donderdag 29 maart 2012

Wie is geloofwaardiger, Ilan Pappé of de mensen die hem bestrijden

De Nakb

Ilan Pappé, één van de  zogenoemde Israelische 'new historians' is nogal eens het onderwerp van controverse. Een van de redenen daarvoor was zijn boek 'The ethnic cleansing of Palestine'. Dat boek kwam na dat van Benny Morris, 'The Birth of the Palestinian Refugee Problem 1947-1949' dat al flink wat stof deed opwaaien, omdat het concludeerde dat de 700.000 - 800.000 Palestijnen die in de jaren van de Israelische 'Onafhankelijkheidsoorlog' vluchteling werden, niet alleen waren gevlucht voor het oorlogsgeweld - of na een oproep van hun leiders waren weggegaan zoals Israel altijd had beweerd - maar deels ook actief waren verjaagd.
Pappé ging in  The Ethnic Cleansing of Palestine' een flinke stap verder. Hij schreef dat de verdrijving van de Palestijnen de belangrijkste, zoniet enige drijfveer was voor deze Onafhankelijkheidsoorlog. Pappé gaf daarvoor voorbeelden in de vorm van beschrijvingen van wreedheden of verdrijvingen van bevolkingen die soms in het geheel niet van plan waren aan de strijd deel te nemen. Van het boek, dat in 2006 werd gepubliceerd bij One World Press in Oxford, verscheen in datzelfde jaar een voorpublicatie in het Najaarsnummer van 'The Journal of Palestine Studies' (JPS).
Pappé had daarin diverse delen uit het manuscript gecombineerd en samengeschreven tot een artikel. Pappé gaf daarin aan dat de gedachte aan verdrijving van de Arabieren in Palestina al van ouder datum was en daarbij  refereerde hij onder meer aan de discussie in Joodse kringen over het al of niet accepteren van de aanbevelingen van de Peel-commissie uit 1937 voor een deling van Palestina. De Yishuv (zoals de zionistische gemeenschap in Palestina in die jaren werd genoemd) accepteerde die aanbeveling destijds, maar Pappé gaf aan dat dit vooral gebeurde op basis van het idee dat een op die manier tot stand gekomen Joodse ministaat geen einddoel was, maar een 'stepping stone'  op weg naar een groter, geheel Joods, Palestina. Hij citeerde onder meer David ben Gurion, Israels eerste premier, om aan te geven hoe daarover in de Yishuv werd gedacht:
That the top leaders were well aware of the implications of this exclusivity [of a purely Jewish state] was clear in their internal debates, diaries, and private correspondence. Ben-Gurion, for example, wrote in a letter to his son in 1937, “The Arabs will have to go, but one needs an opportune moment for making it happen, such as a war.”
Vijf jaar na de publicatie, in november 2011, kwam de Amerikaanse hardline pro-Israel actiegroep CAMERA (Committee for the Accuracy for Middle East Reporting in America) met een reactie. In een brief aan de JPS wezen ze erop dat Pappé in een voetnoot zei dit citaat van Ben Gurion te hebben ontleend aan het boek van Charles D. Smith’s Palestine and the Arab-Israeli Conflict uit 2004, maar dat het daarin bij controle niet bleek voor te komen. (CAMERA stuurde ook een brief naar de Amerikaanse filmmaker Speakman die een film over christen-zionisten had gemaakt waarin het citaat voorkwam. Speakman verwijderd het citaat).

De redactie van JPS deed naar aanleiding van CAMERA's brief zelf onderzoek. En inderdaad. Het citaat kwam niet in Smiths boek voor. Al zoekend kwam de redactie erachter dat er nog meer mis was: in hun publicatie waren ook nog eens aanhalingstekens verkeerd geplaatst. In de hard cover editie van Pappé's boek staat het als volgt: ''The Arabs will have to go'', but one needs an opportune moment for making it happen, such as a war. Dus alleen de eerste helft van de zin was een citaat, de rest een parafrase van Pappé zelf. Inderdaad een verschil.
Maar de JPS-redactie deed nog iets: zij vroeg het origineel van Ben Gurions brief op, die hoewel al eerder diverse auteurs er naar hebben verwezen - onder wie Benny Morris en de Ben Gurion biografen Shabtai Teveth en Michael Bar Zohar - nog nooit vertaald was.  De JPS-redactie liet het Hebreeuwse origineel vertalen in het Institute of Palestine Studies in Beirut en publiceerde vervolgens de hele brief. Die is buitengewoon helder en geeft een verbluffend duidelijk  beeld van Ben Gurions denkwijze over wat er in de toekomst te gebeuren stond.  Ik geeft hier alleen twee citaten: (de hele brief is hier te vinden,  JPS'  antwoord aan CAMERA staat hier).
 My assumption . . . is that a Jewish state on only part of the land is not the end but the beginning. . . .We will admit into the state all the Jews we can. We firmly believe that we can admit more than two million. We will build a multi-faceted Jewish economy—agricultural, industrial, and maritime. We will organize an advanced defense force—a superior army which I have no doubt will be one of the best armies in the world. At that point I am confident that we would not fail in settling in the remaining parts of the country, through agreement and understanding with our Arab neighbors, or through some other means.

We must expel Arabs and take their place. Up to now, all our aspirations have been based on an assumption—one that has been vindicated throughout our activities in the country—that there is enough room in the land for the Arabs and ourselves. But if we are compelled to use force—not in order to dispossess the Arabs of the Negev or Transjordan, but in order to guarantee our right to settle there—our force will enable us to do so.
 De citaten geven inderdaad volstrekt duidelijk aan hoe Ben Gurion in 1937 dacht. Hij was er toen al van overtuigd dat het nodig was dat de Yishuv, de toekomstige Israeli's , in de door de Commissie Peel aangewezen ministaat zich zo sterk mogelijk moest maken, met een krachtig leger, teneinde de Arabische buren ertoe te kunnen bewegen ermee akkoord te gaan dat de zionisten zich ook in de rest van het land zouden vestigen  - 'via een overeenkomst of op andere manieren' - oftewel goedschiks of kwaadschiks. Ook zei Ben Gurion dat Arabieren verdreven moesten worden en dat Joden hun plaatsen moesten innemen. Hij zei weliswaar nog meer: namelijk dat de zionisten er vooralsnog vanuit gingen dat er genoeg plaats was voor iedereen, maar 'als we gedwongen worden geweld te gebruiken, zal onze kracht het mogelijk maken dat te doen'.  Pappé's weergave van de woorden van Ben Gurion was dus qua strekking zeker niet onjuist. Ben Gurion zei weliswaar niet letterlijk dat de Arabieren maar te vertrekken hadden, maar wat hij uiteindelijk schreef, kwam er wel op neer dat ze zich maar hadden te leggen bij wat de Yishuv van plan was, of anders verdreven zouden worden.
Jammer voor CAMERA. En voor alle rechtse bloggers van 'Elder of Ziyyon' en alle anderen die gretig CAMERA's beschuldigingen overnamen, tot en met het wat knullige IMO-blog in Nederland. Allemaal namen ze gretig CAMERA"s beschuldiging over dat Pappé citaten vervalste. Zo voeren de hasbaristen nu eenmaal hun oorlogje: wie zich vergist, slordig is of een fout maakt is een vervalser - of, als hij/zij niet Joods is - meestal meteen ook een antisemiet. Ditmaal vielen de hasbaristen in hun eigen zwaard, want Pappé mag dan niet de juiste woorden hebben gebruikt, de strekking van wat hij schreef was absoluut juist.
Ilan Pappé

Intussen blijft wel de vraag waarom Pappé, als hij dan toch citeerde, niet gewoon zelf de betreffende brief van Ben Gurion aan zijn zoon Amos heeft opgevraagd uit het Ben Gurion archief dat wordt beheerd door de Ben Gurion Universiteit in Beer Sheva, en zijn eigen vertaling heeft gemaakt. Slordig lijkt me, en om een dergelijk citaat niet volledig te checken. Je kunt er namelijk vanuit gaan dat op zulke dingen wordt gelet, zeker als je Pappé heet. Pappé is van de New Historians (Benny Morris, Avi Shlaim, Tom Segev, hijzelf en een stoet aan andere sociale wetenschappers in Israel) namelijk de meest uitgesproken en meest geëngageerde figuur. Hij neemt standpunten in en hij is  - als een van de weinige Israelische historici - niet bang Palestijnen als bron te gebruiken. Evenmin schuwt hij - in tegenstelling tot bijvoorbeeld  Morris - het gebruik van orale bronnen - iets wat trouwens haast onvermijdelijk is voor iemand die probeert zowel den Israelische als de Palestijnse geschiedschrijving recht te doen. Immers, vrijwel alle geschreven Palestijnse bronnen, in de vorm van archieven van vóór 1948 zijn vernietigd of door Israel verdonkeremaand.
Pappé is door deze opstelling - die maakt dat hij van alle Israelische historici het dichtst staat bij Palestijnse collega's als Walid Khalidi, Nur Masalha of Yousef Massad -  een man wiens reilen en zeilen  onder een vergrootglas wordt gelegd. De 'andere kant', de Isarel hardliners,  staan met getrokken messen klaar om hem levend te villen. Dat begon al in november 1999 toen Pappé in een overigens erg lezenswaardig interview met de Belgische krant Le Soir met een ontwapenend soort eerlijkheid uitspraken deed over zijn geëngageerde opstelling als wetenschapper:   
"We are all political", he argues. "There is no historian in the world who is objective. I am not as interested in what happened as in how people see what's happened".
 ''Back to the old historians, I would say they are more suspicious of my ideological trappings than that of Benny Morris, also because I am more relativist. I admit that my ideology influences my historical writings, but so what? I mean it is the case for everybody.''
"Some colleague told me I ruined our cause by admitting my ideological platform. Why? Everbody in Israel and Palestine has an ideological platform. Indeed the struggle is about ideology, not about facts. Who knows what facts are? We try to convince as many people as we can that our interpretation of the facts is the correct one, and we do it because of ideological reasons, not because we are truthseekers.''
Tantura voor 1948
Tegenstanders - de hard core pro-Israel krachten - hebben hier van gemaakt dat Pappé feiten verzint. Men kan soms uitspraken van hem tegenkomen die op die manier verknipt worden weergeven. En dat is erger geworden na zijn bekendste boeken, A History of Modern Palestine, One Land Two Peoples (Cambridge University Press, 2004) en het eerder genoemde The Ethnic Cleansing of Palestine. Ik moet zeggen dat ik een heel eind met hem mee kan komen. Het is in wezen dezelfde discussie als onder journalisten. Iedereen die wil volhouden dat objectieve journalistiek tot de mogelijkheden behoort, houdt zichzelf en de wereld voor de gek. Het is eerlijker en beter om te laten weten vanuit welke achtergrond  nieuws-en andere feiten worden opgediend. En hoewel ik weinig weet van de criteria die historiografen aanleggen, kan ik me niet anders voorstellen dan dat zoiets voor geschiedschrijving eveneens geldt.

Vervolgens kreeg Pappé met een echte affaire te maken. Dat was de zaak van een proefschrift van een student van hem, Teddy Katz, over een slachtpartij die in 1948 plaats zou hebben gevonden bij de verdrijving van de bevolking van Tantura, een dorp ten zuiden van Haifa. Het verhaal was, bij gebrek aan geschreven bronnen, vooral gebaseerd op orale getuigenissen van Palestijnen en leden van de Alexandroni Brigade van de Hagana, de voorloper van het Israelische leger. Katz' proefschrift werd met onderscheiding geaccepteerd. Maar kort voor de promotie zou plaatsvinden in 2000, trokken leden van de Alexandroni-brigade hun getuigenissen in en werd er zelfs een aanklacht tegen Katz ingediend wegens smaad. Katz zwichtte onder de druk en trok een aantal uitspraken uit zijn proefschrift terug. Een commissie van onderzoek van de universiteit van Haifa draaide vervolgens de hele beslissing rond het proefschrift terug en keurde het alsnog af. Pappé hield echter stand. Hij bleef achter zijn promovendus staan en hield staande dat de mondleinge getuigenissen (die overigens al in de jaren '50 opdoken, overtuigend aantoonden dat de slachting inderdaad had plaatsgevonden. In The Ethnic Cleansing of Palestine vertelt hij in zijn eigen woorden Katz' verhaal over Tantura.
Indirect leidde de affaire rond het proefschrift van Katz tot Pappés vertrek in 2007 van de universiteit van Haifa naar die van Exeter in Engeland. Wat de doorlag gaf, was dat zijn gezin herhaalde malen was bedreigd. In een boekje ''Out of the Frame, The Struggle for Academic Freedom in Israel'', (Pluto Press, 2010) doet hij de hele affaire, de bedreigingen, de druk die eerst op Katz en later - ook en vooral door collega's - op werd uitgeoefend uit de doeken. Sinds deze gebeurtenissen heeft hij voorgoed in brede kringen de reputatie controversieel te zijn. Zo merkte ik bijvoorbeeld dat iemand als Bart Wallet, een jonge Nederlandse historicus die zich steeds meer tot een soort Israel-specialist ontwikkelt, tijdens een les over de New Historians opmerkte dat Pappé 'gegevens  in een proefschrift heeft vervalst' en  waarschijnlijk 'meer als een activist is te beschouwen dan als een wetenschapper'.
Ik  ben weliswaar geen historicus, maar een er toch net wel genoeg van te weten om te kunnen zeggen dat deze reputatie van Pappé volstrekt onverdiend is. Hij zonder enige twijfel een belangrijke pionier en meer dan welke andere Israelische historicus in staat om de kloof te dichten die er al tientallen jaren gaapt tussen de Israelische en  Palestijnse geschiedschrijving. Wie wat hij schrijft vergelijkt met wat er aan Palestijnse kant de afgelopen tijd gebeurt, kan tot geen andere conclusie komen. (Ik zal over een tijdje daar nog op terugkomen). Maar jammer dat Pappé zo'n slordigheid begaat als met een niet goed gecheckte uitspraak van Ben Gurion. Hij zou beter moeten weten. Als hij ècht een activist was zou hij zo'n fout niet begaan, want het weerhoudt mensen ervan om in hem te geloven.  

3 opmerkingen:

Fennie Stavast zei

Dank voor het artikel.

Misschien is het voor een aantal lezers nuttig om te weten dat "ethnic cleansing" in het Nederlands is vertaald. Ilan Pappé, De etnische zuivering van Palestina ... ISBN 978-90-597-7299-1.

Franklin Ryckaert zei

Dat boek heb ik een tijd geleden in de Nederlandse vertaling gelezen. Wat ik me ervan herinner is dat Ben Goerion een soort hoofdkwartier had vanwaaruit de etnische zuiveringen dorp voor dorp werden geplanned. Om het allemaal nog erger te maken:van te voren werden spionnen naar de betreffende dorpen gestuurd om een inventaris op te maken van de te roven bezittingen van de dorpsbewoners,tevens werden de namen genoteerd van de mannen die "gevaarlijk" zouden kunnen zijn. Die werden dan later bij de inval ter plekke doodgeschoten.

Dit was dus het ware gelaat van Israels veel geprezen "onafhankelijkheidsoorlog".

Herman zei

Ik heb begrepen dat tijdens en na de Nakba, Israel er alles aan deed om documentaties te vernietigen.

Uit de Palestijnse huizen gestolen boeken werden geroofd en verbrand.
Bossen werden bovenop verwoeste dorpen gebouwd.

Roven, verdonkeremanen van bewijs is, iets wat Israel nog steeds doet.

Alle video's, fototoestellen en andere apparatuur van de Free Gaza boten werden in beslag genomen en niet meer teruggegeven na de piraterij door Israel.