woensdag 10 december 2014

Israels hooggerechtshof zet deur open voor beknotten vrijheid van meningsuiting

Het Israelische hooggerechtshof heeft woensdag een extreem gevaarlijke beslissing genomen. Het besloot het beroep te verwerpen dat de Palestijnse parlementsafgevaardigde Hanin Zoabi had ingesteld tegen het feit dat de Commissie voor de Ethiek van de Knesset, het parlement, haar in juli voor zes maanden had geschorst naar aanleiding van uitlatingen die ze in juni had gedaan voor de radio. De beslissing viel met de stem van slechts één rechter tegen, die van de enige Palestijnse rechter, Salim Joubran.  
haneen zoabiDe beslissing opent, zoals de mensenrechtenorganisaties die de zaak namens Zoabi bij het hof aanhangig hadden gemaakt opmerkten, de deur naar een situatie waarin de Joodse meerderheid in het parlement kan uitmaken wat een Arabisch parlementslid wel of niet mag zeggen.
Zoabi had in een radio-interview in juni geweigerd de kidnappers van drie Israelische tieners 'terroristen' te noemen. Ze zei toen: ''Is het gek dat mensen  die onder de bezetting leven en een onmogelijk leven leiden, in een situatie waarin Israel iedere dag  nieuwe gevangenen kidnapt, is het gek dat die zij dan kidnappen? Dit zijn geen terroristen. Ook al al ben ik het niet met ze eens, het zijn mensen die geen enkele manier zien om hun situatie veranderen, en die gedwongen zijn methodes als dit te gebruiken.”
Zoabi zei ook dat ze de Palestijnen aanmoedigde een volksopstand uit te roepen en  “Israel een beleg op te leggen in plaats van ermee te onderhandelen''. De Knessetcommissie oordeelde dat deze opmerkingen in strijd waren met artikel 1a van de ethische voorschriften van de Knesset, die stellen dat een parlementslid moet werken ten bate van “het welzijn van de staat.”
Bij de behandeling van Zoabi's zaak besteedden de rechters meer tijd aan het beoordelen en  bekritiseren van Zoabi's uitlatingen dan aan de vraag of de Knessetcommissie het recht had haar te schorsen. Uiteindelijk gaven de rechters aan dat zij niet tussenbeide wilden komen. Ze stelden het eens te zijn met de Knessetcommissie dat Zoabi artikel 1a van de Ethische code had overschreden, maar gaven aan dat de straf erg hoog was in vergelijking met eerdere straffen. (De hoogste straf tot nu toe was een schorsing geweest van één dag, voor een Knessetlid dat had opgeroepen een minister te doden die een bepaald stuk land wilde teruggeven aan Palestijnen). Maar de rechters wilden niet tussenbeide komen omdat de schorsing binnenkort afloopt en in feite ook niet meer geldt (omdat de Knesset is ontbonden) en omdat het niet Zoabi's mogelijkheden teniet doet om te worden herkozen.

De mensenrechtenorganisaties Adalah en de Vereniging voor Burgerrechten in Israel (ACRI) die de zaak namens Zoabi aanhangig hadden gemaakt, reageerden met een verklaring waarin ze zeiden:
Dit is een gevaarlijk precedent. Voor de allereerste keer heeft het hof besloten dat de meerderheid een oordeel mag vellen over de minderheid uitsluitend op grond van politieke uitlatingen  – en zware sancties kan toepassen. Vanaf deze dag zijn Arabische leden van de Knesset in feite onderworpen aan het oordeel van de Joodse meerderheid.”
Zoabi gaf ook een verklaring uit:
Ik ben niet in de Knesset gekozen uit liefdadigheid maar via een democratische stemming. In de naam van de Basiswetten (die in Israel min of meer de plaats innemen van een ontbrekende Grondwet) en in de naam van het recht, zou het hooggerechtshof mijn recht hebben moeten  verdedigen om mijn politieke meningen uit te dragen, die buiten de algehele consensus vallen, en een vertegenwoordiger van de minderheid hebben moeten beschermen tegen de tirannie van een agressieve meerderheid. Helaas was de discussie politiek en sensatiegericht en capituleerde het hooggerechtshof voor politieke druk in plaats van de wet hoog te houden en de vrijheid van meningsuiting te beschermen en het recht van alle burgers om op gelijke wijze te worden vertegenwoordigd.
Mijn mening (AbuP.) is dat het Israelisch hooggerechtshof eens te meer zijn rol als hoogste handhaver van het recht in Israel volledig heeft verzaakt. Het begint langzamerhand een treurig verhaal te worden als we kijken naar alle steken die het hof in de loop van de geschiedenis heeft laten vallen, op het gebied van de bescherming van arrestanten (die mogen worden gemarteld), strafzaken tegen Palestijnen (waarbij geheime oordelen van de geheime dienst vaker dan iets anders de doorslag geven), nederzettingen (die volgens het hof legaal zijn ook al zijn ze in strijd met alle internationale wetten), de Muur, (die volgens het Internationaal Gerechtshof ten onrechte op Palestijns gebied staat, maar wat  volgens het Israelische hof desondanks geoorloofd is), eigendomsrechten van Palestijnen op grond en huizen (waarin vrijwel altijd het oordeel van de Israelische regering wordt gevolgd), en nu dus inzake de vrijheid van meningsuiting van een lid van het parlement. Is Israel een rechtsstaat?? Het is iets waar wat mij betreft allang de nodige vraagtekens achter mogen worden geplaatst. En nu dus nog ééntje meer.

Geen opmerkingen: