dinsdag 30 september 2014

Wouter Gortzak: de hoofdredacteur die me ontsloeg

Wouter Gortzak (1982)
Gortzak in 1982 (Wikipedia)
Ik ben twee keer ontslagen in mijn leven. Een keer was terecht. Ik was 18, werkte als een soort vakantiehulp bij Uitgeverij Querido, en kwam - doordat ik heel vroeg op moest - ik moest vanuit Wassenaar via Den Haag  naar Amsterdam reizen - steeds te laat. Toen  ik ook nog een archiefstuk kwijtraakte was de maat vol.
De tweede keer was onterecht. Het was in 1982 en ik werkte toen bij Het Parool. Maar het ontslag duurde maar heel kort, ik denk dat ik minder dan een minuut ontslagen ben geweest.
Ik moest er weer aan denken toen ik las dat Wouter Gortzak (83) was overleden. Wouter leerde ik kennen  toen hij in 1981 de hoofdredacteur werd van Het Parool. Hij kwam er binnen onder protesten van een groep mensen die vreesden dat hij de traditionele pro-Israel koers van de krant zou aantasten. Hij had immers, voor hij directeur werd van de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijk instituut van de PvdA, bij de Groene Amsterdammer gewerkt en daar scherp kritische stukken over Israel geschreven. Hij had het land een ''onding'' genoemd als ik me goed herinner. Hij had daarom de nodig moeite om dat recht te praten bij zijn aantreden als hoofdredacteur.
Ikzelf werkte toen net een kleine twee jaar bij Het Parool als buitenlandredacteur. Ik had er al een zekere naam opgebouwd als iemand die kritisch tegenover Israel stond. Ik had kritische reportages geschreven over de Israelische verkiezingen van 1981.Ik berichtte als één van de eersten - misschien wel als dé eerste in Nederland  - over Israels nederzettingenprogramma, in samenwerking met een bevriende collega van de Israelische krant Haaretz. En  ik had niet alleen met de Israeli's contact, maar praatte - en dat in de voormalige verzetskrant! - ook regelmatig met mensen van de PLO. Het had misschien voor de hand gelegen dat Wouter me als een soort medestander zou hebben omarmd, maar gezien de trammelant bij zijn aantreden, nam hij toch voorzichtig een beetje afstand. Eigenlijk ook wel weer logisch als je erover nadenkt.  
En toen brak, toen hij nog maar net bezig was, in 1982  de oorlog in Libanon uit. Israel viel het kleine buurland binnen en zaaide er tot ontzetting van velen een spoor van vernieling en dood. Ik werkte me uit de naad om het nieuws bij te houden. en al snel was er tijdens redactievergaderingen de vraag: moet de krant geen verslaggever sturen? Gortzak wikte en besloot  - zonder overleg met wie dan ook - dat politieverslaggever Bert Bommels moest gaan. Tegen mij zei hij, nog voor ik een woord van kritiek of teleurstelling had kunnen laten horen: ''Jij hebt te weinig ervaring. Je bent te academisch, je denkt te lang na voordat je een stuk schrijft. Bert heeft al wat op papier voordat hij de vliegtuigtrap afdaalt, bij wijze van spreken.'' En voordat ik had kunnen zeggen dat ik nu juist dat aspect vreesde -  snelle verhalen zonder veel context of diepgang, zei hij: ''Maar die oorlog gaat nog wel even duren en jij mag later naar Libanon - na Bert. Ik denk dat hij na een week of twee drie wel moet worden afgelost.''
En inderdaad, Bert kwam na een week of drie doodmoe terug. Wouter riep me bij zich, maar tot mijn verwondering begon hij er toen over dat er intussen  in Tel Aviv tegen de oorlog werd gedemonstreerd. ''Ik wil dat je naar Israel gaat.,'' zei hij. ''Daar gebeurt nu van alles.''  Ik vertelde hem dat het kleine groepjes waren die demonstreerden en dat het voor het verloop van de oorlog niets zou uitmaken. Maar hij hield voet bij stuk: ''Nee, je gaat naar Israel of je gaat niet, daarmee uit.''
Ik voelde het bloed naar mijn gezicht stromen en werd kwaad. ''Kijk, ik dacht dat ik naar Libanon zou gaan en verslag zou doen van het verloop van de oorlog daar. Ik had al een vakantie gepland, maar die heb ik er voor uitgesteld. Maar als je me naar Israel stuurt, dan kom ik daar op terug. In Libanon gebeurt het en ik vind Israel op dit moment totaal oninteressant. Ik wil er niet op uitgestuurd worden om grote verhalen te schrijven over iets dat eigenlijk niets is. Dus dan neem ik nu gewoon mijn vakantie op.''
Wouter keek me een seconde verbijsterd aan en riep toen razend: ''Je bent ontslagen.'' Een heel kort moment was het daarna stil, maar voordat ik iets had kunnen zeggen (of wat bijna gebeurde, in lachen had kunnen uitbarsten door de absurditeit van de situatie), riep hij haastig: ''Nou ja, dat neem ik terug.'' Het was een moment dat ons allebei een beetje van ons stuk bracht. Wat onhandig, bedeesd en lacherig werkten we daarna een compromis uit: Ik zou eerst met vakantie gaan en daarna naar Israel, vanwaar ik een paar keer zou proberen op en neer naar Libanon te gaan.
Het was vanuit journalistiek oogpunt een gouden beslissing, maar dat bleek pas achteraf. Op deze manier werd ik getuige van een paar van de meest dramatische ontwikkelingen in de oorlog,. Ik was in Israel toen de Libanese presidentskandidaat Bashir Gemayel, met wie de Israelische Likud-regering  het op een akkoordje had gegooid en met wie het had gehoopt een vredesakkoord te sluiten, werd opgeblazen met zijn entourage. Ik kon naar Libanon kort nadat de Israelische minister van Defensie Sharon vervolgens alle eerder gemaakte afspraken aan zijn laars lapte en als reactie op de dood van Gemayel alsnog West-Beiroet bezette. En ik stond al op een lijstje om opnieuw naar Beiroet te gaan, toen in Israel de eerste beelden via de televisie doorkwamen van de moordpartijen die de christelijke milities van de vermoorde Gemayel in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Chatila aanrichtten, nadat ze daar door de Israeli's op waren losgelaten.
Het was niet de leukste reportage van mijn leven (ik droom nog steeds van tijd tot tijd van de stapels lijken die ik daar zag), en het had zeker invloed op mijn kijk op het Israelisch-Palestijnse conflict, misschien wel een beslissende invloed.
De moordpartij van Sabra en Chatila werd gevolgd door de grootste demonstratie die Israel ooit heeft gezien - 400.000 mensen op de been - zodat Gortzak als het ware achteraf toch nog gelijk kreeg met zijn demonstraties in Israel. Ik was daar niet niet meer bij, maar dat was ook niet echt meer nodig. De persbureaus leverden stromen kopij en commentaren.
Na die demonstratie kwam er een Israelische onderzoekscommissie, die, als we het objectief bekijken, vooral een  witwasoperatie was. Israel stond rondom de kampen, lichtte de christen-militie 's nachts bij, stuurde vluchtende Palestijnen terug om te worden vermoord en leverde bulldozers om de lijken op te ruimen,  maar de commissie-Kahane, zoals de onderzoekscommissie heette, stelde vast dat Israel alleen ''indirect'' schuld had, omdat de christenen  uiteindelijk de trekker overhaalden of  de messen en bijlen hanteerden. Wouter, en dat zal ik nooit vergeten, schreef een commentaar, waarin hij Israel wel tot drie keer toe uitbundig prees voor de wijze waarop de commissie haar werk had gedaan en hoe in Israel fouten werden gecorrigeerd en afgestraft. Daar was uiteraard heel wat op af te dingen geweest, maar blijkbaar had hij nog steeds het gevoel dat hij de Parool-curatoren en -lezers moest bewijzen dat zijn stukken in de Groene een jeugdzonde waren geweest.
Maar ik moet er meteen bij vertellen dat het voor een deel misschien ook wel een tijdsbeeld was. Ikzelf stond in Beiroet op een gegeven moment op een plek - op het dak van de ambassade van Kuweit - die twee dagen eerder nog een Israelische uitkijkpost was geweest, en beschreef dat ik vandaar duidelijk drie dode paarden, een aantal dode honden, flink wat dode kippen en enkele tientallen nog niet opgeruimde dode mensen zag liggen. ''Hoe kunnen ze dat in godsnaam niet hebben gezien?'' schreef ik, in de volle wetenschap dat dat volstrekte onzin was. Blijkbaar kon toen in een Nederlandse krant nog niet gewoon worden gezegd dat de Israeli's van a tot z getuige waren geweest van de moorden in de kampen en drie dagen lang niet hadden ingegrepen. Het zou zo zeker als wat door een eindredacteur uit mijn stuk zijn geschrapt. En misschien kan het trouwens zelfs nu nog niet zo plompverloren worden gezegd in de officiële pers.
Wouter was geen ideale hoofdredacteur. Hij trad aan in een moeilijke periode waarin moest worden ingegrepen om Het Parool te redden van een vrij zekere ondergang. Maar hij deed dat op een manier die de krant ongeveer in één klap van een noodlijdend landelijk dagblad maakte tot een op rantsoen levend plaatselijk sufferdje. Hij was te impulsief en eigenwijs om het te doen met beleid en in overleg, en dus gaf hij op een achternamiddag in onderhandelingen met de hoofddirectie van de Perscombinatie, zoals de directie van Parool,. Volkskrant en Trouw toen heette, zo'n 700 pagina's op jaarbasis uit handen, dat wil zeggen wel zo'n twee à drie pagina's per dag. De hele redactie was woedend, want het betekende het onmiddellijk einde van een juist met veel moeite bevochten tweede buitenlandpagina en bovendien van een heel, net opgestart en veelbelovend kunstkatern. Maar er was niest meer aan te doen.
Verder ontbrandde er een soort stammenstrijd rond het door Gortzak ingevoerde woord 'Amsterdamisering' waarmee hij bedoelde dat de krant zich meer op Amsterdam moest terugtrekken en meer oog moest gaan krijgen voor de kleinste details van de plaatselijke politiek. Het leidde tot een uittocht van veel talentvolle journalisten die de beperkingen te veel werden. De vrijwel voltallige parlementsredactie - eigenlijk de beste van Nederland op dat moment - liep over naar de NRC. De politieverslaggevers, onder wie de eerder genoemde Bert Bommels, gingen naar Elsevier; de chef kunst, Philip van Tijn, werd ''chef de cabinet'' van het bureau van de burgemeester, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Ikzelf stond in dubio en werd uit mijn twijfels verlost, doordat de Volkskrant vroeg of ik niet de straat wilde oversteken.
Mijns inziens had Gortzak dit hele proces anders moeten aanpakken en de leegloop die leidde tot een vervlakking die pas jaren later weer wat werd rechtgetrokken, moeten doseren en indammen. Maar om met een wat positievere noot te besluiten: hij maakte wel ook een einde aan de wat stoffige bedrijfscultuur en sloopte wat onterecht voortbestaande hiërarchische verhoudingen. Ondanks alle spanningen, ruzies, en opwinding bleef Gortzak ook een jofele man om mee te werken, een erudiet iemand met wie het de moeite waard was om van mening te verschillen en met wie je ook kon lachen en plezier hebben. Maar ik had hem toch liever als collega gehad dan als hoofdredacteur.    

5 opmerkingen:

Huib Riethof zei

Ik zeg maar zo: Ik zeg maar niks. Dat hij ruste in vrede.

Abu Pessoptimist zei

Huib,
Ik kon het niet laten om het verhaal toch een keer op te schrijven. Maar ik sluit me bij je aan: dat hij ruste in vrede.

fred van der wal zei

MET INTERESSE GELEZEN
knap stukkie trouwens

fred van der wal

Hubert de Brouwer zei

Ik heb minder goede ervaringen met Wouter Gortzak.
Nadat we het boek "Fascism down the Ages: from Caesar to Hitler", Frank A Ridley, London (1991) hadden geredigeerd heeft hij ondanks diens toezegging dit boek niet recenseert.
Dit is bijzonder triest ook omdat Ridley een van de eerste Engelsen is geweest die in zijn geschriften vanaf 1920 heeft gewaarschuwd voor het opkomend Fascisme en Nazisme. Hij stond dan ook bovenaan de dodenlijst mochten de nazis Engeland zijn binnnen getrokken. Mede door zijn geschriften is Churchill van visie veranderd m.b.t. het Nazisme.

Jaap Hamburger, Broek in Waterland zei

@AP Sympathiek en eerlijk stuk. Tijdsbeeld ook. Interessant om te lezen.