woensdag 5 april 2017

B'tselem: doodschieten moeder en zoon was ''ongerechtvaardigd'' en onderdeel van vaker voorkomend patroon

De Israelische mensenrechtenorganisatie B'tselem heeft opnieuw vastgesteld dat het doodschieten van een Palestijnse 'aanvaller' niet gerechtvaardigd was en dus neerkwam op een buitengerechtelijke executie. Het betreft  het geval van de 49 jarige vrouw Siham Nimr, die op 29 maart  bij de Damascus Poort in de Oude Stad van Jeruzalem werd doodgeschoten door mannen van de grenspolitie. B'tselem brengt in herinnering dat volgens de instructies voor leger en politie aanvallers alleen mogen worden gedood als er rechtstreeks gevaar voor het leven van personen bestaat. Dat was in deze zaak niet het geval. Hetzelfde gold voor haar zoon Mustafa die op 5 september door de grenspolitie werd doodgeschoten in het vluchtelingenkamp Shu'afat, aldus B'tselem.
Wat betreft Siham Nimr, zij  stond op het moment dat ze met meerdere schoten werd neergeschoten achter een metalen barriere en had, zoals een foto van een beveiligingscamera (hierboven) laat zien en schaartje in haar hand. B'tselem concludeert dat het twijfelachtig is of Siham de politiemannen die aan de andere kant van de barriere, ongeveer drie meter van haar af, stonden had kunnen bereiken en in gevaar had kunnen brengen. Volgens B'tselem hadden de politiemannen, gezien hun beschermende uitrusting en de middelen die hen ter beschikking stonden, in staat geweest moeten zijn haar te overmeesteren en te arresteren en was het niet nodig geweest het vuur te openen, laat staan haar dood te schieten.
Be'tselem wijst op de uitspraak van de commandant van de politie van Jeruzalem, generaal majoor Yoram Halevy, die zei dat de “besliste en effectieve reactie van de politiemannen een geplande aanval had verijdeld voor hij kon worden uitgevoerd en verder leed voor onschuldigen had voorkomen''. B'tselem zegt daarvan dat er een ''onverzoenlijke tegenstelling bestaat tussen de feitelijke gebeurtenis en de verklaring van de commissaris en andere hoge functionarissen. Samen met een algemene vijandige stemming sinds oktober 2015 moedigt dat personeel van veiligheidsdiensten aan om een politiek van ''schieten om te doden'' uit te voeren, ook in zaken waar dit soort actie niet gerechtvaardigd is.''
B'tselem wijst er verder op dat Siham Nimr de moeder was van Mustafa Nimr (27) die op 5 september 2016 werd doodgeschoten in het Shu'afat kamp bij Jeruzalem toen hij op weg was naar zijn ouders. Mustafa zat in een auto die werd bestuurd door zijn neef Ali Nimr. De politie opende het vuur op hen, omdat zij vreesden dat de auto een ''ramaanval'' had willen uitvoeren. Later werd Ali, de neef, aangeklaagd wegens roekeloos rijden. Hij zou onder invloed zijn geweest van drank en drugs. Volgens B'tselem was ook de dood van Mustafa een gevolg van ''trigger happy'' optreden van de Israelische politie en was ook zijn dood onnodig geweest.
B’Tselem merkt ook nog op dat de organisatie al meerdere malen erop heeft gewezen dat de ''shoot to kill'' aanpak alleen gepermitteerd is als er levens in gevaar zijn. Dit is, volgens de organisatie, het zoveelste geval waarin veiligheidsdiensten die regel overtreden en waarbij niettemin hun actie volledig wordt goedgekeurd. B'tselem noemt dit ''een verontrustende afwijking van de regels'' die helaas vaak voorkomt en ''wordt aangemoedigd door het publieke sentiment''.

Geen opmerkingen: