donderdag 7 mei 2015

Israelisch hooggerechtshof geeft groen licht voor afbraak van twee hele dorpen

susya
Susiya.

Het Israelische hooggerechtshof heeft in twee dagen tijd het groene licht gegeven voor de afbraak van twee hele Palestijnse dorpen, één in de regio Hebron in bezet gebied, het andere in Israel zelf, een (niet-erkend) Bedoeïenendorp in de Negev. In beide gevallen gaat het om zaken die al lang slepen en eigendomsrechten van de bewoners, die omdat het Palestijnen zijn, door Israel terzijde zijn geschoven en niet zijn erkend.
Het eerste geval betreft het dorp Susiya in de heuvels van Zuid-Hebron. In een uitspraak van maandag besloot het hof dat dit plaatsje met zijn 350 inwoners mag worden afgebroken ten gunste van de dichtbij gelegen Israelische nederzetting met dezelfde naam. Het tweede geval gaat over een uitspraak van het hof van dinsdag, waarbij permissie werd gegeven het Bedoeïenendop Umm al-Hiran in de Negev, te laten verdwijnen ten gunste van de bouw van een Joods dorp met de naam Hiran.

Susiya (of Khirbet Susiya) is in kringen van mensenrechtenbewegingen geen onbekende naam. Het dorp bestaat al sinds op zijn minst de jaren '30 van de 19e eeuw, maar waarschijnlijk nog veel langer, schrijft de mensenrechtenorganisatie B'tselem. De inwoners leven van het verbouwen van olijven en het hoeden van schapen.In 1983 werd op hun gebied (dat door Israel tot ''staatsland'' was verklaard), de nederzetting Susiya opgericht, een plek waar vooral orthodox-joodse bekeerlingen uit Nederland en Zuid-Afrika gingen wonen. In 1986 verklaarde het militaire bestuur het dorp tot een archeologisch gebied dat voor ''het algemeen belang'' werd geconfisqueerd. De inwoners, die in rotswoningen woonden, werden verdreven en verhuisden noodgedwongen naar een aantal andere grotten wat verderop, en half en half geïmproviseerde huizen en tenten op hun landbouwgrond.
In juli 2001, kort nadat tijdens de tweede intifada een inwoner van de nederzetting Susiya was vermoord door een Palestijn, werden de Palestijnen van Susiya opnieuw verdreven. Het leger vernielde daarbij hun grotwoningen en hun waterreservoirs. Maar nadat de bewoners een verzoekschrift hadden ingediend, gaf het hooggerechtshof in september 2001 een tussenvonnis af, waarbij verdere vernielingen werden verboden. De bewoners woonden toen inmiddels in tenten. De nederzetting Susiya stichtte intussen in 2001 en 2002 diverse ''illegal outposts'' op het land van de Palestijnen, die daardoor steeds meer land verloren, of liever gezegd, op last van het leger steeds minder van hun land mochten bewerken. Een verzoekschrift van de bewoners daartegen, leidde in 2014 zelfs tot een verrassende uitspraak van het hooggerechtshof, waarbij het hof bepaalde dat een groot deel van die grond (30 hectare) inmiddels eigendom van de kolonisten was geworden, omdat de oorspronkelijke eigenaars de grond immers al heel lang niet hadden bewerkt...
De Palestijnse inwoner konden zich inmiddels verheugen in de belangstelling van de groep ''Rabbijnen voor de Mensenrechten'' die hen onder meer hielpen met klachten over mishandeling, bedreigingen, het omzagen van olijfbomen, het stelen van oogsten, het doden van schapen en het stichten van brand in tenten en andere eigendommen. Zo'n 120 klachten werden ingediend, maar er werd nooit iemand gearresteerd en 95% procent werd geseponeerd ''wegens gebrek aan bewijs'', terwijl een klein aantal jaren later nog steeds ''in behandeling is''.
Wat pogingen betreft om bouwvergunningen of een masterplan voor de inrichting van hun dorp van de grond te krijgen, hadden de bewoners niet veel meer succes. Zij kregen geen water en elektriciteit en elke planning werd door het leger resoluut van de hand gewezen. In 2007 hief het hooggerechtshof het verbod op verdere sloop op, omdat de bewoners de tijd niet hadden gebruikt om nieuwe huizen te bouwen en gaf het de bewoners 45 dagen de tijd om alsnog bouwplannen in te dienen. Die werden vervolgens- hoe Kafkaesk - in 2008 allemaal door het leger (het ''Burgerbestuur''van de Westoever)afgekeurd.
In 2012 diende Rabbis for Human Rights  een nieuw, eigen masterplan in voor Susiya, maar ook dat werd afgekeurd. In 2013 kwam het leger met een slooporder voor het hele dorp. In 2014 vroeg Rabbi's for Human Rights het hooggerechtshof om de verwerping van het masterplan ongedaan te maken, maar het hof wees dat in februari af, en stelde dat de bevolking van Susiya beter en goedkoper af zou zijn met het uitvoeren van een masterplan in de buurt van de plaats Yatta, in ''Area B'' en vele kilometers verderop. De voorlopig laatste aflevering van het drama was dus afgelopen maandag, toen het hof ook nog een petitie van Rabbis for Human Rights om de slooporder van het ''Burgerbestuur'' tegen te houden, met het argument dat er voor de bewoners van Susiya ''een alternatief'' is (bij Yatta). Het wachten is nu op de bulldozers.
Umm al-Hiran
Umm al-Hiran.

Voor wat betreft het dorp Umm al-Hiran verwierp het hooggerechtshof dinsdag een petitie van de inwoners tegen plannen om hun dorp in zijn geheel te laten verdwijnen, om plaats te maken voor een dorp van Joodse religieuze nationalisten met de naam Hiran. Het plan voor de stichting van deze Joodse nederzetting op de plek an Umm al-Hiran was door de regering aangenomen in december 2013. Volgens de plannen zullen de 600 inwoners worden overgeplaatst naar de verderop gelegen plaats Huran. Het hof bepaalde dat de inwoners van Umm al-Hiran geen geen recht hebben op de grond waarop zij wonen en dat het aanvechten van regeringsbeslissingen niet behoort te gebeuren voor het hooggerechtshof, maar op een andere plaats (namelijk het parlement).Arabische en Joodse activisten zijn intussen bezig met plannen voor een grote demonstratie tegen dit besluit, een ''Dag van woede''.
Net als in het geval van Susiya heeft de zaak van Umm al-Hiran een lange voorgeschiedenis. De inwoners van umm al-Hiran woonden voor de stichting van Israel ten noordwesten van waar ze nu wonen, maar zoals veel andere Bedoeïenen werden ze in 1948 verdreven. In 1956, toen zij nog te maken hadden met het militaire bestuur waar alle Arabische inwoners van Israel tot 1966 aan waren onderworpen, gebood de militaire gouverneur de Abu al-Qia'an-clan (dat zijn de inwoners van Umm al-Hiran) zich te vestigen waar ze nu wonen. Het land dat de clan bezat werd in beslag genomen en daarop verrees de kibbutz Shoval.
In 1970 probeerde de clan hun eigendom terug te krijgen, maar hun claims zijn nooit erkend en hun verzoekschriften zijn nog steeds in behandeling, volgens hun advocaat, Suhad Bishara van de burgerrechtenbeweging Adalah. Tegelijkertijd werd, ondanks het feit dat de plaats umm al-Hiran hen was toegewezen, hun dorp nooit erkend en hadden ze dus - iets wat nog voor tienduznden andere Bedoeïenen geldt - geen waterleiding, elektriciteit, openbaar vervoer, onderwijs of medische zorg. Volgens Bishara was het regeringsstandpunt dat de staat hen de gronc gegeven had en dat de staat die dus ook weer kon terugvragen. Dat laatste heeft dus nu de instemming gekregen van het hooggerechtshof.

1 opmerking:

Jaap Hamburger, Broek in Waterland zei

Dank voor je zakelijke beschrijving. Mij zou het niet gelukt zijn,zoveel gestapeld onrecht is niet te harden. Ik ben er geweest, in 2010; ik vergeet nooit het geplette motorblok dat het leger in een waterbron geperst had, om het water ondrinkbaar te maken voor de schapen en geiten van de Palestijnse bedoeïenen. Ik vergeet ook niet hoe zelfs tenten van stangen en zeildoek waren vernield door de bezetter. 'Illegale bouwwerken.' Oorlog tegen de meest kwetsbaren.

De kolonisten noemen hun nederzetting Susya (zonder i), meen ik.

Het Hooggerechtshof als ultieme collaborateur van de bezetting. Ik heb er geen woorden meer voor.