dinsdag 12 augustus 2014

Israelisch hooggerechtshof negeert oorlogsrecht en keurt sloop huizen Palestijnse verdachten goed

Palestinians inspect the demolished home of Ziad Awad from the West Bank village of Idhna, south of the West Bank city of Hebron, 02 July 2014. EPA/ABED AL HASHLAMOUN
Het huis van de Palestijnse verdachte Ziad Awad uit Idhna, dat op 2 juli werd opgeblazen, nadat het hooggerechtshof deze maatregel, die in strijd is met het oorlogsrecht,  had goedgekeurd. Het huis zou deels gespaard blijven, omdat de helft ervan van Ziads broer was. Maar zoals de foto laat zien deed het Isarelsiceh leger zijn werk net iets te grondig. (Foto EPA).  

Het Israelische hooggerechtshof heeft maandag verzoekschriften afgewezen tegen een besluit van het Israelische leger om de huizen te vernielen van drie mannen die verdacht worden van het ontvoeren en doden van de drie Israelische tieners Frankel, Shaar en Yifrah in juni. Het gaat om Marwan Qawasme, Hussam Qawasme en Amar Abu 'Eishe.
De verzoekschriften waren ingediend door familieleden van de drie verdachten die hadden aangevoerd dat het vernielen van huizen verboden is onder het oorlogsrecht (met name de Vierde Geneefse Conventie), dat de drie nog niet eens zijn veroordeeld, dat het opblazen van huizen van Palestijnse verdachten discriminatoir is omdat zoiets bij Joden nooit wordt gedaan, en dat deze straf anderen (de familie) disproportioneel straft. De drie rechters, Yoram Danzinger, Isaac Amit en Noam Sohlberg (de laatste is een kolonist) verwierpen echter alle argumenten.
Dat de verdachten nog niet veroordeeld waren, maakte niet uit volgens het hof. Het leger vond het vernielen van de huizen noodzakelijk om andere misdadigers af te schrikken en het hof ging daar in mee ''mede gezien de ernstig verslechterde veiligheidssituatie'' op de Westoever.
Dat het oorlogsrecht het vernielen van huizen van mensen onder bezetting verbiedt, tenzij daar een militaire noodzaak voor bestaat, werd eveneens van tafel geveegd. Het hof accepteerde hert argument van het leger dat er ''een militaire noodzaak tot afschrikking'' bestond. Dat de maatregel discriminatoir was, omdat huizen van Joden altijd mogen blijven staan, werd eveneens ontkracht. Volgens het hof was er weliswaar sprake van toenemend geweld en ophitsing tegen Arabieren en moest daar tegen worden opgetreden, maar dat was toch iets anders dan waar dit geval over ging, namelijk moord. Dat onlangs ook een Palestijnse tiener levend was verbrand was het hof niet ontgaan, maar dat ''een zeer uitzonderlijke uitzondering'' geweest, aldus het hof.
En dat anderen door de maatregel zouden worden getroffen en het dus door het oorlogsrecht verboden ''collectief straffen'' zou inhouden ging volgens het hof ook niet op, want het appartement van Marwan Qawasme op eerste verdieping van een gebouw van vier verdiepingen, zou alleen dichtgemaakt worden om de rest van het gebouw niet te beschadigen, en het appartement van Abu 'Eishe op de tweede verdieping zou zo worden aangepakt dat de rest van het gebouw niet teveel schade zou oplopen.
De uitspraak van het hof, die volstrekt strijdig met het recht en dus neerkomt op het goedkeuren van een oorlogsmisdaad, hoeft geen verwondering te wekken. Een maand geleden sprak het hof zich ook al uit voor het opblazen van een huis van een nog niet veroordeelde verdachte. Ook toen was er sprake van het nemen van voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat een broer van de verdachte die mede-eigenaar was van het huis, niet werd gedupeerd. Maar het leger gebruikte per ongeluk (?)  wat veel springstof, zodat toch het hele pand onbewoonbaar werd.

Geen opmerkingen: