dinsdag 31 mei 2016

Hoe vier Palestijnse families huizen en grond verliezen, de Nakba is nog niet voorbij


 Leden van de familie Abu Ta'ah bij de bouw van het Amana-kantoorpand op hun niet-onteigende land in Sheikh Jarrah.  

Dit is het verhaal van de nog altijd voortschrijdende nadelige gevolgen voor in Israel en Oost- Jeruzalem wonende Palestijnse families van de stichting van de staat Israel in 1948 en de veroveringen in 1967. Vier families die te maken kregen met wetgeving die Joden voortrekt boven Palestijnse bewoners en één geval van door de overheid gesteunde en mede-bedreven valsheid in geschrifte,waardoor een familie (nog meer) land dreigt te verliezen dan zij toch als was kwijtgeraakt. Sommigen zeggen weleens dat de Nakba, de verdrijving en vlucht van de Palestijnen bij de stichting van Israel, niet tot 1948 is beperkt maar nog steeds voortgaat. Dit soort verhalen lijkt daar een bevestiging van. 
Het jongste bericht is van vorige week. De rechtbank in Jeruzalem oordeelde dat vijf wooneenheden in de buurt Um Haroun in de wijk Sheikh Jarrah van Jeruzalem moeten worden ontruimd.
Het gaat om drie woonhuizen, een café en een kleine onderwijsinstelling, die sinds 1948 worden bewoond door de Palestijnse familie Qiswani. De Israelische beheerder van ''absentee property'' droeg het gebouw in 2007 over aan een Joodse familie, en die op haar beurt verkocht het aan de Joodse firma Shabali.
De Qiswani's stelden dat ze sinds 1948 beschermde huurders waren, maar de rechtbank achtte hun papieren niet overtuigend genoeg. Zij moeten  het bezit nu overdragen aan “Shabali”, dat eigendom is van Joodse investeerders rond het rechtse lid van de Jeruzalemse Gemeenteraad, Arieh King. King op zijn beurt is weer de baas van een fonds van kolonisten, het “Israel Land Fund” en één van de mensen achter pogingen om - vooral in Oost Jeruzalem en met name Sheikh Jarrah -  Palestijnse families uit hun huizen te verdrijven opdat er Joodse kolonisten in kunnen gaan wonen. De wettelijke grond waarop dit allemaal gebeurt is een wet die stelt dat bezit dat vóór 1948 Joods was, weer door Joodse nazaten in bezit kan worden genomen, iets dat Palestijnse bezitters van woningen, grond, meubels en wat al niet dat vóór de stichting van Israel hun eigendom was, niet is gegund.
De mededelingen hierboven neem ik over van de blog van Hagit Ofran, de nederzettingenexpert van Vrede Nu. Ze voegt eraan toe dat er nog tweede gedongen verhuizing volgt.  Zij citeert Arieh King die op zijn Facebook pagina meldt dat de familie Shamasne, die sinds 1964 in dezelfde buurt woont en over wie de rechtbank in 2012 besliste dat zij om soortgelijke redenen weg moeten, binnenkort uit hun huis gezet zal worden. Het hooggerechtshof besliste in 2013 dat zij binnen 18 maanden moesten vertrekken.

In de krant Haarez stond vier dagen geleden een vergelijkbaar verhaal over een kast van een huis in Jaffa. Het werd in de jaren '20 gebouwd in de Tziona Tajer Straat door Salim Khoury Shaya, de leider van de Palestijnse, Grieks Orthodoxe gemeenschap. Hij kreeg er zeven kinderen die opgroeiden in dit huis.
Kort voor het uitbreken van de oorlog van 1948 gingen drie van hen op bezoek bij familie in Libanon. Na de oorlog mochten zij van Israel niet meer terugkeren en werden zij tot ''absentee'' verklaard. De andere vier moesten meemaken hoe in 1950 de ''Custodian of Absentee Propertee'' het huis overname nadat deze drie tot ''absentees'' waren verklaard. Pas in 1959 werd het recht van de overige vier, die alle vier nog in het huis woonden, erkend, maar de staat hield een aandeel van 40%, dat in 1963, het jaar dat Salim Khoury Shara stierf, werd overgedragen aan de Israel Lands Administration.
Nog steeds wonen twee families in het huis, de oudste inwoner is een schoondochter van Salim  Khoury Shaya, zij woont er sinds 1947. Maar lang zal dat niet meer duren. Op een gegeven moment eiste de staat huur en betaling van de 40% eigendom. En na een negen jaar durende juridische strijd is nu onlangs door de rechter bepaald dat de achterstallige huur (een bedrag van zo'n 100.000 euro) niet hoef te te worden betaald, maar dat wèl het eigendomsrecht van die 40% (2 miljoen shekel = ruim 400.000 euro) op tafel moet worden gelegd. En daar heeft de familie Shara het geld niet voor. Dus ze moeten eruit. Eén van de zoons verklaarde dat hij in 1990 heeft geprobeerd het deel van de staat over te nemen, maar dat de toenmalige beheerder namens de staat, Amidrar, dat toen weigerde. En nu is het te laat.

Het laatste verhaal komt weer uit Sheikh Jarrah en van de blog van Hagit Ofran. Het gaat over een kantoorgebouw dat sinds februari van dit jaar wordt gebouwd in Sheikh Jarrah naast het Palestijnse St Joseph ziekenhuis. Het moet een gebouw van vier verdiepingen worden met 70 kantoren. En dat dan  van Amana, een privé onderneming gelieerd aan de nederzettingenbeweging, die bouwprojecten entameert, nieuwe locaties verwerft en verantwoordelijk is voor een groot aantal van de - ook door Israel  als illegaal bestempelde -   nederzettingen, de ''outposts''. Amana werkt bij deze werkzaamheden vak samen met haar dochteronderneming Al-Watan, die volgens een recent politieonderzoek 14 van de 15 keer bij frauduleuze transacties van grond betrokken is geweest, hetzij via vervalste papieren en/of handtekeningen, hetzij via personen die geen of alleen gedeeltelijke eigendomsrechten hebben.
Het meest opmerkelijke is echter dat het nieuwe kantoorgebouw, ''Amana House'', wordt gebouwd op drie dunam grond van de Palestijnse familie Abu Ta'ah, die nooit is onteigend en dus nog steeds aan hen toebehoort. Die drie dunam maakte deel uit van 4.000 dunam (400 hectare) grond van de familie  die in 1968, een jaar na de verovering van Oost-Jeruzalem, werd aangemerkt voor onteigening. Op het grootse deel daarvan werden later de wijken French Hill en Ramat Eshkol gebouwd, evenals de ''oostelijke vleugel'' van de regeringsgebouwen. Een deel van de 4.000 dunam werd echter nooit daadwerkelijk onteigend en gebruikt. De drie dunam behoort daartoe.
In 1992 werden deze drie dunam niettemin door de Israelische Land Authority (ILA) ter beschikking gesteld van Amana. Amana moest vervolgens een bouwplan indienen. Dat kwam er, nadat de regering-Rabin dit soort ontwikkelingen in oost-Jeruzalem tijdelijk had bevroren, pas een jaar na de entree van een regering Netanyahu, in 1998. Het werd goedgekeurd en door ILA mede-ondertekend, alsof het de eigenaar was van de grond. Alleen heeft het er alle schijn van dat de handtekening van de plaatsvervangende districts-planner, Amalia Abramovich, die pas na twee verzoeken samen met de bouwplannen bij de planningscommissie voor Jeruzalem werd ingeleverd, was vervalst.
In 2009 kwam dat aan het licht. Maar toen kwam Amana met een creatieve oplossing. Het tekende een niet bestaand perceel grond waar de ''oostelijke regeringsbouwen'' en de drie dunam toe behoorden. De toenmalige minister van Financiën Yuval Steinitz zette zijn handtekening eronder en maakte zo van de diefstal met terugwerkende kracht alsnog een onteigening. Zonder dat de eigenaars, de familie Abu Ta'ah, er overigens iets van wist. Zij kwamen er pas achter toen in februari 2016, op een nacht  om half twee, het terrein werd omheind en de volgende dag werd begonnen met het bouwrijp maken van de grond. De familie heeft vervolgens een verzoekschrift ingediend bij het gerechtshof van Jeruzalem. Dat wees de zaak af, die nu terecht is gekomen bij het hooggerechtshof. Gezien de staat van dienst van dit hof inzake de nederzettingen is er weinig reden voor de familie Abu Ta'ah de uitkomst met vertrouwen tegemoet te zien.

Geen opmerkingen: