woensdag 5 december 2012

'Israelische schoolboeken bevestigen vooroordelen en zijn openlijk racistisch'

Het onderstaande stuk, een interview met de Israelische Nurit Peled Elhanan naar aanleiding van haar pas verschenen studie over Israelische schoolboeken, schreef ik voor het blad ZemZem.

Update: Onderaan - voor de geïnteresseerden - een video van een  interview met Nurit Peled over haar boek met AlternateFocus. 

Er is de afgelopen jaren veel gezegd en geroepen over Palestijnse schoolboeken. Die zouden antisemitische passages bevatten, geweld verheerlijken en oproepen tot haat. Het is een hardnekkig verhaal. Hoewel de schoolboeken in de bezette Palestijnse gebieden (die oorspronkelijk Jordaans en Egyptisch waren) met geld van de EU en van Nederland in de jaren negentig volledig zijn opgeschoond en vernieuwd, blijft het de ronde doen. Hier in Nederland wordt het voortdurend herhaald door de kleine christelijke partijtjes ChristenUnie en SGP, en natuurlijk hun achterban van Christenen voor Israel. Zij halen met enige regelmaat de kolonist Itamar Marcus hier naartoe, die een organisatie leidt die 'Palestinian Media Watch' heet en gespecialiseerd is in het verspreide van aantijgingen over de vermeende haatpropaganda van de Palestijnen en de gebreken van hun schoolboeken.
Nurit Peled-Elhanan kan zich behoorlijk kwaad maken als dit ter sprake komt. 'Het is niet alleen Nederland waar dit gebeurt, was dat maar waar,' roept ze uit. 'Die man wordt nota bene uitgenodigd door het Amerikaanse Congres. Zelfs Hillary Clinton verspreidt die onzin dat de Palestijnse schoolboeken niet deugen. Terwijl dat hele zogenaamde onderzoek van die Marcus....' Ze maakt haar zin niet af, maar haar lichaamstaal laat niets te raden over.
Het is niet verwonderlijk dat Marcus en zijn clubje ter sprake kwamen, want Nurit Peled heeft zich de afgelopen jaren met Israelische schoolboeken bezig gehouden en met name het beeld van Palestijnen daarin. Dat is dus het exacte spiegelbeeld van wat Marcus doet, al houdt de gelijkenis daarmee ook onmiddellijk op. Want Peled is hoogleraar in de relatie tussen taal en onderwijs aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem en dus een wetenschapper, terwijl Marcus een voormalige medewerker van de Israelische geheime dienst is, die te werk gaat zonder enige scholing (hij spreekt niet eens Arabisch), maar wel volgens een duidelijke politieke agenda.
Nurit Perled Elhanan
Peled was eind september in Nederland als onderdeel van de promotie van haar onlangs uitgekomen boek: Palestine in Israeli Schoolbooks, Ideology and Propaganda in Education, een boek dat gaat over de manier waarop Palestina voorkomt in de Israelische schoolboeken. Ze gaf op een aantal plaatsen, waaronder De Haag en Amsterdam, lezingen, waaruit een onthutsend beeld oprees van schoolboeken op het gebied van geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappijleer. Uit haar schets werd overduidelijk dat in geen enkel Israelisch schoolboek voor ook maar iets anders plaats is dan de officiële Israelische lezing van de geschiedenis, terwijl over Palestijnen en Arabieren volop racistische stereotypes worden gehanteerd en met name de Palestijnen – als ze al in die boeken voorkomen – worden afgedaan als achterlijk, een 'demografisch gevaar' of domweg als 'terroristen'.

Sakharov-prijs
Het beeld van Palestina in het Israelische onderwijs was zeker niet Peleds eerste of enige onderzoek. Eerder publiceerde ze onder meer over hoe in het algemeen in Israel taalonderwijs gegeven wordt. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat taalonderwijs in Israel feitelijk averechts werkt. Er is geen sprake van twee-richtingverkeer, maar de leraren houden monologen. 'De leerlingen leren wel goed de grammatica, maar volstrekt niet om zich via schrijven of spreken uit te drukken,'zegt ze. 'Dat wordt in 12 jaar school volledig de kop ingedrukt. Ook als het kind welbespraakt de school binnengaat, komt het er 12 jaar later uit zonder dat het heeft geleerd om goed te kunnen praten of schrijven.'
VoorkantHaar huidige onderzoek is weer anders. Dat betreft de relatie tussen taalgebruik en het doceren van exacte vakken als natuurkunde. Maar een paar jaar geleden was ze nieuwsgierig naar hoe de ontstaansgeschiedenis van Israel en de verhouding met de Palestijnen, in en buiten Israel, in schoolboeken terecht is gekomen. Ze nam een sabbatical en ging in Londen een jaar studeren bij professor Günther Kress, onder meer om meer thuis te raken in de semiotiek, de wetenschap van de functie van tekens bij het overbrengen van boodschappen. Ze wilde alle aspecten bekijken, want ze was niet alleen geïnteresseerd in wàt er in die boeken geschreven stond, maar ook hòe het in de boeken terecht was gekomen, qua taal, typografie en keuze van illustraties.
Voor wie iets weet van Peleds achtergrond was de belangstelling voor juist dit onderwerp misschien niet verrassend. Haar vader, generaal Mattityahu Peled, nam kort na de Juni-oorlog van 1967 ontslag uit het leger, omdat hij teleurgesteld was dat Israel na de inname van de bezette gebieden geen vredesbesprekingen begon. Korte tijd later was hij één van een heel klein groepje prominente Israeli's die een dialoog begonnen met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO (een dialoog die uiteindelijk via anderen uitmondde in de akkoorden van Oslo). Haar broer Miko heeft zojuist een 'duifachtig' boek gepubliceerd in de VS (The General's Son). En Peled zelf is ook nog op een heel andere - directe – manier bij het conflict met de Palestijnen betrokken. In 1997 werd haar dochter Smadar, 15 jaar oud, in Jeruzalem gedood bij een aanslag door een Palestijnse zelfmoordterrorist. Sinds die tijd is het echtpaar Elhanan-Peled actief bij een dialoog betrokken met Palestijnen die eveneens kinderen hebben verloren. Zij kreeg er in 2001 de Europese Sakharov-prijs voor.
Ik opper dat Peleds boek dus wel binnen een soort politiek kader viel, maar dat wuift ze min of meer weg. Natuurlijk, dat ouderlijk huis was de achtergrond waartegen ze is opgegroeid, maar politiek actief is ze – anders dan haar vader – nooit geweest, zegt ze. Ook in de dialoog met de Palestijnse 'bereaved parents' is ze eigenlijk niet echt betrokken. Dat is haar man, Rami Elhanan. Hij houdt nog altijd zo'n 1000 spreekbeurten per jaar op Israelische scholen, samen met ouders van gedode Palestijnse kinderen, zoals bijvoorbeeld Bassam Aramin wiens dochter Abir op 10-jarige leeftijd door een Israelische soldaat met een rubberkogel werd doodgeschoten. Maar vanzelfsprekend lag de keuze van het onderwerp wel min of meer voor de hand.
Peled koos 16 schoolboeken uit die tussen 1996 en 2009 in gebruik waren (daarvóór was al vergelijkbaar onderzoek gedaan) bij openbare scholen. (Geen religieuze scholen, de situatie is daar gecompliceerd doordat een deel van de orthodoxie ultra nationalistisch is, en een deel de ultra-orthodoxie juist anti-zionistisch). Ze koos tien geschiedenisboeken uit, zes aardrijkskundeboeken en één maatschappijleer-boek. Verder keek ze ook naar een geschiedenisboek dat in 1999 verscheen en in 2001 op last van een nieuwe minister weer uit de roulatie werd genomen. Omdat het teveel aandacht aan de wijdere wereld schonk en niet voldoende nadruk legde op zionistische stokpaarden als 'de 2000 jaar lange Joodse hunkering naar Zion', 'de terugkeer van de Joden naar hun legitieme vaderland' en het thema van de 'Verlossing door het Zionisme', zoals ze zegt. 

 Onderontwikkeld
Bij elkaar logenstraffen de boeken volledig het beeld dat Israel graag over zichzelf verspreidt, namelijk dat het zijn kinderen vredelievendheid bijbrengt, in tegenstelling tot de Palestijnen die hun kinderen zouden opvoeden tot haat. Om te beginnen is er het beeld dat deze boeken geven van de Palestijnen uitermate problematisch. Peled geeft reeksen voorbeelden van hoe Palestijnen, 1,6 miljoen mensen en een vijfde van de Israelische bevolking, er uitermate bekaaid vanaf komen. Ze zijn meestal helemaal afwezig in de 16 boeken, maar als ze wèl worden opgevoerd is dat vrijwel altijd met racistisch gekleurde stereotypen. Ze zijn ofwel achtergebleven en onderontwikkeld ('Arabieren die met hun traditionele levenswijze niet in hoge gebouwen willen wonen'. En 'de primitieve Arabische landbouw'). Ofwel ze worden 'een gruwelijk demografisch probleem' genoemd. Ook worden ze ook meestal Arabieren genoemd in plaats van Palestijnen (ook wel pejoratief Filistijnen). En als ze wèl als Palestijnen worden opgevoerd, is dat meestal in verband met 'terrorisme'. Zoals in: De rust in Libanon duurde niet lang. (..) Libanons onafhankelijkheid was opnieuw in het geding toen in de jaren 1968-69 Palestijnse terroristische organisaties onder leiding van de PLO zich vestigden in Libanon en vandaar uit acties ondernamen tegen Israel.'
Over de ontstaansgeschiedenis van Israel en het Palestijnse vluchtelingenprobleem zijn sinds de tijd dat ruim 20 jaar geleden de Israelische archieven opengingen, boeken geschreven door wat wel de 'New Historians' worden genoemd. Tegenover de nog altijd gehanteerde officiële Israelische versie, dat er geen planmatige verdrijving van Palestijnen heeft plaatsgevonden, presenteerden zij de feiten die aangeven dat op zijn minst in een groot deel van de gevallen de Palestijnen juist wèl met opzet zijn weggejaagd. Berucht is in dit verband het uit de militaire archieven opgediepte 'Plan Dalet' dat de grove omtrek van de schoonmaakacties beschrijft. Maar in de Israelische schoolboeken zal men daar niets van terugvinden. Daarin blijft het een massale – niet geplande, zij het wel heel erg welkome – vlucht. 'Het ontheemd raken van de 600.000 Arabieren van hun huizen was een direct gevolg van de oorlog en niet de vrucht van een of ander plan van Joden of Arabieren,' schrijft één van de boeken. 'Echter de verdrijving van Lod en Ramle kreeg wel de goedkeuring van het politieke echelon.'
Een ander boek: 'De vlucht van de Arabieren loste een gruwelijk demografisch probleem op en zelfs een gematigd persoon als Weizmann (de eerste president van Israel) sprak erover als een wonder'. Een derde boek voert aan dat Israel zo een contingente (uit aaneengesloten gebied bestaande) staat kreeg met een Joodse meerderheid. Een vierde boek gaat wel zover dat het aangeeft dat er ook andere versies van het verhaal bestaan, maar noemt dat de ''Palestijnse versie van de massale vlucht''. Het zegt erover dat die versie meestal naar voren wordt gebracht door 'niet-joden en ook wel post-zionistische Joden' en dat er voor deze versie (die uitgebreid beschreven is door Morris, Pappé en anderen) ''geen gedocumenteerde bewijzen bestaan''.
Peleds commentaar: ''In 2000 schreef een onderzoeker (E.Podeh, AbuP.) vergoelijkend dat de eerste generaties schoolboeken geschreven waren door mensen die afkomstig waren uit West- en Oost-Europa die het Midden-Oosten niet zo goed kenden, maar dat er bij latere generaties verbetering zichtbaar was. Hij kreeg ongelijk. In meer dan 60 jaar is er eigenlijk niets veranderd.'

Illegale bouw
Behalve naar wát er verteld werd keek Peled ook – ik meldde het al – naar hóe het verteld werd: woordkeus, keuze van illustraties en typografie. Ook daarbij viel op dat Palestijnen – als ze al afgebeeld worden – op traditionele wijze ploegen met een os, naast een kameel staan of gemaskerd met stenen naar Israelische militairen gooien. Mensen uit een andere wereld en een andere tijd. Bij de keuze van kaarten viel op dat geen enkel boek een kaart afbeeldde waarop de Westoever als Palestijns wordt afgebeeld. Israel wordt voorgesteld als één gesloten geografische eenheid, waar de Westoever in is opgenomen. En wat nog vreemder is: Arabische bevolkingsconcentraties als Nazareth, Umm al-Fahm, of Akko worden op die kaarten niet eens afgebeeld. Tegelijkertijd zijn die kaarten dé aanleiding om te verwijzen naar bijbelse beloften van het land, en zaken als confiscatie van land, segregatie en discriminatie af te doen als zaken die nu eenmaal veiligheidshalve nodig zijn en worden gelegitimeerd door de zionistische idealen van 'verlossing van het land'.
Daarnaast wordt in de aardrijkskundeboeken de 'Arabische sector' zoals het daar wordt genoemd, ook duidelijk gestigmatiseerd. Zo schrijft één boek over 'Illegale bouw' in de Arabische dorpen: 'De meeste illegale huizen worden gebouwd op gemeentelijk grond en landbouwgrond die volgens de Israelische wet staatseigendom is. Illegaal bouwen is ook het gevolg van de wens om niet te hoeven betalen voor vergunningen.' Een opmerking die in een wonderlijk licht komt te staan als men weet dat – als gevolg van massale onteigeningen na 1948 – de Palestijnen die 20% van de bevolking vormen slechts kunnen beschikken over 3,5% van de grond en bijna nooit vergunningen krijgen om te bouwen of uit te breiden. En een ander boek: 'Arabische dorpen zijn verwijderd van het centrum, de wegen er naartoe zijn niet goed, en ze zijn buiten het proces van verandering en ontwikkeling gebleven, ze zijn nauwelijks in aanraking met het moderne leven en de aansluiting op de waterleiding- en elektriciteitsnetwerken levert vaak problemen op.'

Bloedbaden
Speciale aandacht besteedt Peled aan de wijze waarop drie in de Israelische geschiedenis bekende bloedbaden worden behandeld, de verhalen van Deir Yassin, Qibiya en Kfar Qassem. In Deir Yassin, een dorpje bij Jeruzalem dat nu niet meer bestaat, werd in april 1948 door Israelische legereenheden (van de Irgun) een moordpartij uitgevoerd op mannen, vrouwen en kinderen. Het verhaal van wat daar gebeurd was  leidde ertoe dat andere Palestijnen massaal op de vlucht sloegen. Tot op de dag van vandaag speelt Deir Yassin een rol als symbool voor de verdrijving van de Palestijnen. 
Qibiya is een dorpje in Jordanië waar in 1953 de beruchte Eenheid 101 onder leiding van een nog jonge Ariël Sharon (hij was toen nog majoor) op af werd gestuurd om een represaille uit te voeren na een moord op een Joodse vrouw en een kind in een dorpje bij de grens door een infiltrant uit Jordanië. Sharon liet een deel van de huizen in Qibiya opblazen met de bewoners er nog in, 69 mensen kwamen erbij om. Kfar Qassem, tenslotte, is een berucht verhaal uit 1956, bij het begin van de Sinai-campagne, toen Israel samen met Frankrijk en Engeland optrok tegen Egypte. Het uitgaansverbod voor de Palestijnen in Israel (de Israelische Palestijnen leefden van 1948 tot 1966 onder militair bestuur) was in verband met die veldtocht plotseling met een uur vervroegd. En een overijverige compagniescommandant liet 47 dorpelingen uit Kfar Qassem, die van het land kwamen en dus niets konden weten van die vervroeging, tegen de muur zetten en doodschieten.
Peled onderzocht uitgebreid hoe deze gebeurtenissen in de boeken terecht kwamen en ze analyseert hoe ze in alle drie de gevallen werden goedgepraat - en gelegitimeerd. Van Deir Yassin wordt opgemerkt dat het 'de vlucht van andere Palestijnen aanmoedigde en daardoor Israel in staat stelde een uit één geheel bestaande Joodse staat te creëren'. Van Qibiya wordt gezegd dat het de burgers in de grensplaatsen weer wat vertrouwen gaf en de moraal en waardigheid van het leger herstelde'. En van Kfar Qassem, tenslotte, dat de daad werd bestraft (al wordt er niet bij verteld dat de gestraften allemaal later gratie kregen en dat de bevelvoerend kapitein een boete kreeg van niet meer dan twee pond). En vervolgens wordt daar vergoelijkend aan toegevoegd dat het 'een proces in werking stelde waardoor tien jaar later het militaire bestuur over de Israelische Palestijnen kon worden opgeheven'.

De conclusies van Peled zijn niet hoopgevend. 'Het Israelische schoolsysteem,' zeg ze, 'is er in feite op gericht om goede soldaten af te leveren. En de Israelische schoolboeken, die van bovenaf door de regering moeten worden goedgekeurd, bevestigen meer nog dan meestal met schoolboeken al het geval is, feiten en gebeurtenissen vanuit een enkel – de nationale cohesie bevorderend - perspectief. Ze zijn selectief bij de keuze van feiten en passen die zonodig aan. Palestijnen worden openlijk racistisch beschreven en wat er over ze geschreven wordt, vergroot in feite het gebrek aan kennis over geografische, sociale, geopolitieke en historische achtergronden. Het is met dit bijgebrachte manco aan kennis dat Israelische scholieren direct als ze van school komen het leger ingaan om de Israelische politiek uit te voeren ten aanzien van de Palestijnen, van wie ze dus niets weten en begrijpen en die ze hebben geleerd te vrezen. Het is niet moeilijk in te zien waar dat toe leidt.'

Nurit Peled-Elhanan gïnterviewd door AlternateFocus:

9 opmerkingen:

Jaap Hamburger, Broek in Waterland zei

Interessant. Goed dat je het interview hier hebt opgenomen.

Spreekt Itamar Marcus echt geen Arabisch? Heeft hij medewerkers die Arabisch kunnen lezen? Dat mag ik toch wel minstens verwachten, van iemand die 'schoolboekjes onderzoekt'.

Overigens zijn het de stilzwijgende implicaties van zijn bevindingen waartegen ik het meeste bezwaar heb: alsof Palestijnse schoolboekjes het Israëlisch- Palestijns conflict gaande houden, en tot de bezetting noodzaken. Alsof, wanneer in die boekjes de joden aanbeden, de Israëlische soldaten vereerd en de kolonisten geprezen worden, het antisemitisme veroordeeld wordt -liefst in een apart hoofdstuk- en de laster van de Nakba niet meer voorkomt Israël eindelijk fluitend zijn tanks en manschappen terughaalt naar binnen de Groene Lijn, de nederzettingen en de Muur opheft (die waren immers 'tijdelijk') en de Palestijnse staat verwelkomt En in die onzin grossieren de van der Staays, de Voordewinds en de andere smaakmakers op hysterisch rechts.

Nog één minipuntje. Jij schrijft: "...Rami Elhanan. Hij houdt nog altijd zo'n 1000 spreekbeurten per jaar op Israëlische scholen, samen met ouders van gedode Palestijnse kinderen, zoals bijvoorbeeld Bassam Aramin wiens dochter Abir op 10-jarige leeftijd..."

Het leest wat ongelukkig, bijna alsof Elhanan en Aramin samen 1000 spreekbeurten houden. Je bedoelt: hun organisatie van bereaved parents.

Trees zei

Een aanvulling op dit verhaal is dat ook de Palestijns Arabische scholen in de Arabische dorpen en steden deze boeken onder hun neus krijgen. Deze scholen moeten het Israëlische leertraject volgen. En zij leren dus dat ook zij "bevrijd" werden in 1948. Zoals hier gezegd wordt,Arabische namen komen amper in de schoolboeken voor, de onderwerpen zijn zo compleet uit de Arabische context. Een schoolboek engels, waarin een les gaat over Sharon (Joodse meisjesnaam) en Moshe, die op rugzak vakantie gaan naar Engeland.
de meeste Arabisch-palestijnse studenten hebben nog nooit een rugzak gezien, laat staan dat ze op hun 17de op rugzak vakantie gaan. Zij leren dat ze te gast zijn in Israel. Ze leren totaal niets over hun eigen dichters, schrijvers etc. Mahmud Darwish is uit het leertraject gehaald.De geschiedenis die ze krijgen gaat over de Arabiche geschiedenis van 100den jaren geleden, maar zoals ik al zei, 1948 was de bevrijding. Er mag niet over de Naqba les gegeven worden.Daarbij komt dat men in het Arabisch les krijgt, wel vanaf de 3de klas een uur per dag Hebreeuws krijgt, op de manier zoals Nurit het beschrijft, dus totaal niet gericht op het gebruiken van de taal, veel grammatica. Maar vervolg onderwijs is
allemaal in het Hebreeuws, waardoor deze leerlingen , als ze al door willen leren, een taalachterstand hebben. Hierdoor gaan velen naar het buitenland, b.v. Jordanië, wat weer problemen oplevert als ze terugkomen. Want dan moeten ze toch weer moeilijke examens afleggen, in het Hebreeuws. Ook studie beurzen zijn voor Joodse studenten ( voor degenen die in het leger hebben gediend, dus niet de Arabische studenten). Een ander ding is dat veel studies aan de universiteit pas toegankelijk zijn voor Arabische studenten wanneer ze 23 jaar zijn. Dit om plekken open te houden voor Joodse studenten die eerst hun dienstplicht moeten vervullen. Dit betekent wel dat men of 5 jaar moet wachten voordat men aan de studie kan beginnen ( met 18 jaar komen ze van de middelbare school af)of men wijkt uit naar het buitenland, of men gaat iets anders doen, wat men eigenlijk niet wilde.
Een ander probleem is ook nog het psychometrie examen. Na 12 jaar lagere en middelbare school moet men ook nog eens het psychometrie examen doen. Dat is een soort van staatsexamen, wat juist voor Palestijns Arabische studenten erg moeilijk is, vanwege de vakken zoals engels, Arabisch (niet voor joodse studenten) en Hebreeuws. Dit staat totaal los van die 12 jaar school, en als men met dit examen niet het totaal vereiste aantal punten haalt wat voor iedere studie vereist is, dan kan men het sowieso vergeten. Om dit examen te vermijden gaan ook velen naar het buitenland studeren.

Abu Pessoptimist zei

Trees, Dank voor de aanvulling. De manier waarop in 'de Arabische sector'(zoals Israel het noemt) wordt lesgegeven doet een beetje denken aan de kindertjes in Suriname die met Nederlandse schoolboeken werden grootgebracht en moesten leren welke plaatse de trein van Groningen naar het noorden passeerde. Alleen is het voor de Palestijen een stuk schrijnender. De situatie van het Arabische onderwijs verdient een apart eigen verhaal. Wie kan het voor me schrijven?

Abu Pessoptimist zei

Jaap, Itamar Marcus maakt gebruik van vertalers. Hij noemt ze ook in zijn recente boek.
Wat Rami Elhanan betreft: hij vertelde dat hij persoonlijk ongeveer 1000 spreekbeurten per jaar geeft, meestal met Bassam Aramin die een heel goede vriend is geworden.

Jaap Hamburger, Broek in Waterland zei

Inderdaad, heel interessante aanvulling van Trees.

"Wat Rami Elhanan betreft: hij vertelde dat hij persoonlijk ongeveer 1000 spreekbeurten per jaar geeft, meestal met Bassam Aramin die een heel goede vriend is geworden."

1000 spreekbeurten samen, of zelfs 500 spreekbeurten de man per jaar, behalve op vrijdag voor Aramin en op zaterdag voor Elhanan, of omgekeerd, dat is een gemiddelde van meer dan anderhalve spreekbeurt per dag, dag in, dag uit. Dat kan ik mij niet voorstellen. Laat staan 1000 in gezamenlijkheid. Meer dan 3 per dag dus?

Abu Pessoptimist zei

Yes Jaap, ik heb die rekensom ook gemaakt. Het zijn er dus meerdere per dag. Ik heb niet doorgevraagd (ik sprak hem in de marge van het interview met Nurit, waar hij bij zat), maar ik kreeg de indruk dat Rami zo'n beetje full time peacenik is.

Jaap Hamburger, Broek in Waterland zei

O.K. dan zal het zo zijn MaartenJan.

Ongelooflijk, wat een toewijding!

Onbedoeld is dit dan toch nog een +puntje voor het Israëlische schoolsysteem, als het bereid is zoveel spreekbeurten te absorberen...

Feng zei

<<... dat taalonderwijs in Israel feitelijk averechts werkt. Er is geen sprake van twee-richtingverkeer, maar de leraren houden monologen. 'De leerlingen leren wel goed de grammatica, maar volstrekt niet om zich via schrijven of spreken uit te drukken,'zegt ze. 'Dat wordt in 12 jaar school volledig de kop ingedrukt. Ook als het kind welbespraakt de school binnengaat, komt het er 12 jaar later uit zonder dat het heeft geleerd om goed te kunnen praten of schrijven.'>>

Dat is precies zoals je in sekten (zakelijk en/of religieus) monddood gemaakt wordt - en de buitenwereld alleen nog maar met geweld kunt benaderen. Naast de kadaver discipline in een leger, waar je niets anders verwacht, lijkt me dit fataal voor de creativiteit; lees kwaliteit van het aanpassingsvermogen in andere geledingen van een maatschappij, die daardoor tot het eind der dagen afhankelijk blijft van de financiële steun van derden. Derden, die als tegenprestatie enkel een gehoorzamende oorlogsmachine verlangen.
Arm volk.
Feng.

Jaap Hamburger, Broek in Waterland zei

O.K. dan moet ik er van uit gaan dat de opgegeven aantallen spreekbeurten kloppen.

Het is zo nog een onbedoeld +punt voor het Israëlische schoolsysteem, dat er genoeg ruimte wordt geschapen om zulke aantallen spreekbeurten te absorberen. Valt me niet tegen eerlijk gezegd, in het licht van het beeld dat Nurit schetst van het Israëlische onderwijsssteem en de -cultuur als een monolitisch-nationalistisch 'gebouw'. Er is kennelijk tegelijk vrag naar 'een ander geluid'.