de Universiteit van Maryland, en Osama Abu-Irshaid, schrijver van een proefschrift over Hamas aan de Britse Loughborough Universiteit en oprichter en hoofdredacteur van de Arabischtalige Amerikaanse krant Al-Meezan. In het rapport beschrijven zij hoe Hamas in zijn Handvest uitgaat van islamitische principes waarin Palestina geldt als een Waqf, een islamitisch erfgoed. Erkenning van Israël is niet compatibel met dit gegeven. Scham en Abu-Irshaid leggen echter uit hoe Hamas door de introductie van uit de islamitische jurisprudentie bekende begrippen als een tahadiyya (tijdelijk bestand, staakt-het-vuren) en hudna (langdurig bestand) toch een constructie heeft bedacht waarin coëxistentie met Israël mogelijk is zonder dat aan de islamitische grondslagen geweld wordt aangedaan.
Hamas, dat zichzelf niet alleen ziet als een islamitische beweging maar nadrukkelijk ook als een nationale Palestijnse beweging, besloot in 2006 deel te nemen aan de verkiezingen in de bezette gebieden. Om te kunnen functioneren in een wijder nationaal kader, dat van de PLO, breed-gedragen vredesonderhandelingen, of in dit geval een regering van nationale eenheid, kwam Hamas op 12 maart 2006 met een politiek program. De beweging sprak zich daarin uit voor een onafhankelijke staat met Jeruzalem als hoofdstad, het werken aan het beëindigen van de bezetting en de terugtrekking van de Israëlische troepen uit de gebieden die in 1967 waren bezet. Maar tevens introduceerde Hamas in dit program nog een derde, nieuw element om zichzelf meer politieke speelruimte te geven: namelijk dat van 'de Palestijnse legitimiteit' (waarbij die legitimiteit staat voor de democratisch uitgedrukte wil van de meerderheid). Zo stelde het program dat de erkenning van Israël 'niet een kwestie was die één enkele Palestijnse fractie aanging, maar een beslissing die genomen moest worden door ‘het hele Palestijnse volk waar het zich ook bevond'. Ook werd erin gesteld dat een regering met Hamas bereid was eerder aangegane akkoorden of internationale resoluties te beschouwen in samenhang met de vitale belangen van het Palestijnse volk.

In mei 2006 ging Hamas nog een stapje verder.door de aanvaarding van het zogenoemde 'Prisoners Document', een document opgesteld door gevangenen van diverse fracties in Israëlische gevangenissen (dat later door hun respectieve bewegingen, waaronder Hamas, werd aanvaard. In het Prisoners Document werd gesteld dat onderhandelingen over de nationale rechten van het Palestijnse volk gevoerd kunnen worden door de PLO of de PA en dat de resultaten later zullen worden voorgelegd aan hetzij een nieuw gekozen Palestijnse Nationale Raad (PLO-parlement), of onderworpen zullen worden aan een referendum onder de Palestijnen in Palestina en in ballingschap.
Kortom: sinds 2006 is Hamas klaar voor deelname aan een coalitie of een onderhandelingskader. En de uitgangspunten daarvan zijn sindsdien meerdere malen herhaald. Zo kreeg Jimmy Carter in april 2008 in Damascus de verzekering dat Hamas het zou accepteren als president Abbas erin zou slagen een akkoord met Israël te bereiken, mits dit akkoord onder internationaal toezicht aan een referendum zou worden onderworpen. En zo verklaarde Khaled Meshal ook op 4 mei tegenover de New York Times dat Hamas bereid was tot een staat binnen de 'grenzen van 1967 en een wapenstilstand voor een 'lange termijn' en gaf hij aan dat Hamas beoordeeld moest worden op zijn politieke program en niet op zijn Handvest.
En dan was er dus ook Meshal's rede van 25 juni .....

Geen opmerkingen: