zondag 16 september 2012

Vandaag dertig jaar geleden: Het begin van de slachtpartij in Sabra en Shatila


De Londense Tate Gallery heeft in augustus het schilderij ''Sabra- Shatila (1982-83)'' van de Iraakse schilder Dia Azzawi aangekocht. Azzawi (geb. 1939) maakte het naar aanleiding van een beschrijving van de Franse schrijver Jean Genet van zijn bezoek aan de kampen na de moordpartij. Met name de woorden ' A photograph doesn't show the flies nor the thick white smell of death. Neither does it show how you must jump over bodies as you walk along from one corpse to the next' - maakte indruk op Azzawi en hij probeerde zich een voorstelling te maken, mede naar aanleiding van een bezoek dat hijzelf in 1970 aan de kampen had gebracht.
Azzawi's schilderij - waarvan hier een grotere afbeelding te zien is - wordt door sommigen een soort 'moderne Guernica' genoemd, naar het beroemde schilderij dat Pablo Picasso maakte naar aanleiding van het bombardement van het plaatsje Guernica door de fascisten tijdens de Spaanse burgeroorlog.

Vandaag, 16 september 2012 is het precies dertig jaar geleden dat de slachtpartij in de kampen Sabra en Shatila begon. Het was een slachtpartij die onder het toeziend oog van Israel en geholpen door de Israeli's werd uitgevoerd door christelijke, falangistische milities onder leiding van Elie Hobeika en Israels toenmalige bondgenoot in Zuid-Libanon, majoor Saad Haddad. De slachtoffers waren voornamelijk Palestijnse vrouwen, kinderen en ouderen van dagen, die weerloos en ongewapend waren achtergebleven, nadat na een Israelisch beleg van enkele maanden van West-Beirut een aftocht van de PLO-strijders uit de kampen in West-Beirut was geregeld. De onderhandelingen daarover waren gevoerd  door de Amerikaanse gezant Philip Habib.
In het akkoord van Habib was vastgelegd dat Israel West-Beirut ongemoeid zou laten. Ook stond erin dat een kleine groep 'Palestijnen van 1948'(die al in dat jaar naar Libanon waren gevlucht) niet weg hoefden. Maar toen kort daarna Bashir Gemayel, de leider van de Libanese christelijke 'Falangistische' militie, die op het punt stond door Israel in het zadel geholpen te worden als de nieuwe president van Libanon, met een groep getrouwen werd opgeblazen in zijn hoofdkwartier in Oost-Beirut, trok Israel alsnog onder leiding van de toenmalige dynamische minister van defensie, Ariël Sharon, West-Beirut binnen. Het akkoord van Habib bleek een dode letter.
De Palestijnse kampen werden door Israelische troepen omsingeld en de Israeli's lieten er de falangistische militie en Haddads 'Leger van Zuid-Libanon (SLA) binnen. Een grootscheepse moordpartij begon die tweeëneenhalf etmaal doorging - 's nachts werden de falangisten daarbij door de Israeli's met fakkels bijgelicht. Toen Israel er in de loop van zaterdag 18 september eindelijk een einde aan maakte - nadat de media ook in Israel zelf er lucht van hadden gekregen - waren er zo'n 3500 mensen vermoord. Althans dat is de schatting die de Israelische journalist Amnon Kapeliuk in zijn boek 'Sabra & Shatila, Inquiry into a Massacre' maakt - volgens mij een geloofwaardig getal. Anderen - waaronder ook een officieel Israelisch onderzoek onder leiding van opperrechter Yitzhak Kahane - kwamen lager uit. Maar dat was in het geval van het onderzoek van Kahane, niet zo verwonderlijk. Zo concludeerde deze commissie ook - ondanks een verwoestende overvloed aan bewijs voor Israels rechtstreekse betrokkenheid - dat Israel alleen 'indirect' verantwoordelijk was en wees het de falangisten als de moordenaars aan. De precieze aantallen slachtoffers zullen we nooit weten. Nog tijdens de moordpartij werden veel doden met bulldozers ondergespit in massagraven en veel mensen werden eerst afgevoerd en later elders vermoord.

De naam Sabra en Shatila is intussen een begrip geworden. Net als Deir Yassin is het één van de symbolen geworden van de ellende en de waanzin waar het maar voortdurende Israelisch-Palestijnse conflict toe kan leiden. Alleen al om die reden - maar ook om de slachtoffers te gedenken - is het nodig dat we ieder jaar opnieuw stilstaan bij wat er toen gebeurde. Ook om de Israelische maatschappij wakker te schudden die, het moet gezegd, destijds uit schrik en woede over de slachtpartij onmiddellijk erna de allergrootste demonstratie op de been bracht die ooit in Israel is gehouden - met een deelname van zo'n 400.000 mensen. Helaas is de geest die daarmee was gemoeid in de jaren die volgden wel weer zo goed als verdwenen. Maar misschien kan het feit dat wat 30 jaar geleden gebeurde, en dat net als nu ongeveer samenviel met het Joodse Nieuwjaar, - toch altijd een tijd van introspectie - daar wat aan doen.

Ik wil besluiten met het citeren van een interview, uit een serie grimmige gesprekken die destijds werden opgetekend door Leila Shahid, oud- PLO-vertegenwoordigster in Nederland, tegenwoordig gestationeerd in Brussel. Het fragment - in het Engels - komt uit The Journal of Palestine Studies, Vol. 12, No. 3 (Spring, 1983) en staat nu op de site van The Institute of Palestine Studies,waar nog meer te vinden is over Sabra en Shatila 1982. Andere verwijzingen die ik kan geven voor wie geïnteresseerd is, zijn een stuk van de Nederlandse arts Ben Alofs, die destijds als verpleger de moordpartij in de kampen meemaakte, een stuk van een -Joodse - verpleegster die destijds net als Alofs aanwezig was, en mijn eigen stukje van verleden jaar waarin ik - ingehouden - vertel dat ook ik daar, destijds, tussen de lijken heb rondgelopen en daar nog steeds van droom. .

FotoSabraChatila

Dit is een van de interviews die Leila Shahid maakte en in 1983 publiceerde:
Umm Hussein
Umm Hussein, with a scrawny two-month-old baby in her arms, is staying with her children in a classroom of a high school in West Beirut. Hundreds of families of Shatila and Sabra are living in schools turned into emergency shelters. Umm Hussein lost her husband and two of her sons in the massacre. Her house had been bulldozed. She identified herself as a “1948 Palestinian” who had lived in Shatila for five years. Before, she had lived near Sports City.
 Shahid: When did you leave Shatila?
Umm Hussein: Thursday, Israeli planes were flying over Beirut, making a terrible racket. They circled over the camp while their tanks began shelling us. Around 6:00 in the morning, the shelling intensified. We went into the shelter with our neighbors. Later, about thirty armed men came and started shooting. We ran to hide. Just as we closed the door, they burst in and said, “Why are you slamming the door in our faces? Where do you think you can hide?” Then they lined us up against the wall, separating the men from the women and children. They killed the men right in front of us. There was my husband, Hamid Mustafa, who was only forty-seven. My son Hussein was fifteen, and my son Hassan was fourteen. There was also the son and brother of our neighbor, and others too. In all, seven men they killed and piled one on top of the other in front of the house. They emptied their pockets, taking their watches and whatever they were carrying. Then they dug a pit and buried them.
Shahid: How did they dig the pit?
Umm Hussein: With bulldozers the Israelis gave them. The Israelis also lighted the camp all night for them with their flares and brought them food.
Shahid: And you, women and children, what did they do with you?
Umm Hussein: They took us to Sports City. They made us spend the night there, on the sand, with no covers. There were Phalangists and Israelis. They questioned us now and then. “What does your husband do? Where is your husband?” I told him that they had just killed my husband at our house along with others. “And your children?” I said my children also had been killed, that all that remained were my three daughters and the four little ones. “The youngest, here he is, he’s two months old— do you want to kill him too?”
Shahid: You didn’t have weapons in the camp?
Umm Hussein: The weapons were removed from the camp, and the fighters were evacuated. They left us disarmed and without defense. There were so-called guarantees that no one would attack us. Guarantees by the Americans, the Europeans, the Arabs. But they lied.
Shahid: Why didn’t you leave when the Israeli army came in?
Umm Hussein: When Bashir Gemayel’s death was announced , some people preferred to leave the camp. They were afraid that something would happen. But we had just moved back to the camp a week earlier. We had spent the three months of the Israeli siege in this same school where we are now. My baby was born here, in this classroom, where there is no water, no kitchen, no bathroom. We were so happy to return home, to Shatila, after the shelling stopped. We weren’t prepared to start wandering again in the streets of Beirut looking for shelter. So we remained, thinking that since we were without weapons and since the fighters had all gone, the Israeli army would not harm us. We couldn’t guess that they would make us pay for Bashir Gemayel’s assassination. After all, it wasn’t the Palestinians who killed him. It was between them. They fought among themselves, and they killed him. How are we responsible? We turned in our weapons; we trusted the Lebanese authorities. Abu Ammar [Yasir Arafat] had signed an agreement with the government that no one would touch the camps after the fighters left. We believed that. The result? They betrayed us.
They even killed women and children. I saw with my own eyes a baby of less than a year in his mother’s arms. She was dead, and he was crying all the time. They fired at him, but he wasn’t dead. One of the armed men got mad and yanked the child from his dead mother and said he would take it to the hospital. But farther on he strangled it and left it in the sand. I saw it on the ground when we passed. I also saw a woman whose hands were tied and who had perhaps been raped. Her clothing was torn, and she must have been dragged by the rope before being killed with an axe.It was a terrible sight.
Shahid: How did you get out, finally?
Umm Hussein: After a night in Sports City, they ordered us to walk along the road.They knew it was mined, and they wanted us to blow up the mines while walking.But we were extremely careful not to walk on any wires. Then they let us go. We first tried to hide in an apartment building in Fakhani, but the Lebanese inhabitants were afraid and begged us to go elsewhere. So we left, and on the road we flagged down a car that brought us to the public garden of Sanayeh, where the International Red Cross took us and brought us here, to this school, where we had taken refuge during the shelling of Beirut in July. And this is my life, from exodus to exodus. Except that now I am without my husband and my two sons.I have eight children. What can I do with them? I don’t have anyone to help me. My house has been razed. Where will I go? Is that what America wants? Is that what Israel wants? And the Arab countries agree? They took away our fighters, they killed our men. What more do they want of us?
Shahid: Your baby is very pale . . .
Umm Hussein: How could he not be? He was born here during the siege of Beirut and he hasn’t had a normal life since. And with all these emotions, I don’t have enough milk and don’t have the means to take him to the doctor.
[In leaving, I wished health for her child, and she answered, “Why should he live? So they can kill him when he’s twenty?'']

1 opmerking:

Anoniem zei

dank Abu voor al deze getuigenissen, zij die alles gezien hebben zijn mild geworden, vrede voor jullie en ons allen in een Nieuwjaar. groet, Daniella