vrijdag 17 april 2015

Israelisch hooggerechtshof keurt omstreden anti-boycotwet goed

Israels hooggerechtshof

Het Israelische hooggerechtshof heeft woensdag een verzoekschrift van mensenrechtenorganisaties van de hand gewezen tegen de controversiële ''anti-boycotwet'' die in 2011 door de Knesset werd aangenomen. De wet, die personen het recht geeft rechtszaken te beginnen tegen iedereen die oproept tot een boycot van Israel of de gebieden die het bezet houdt,blijft daarmee van kracht.
Slechts één deel van de wet werd geschrapt. Dat was een bepaling dat schadevergoeding geëist kan worden van iemand of een instantie die oproept tot de boycot zonder dat daadwerkelijk die schade hoeft te worden aangetoond. De nieuwe situatie is nu dat bij een daadwerkelijke klacht wèl duidelijk zal moeten worden gemaakt dat er schade is geleden en waaruit die bestaat.
De mensenrechtenorganisaties die bezwaar tegen de wet hadden gemaakt (waaronder Adalah en de Israelische Vereniging voor de Burgerrechten ACRI) zeiden in een reactie op de uitspraak dat het hooggerechtshof de vrijheid van meningsuiting geweld aan had gedaan. “De Anti-Boycot wet is een wet om ‘lippen te verzegelen' (to shut mouths). Zij heeft alleen tot doel legitieme kritiek tot zwijgen te brengen. De beslissing van het hof maakt het sancties toe te passen tegen de vrijheid van meningsuiting en politieke actie in zaak die heftig ter discussie staat.”
De Anti-boycot wet werd in juli 2011 door het Israelische parlement, de Knesset, aangenomen als een tegenmaatregel tegen de internationale BDS (Boycott, Divestment and Sanctions) Campagne. De wet stelt diegenen strafbaar die oproepen tot boycot van Israël, de nederzettingen of van iets of iemand die in verband staat met de bezetting. Indien een persoon bijvoorbeeld vraagt ​​om een boycot van academische instellingen die participeren in de bezetting,kan hij voor de civiele rechter worden gedaagd en veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de gedupeerde instantie. Als een bedrijf besluit geen producten te kopen die in de nederzettingen zijn vervaardigd kan het worden uitgesloten van overheidsopdrachten. Als een NGO besluit zich aan te sluiten bij de wereldwijde oproep tot BDS, kan zij haar non-profitstatus verliezen en gedwongen worden om belasting te betalen alsof het eencommercieel bedrijf is.Buitenlandse bedrijven met dochterondernemingen in Israel vallen ook onder de wet.
Het hooggerechtshof bepaalde in zijn uitspraak van woensdag (die werd geschreven door rechter Hanan Meltzer), dat oproepen tot boycot niet consistent zijn met de vrijheid van meningsuiting. Oproepen tot een academische boycot verhinderen volgens hem het intellectuele debat. Boycot noemde hij verder een vorm van discriminatie, of zelfs van “politiek terrorisme”. De staat had volgens hem het recht zich daartegen te verdedigen.
De uitspraak van het Israelische hooggerechtshof gaat, daar hoeft geen twijfel over te bestaan, in tegen de gangbare opinie in de wereld over de legitimiteit van boycots. Vier jaar geleden, toen de wet werd aangenomen schreef ik: In de hele beschaafde wereld is boycot een geaccepteerd wapen.Vroeger hadden we de Boycot Outspan acties tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Shell is geboycot. Bontverwerkende bedrijven zijn geboycot. Beleggers hebben de mogelijkheid te beleggen in aandelenfondsen waarin geen aandelen zitten in de wapen- of tabaksindustrie, of bedrijven die hun werknemers in Derde Wereld-landen slecht behandelen. Ook dat is een vorm van boycot. Boycot is net als staking een politiek middel dat overal is geoorloofd - alleen dus niet in Israel. 
Wat de uitspraak des te kwalijker maakt is dat de wet het onwettig maakt om een overal in de wereld geaccepteerd middel van protest te gebruiken tegen een praktijk die eveneens overal in de wereld - behalve in Israel - als ONwettig wordt beschouwd, namelijk de nederzettingenpolitiek en de voortgaande bezetting van Jeruzalem en de Westoever. Het is de zoveelste onaanvaardbare uitspraak van het Israelische hooggerechtshof. Het langzamerhand tijd dat de wereld gaat beseffen dat dit hof ten onrechte op veel plaatsen de reputatie van onkreukbaarheid en rechtschapenheid geniet. Zo heeft dit hof al eerder aanslagen op de vrijheid van meningsuiting gedaan, onder meer door in 2012 de wet goed te keuren die herdenking van de Nakba (de verdrijving en vlucht van de Palestijnen) strafbaar stelt, of recenter door een schorsing van het Knessetlid Hanine Zoabi, alleen op grond van uitlatingen die volgens de rechtse meerderheid niet door de beugel konden, goed te keuren. Nog recenter was een verbijsterende uitspraak dat iemand die geacht kan worden een tegenstander van de staat Israel te zijn, geen aanspraak kan maken op schadevergoeding als hij of zij ontvoerd, gefolterd of mishandeld is. Overigens een uitspraak die wel in dezelfde lijn ligt als eerdere uitspraken waarbij het hof marteling en ook sstandrechtelijke executies (targeted assassinations) mogelijk maakte.
Gebrek aan aandacht voor burgerlijke rechten en vrijheden bleek uit het feit dat het hooggerechtshof in 2012 de uiterst discriminerende ''wet op het burgerschap'' overeind hield, die het samenleven van van Israeli's met partners afkomstig uit de bezette gebieden, of uit landen waarmee Israel nog in oorlog is verbiedt.Dan was er het feit dat het hooggerechtshof recent weigerde op te treden tegen een wet die het mogelijk maakt dat gemeenten mensen op grond van hun achtergrond weigeren, een wet die in de praktijk vooral de discriminatie van Palestijnen sanctioneert.
En tenslotte, en zeker niet in de laatste plaats, was er een reeks uitspraken die het Israelische nederzettingenprogram en de bezetting sanctioneren. Daaronder eenuitspraak uit 2011 die de exploitatie van natuurlijke rijkdommen van de bezette gebieden door Israel en Israelische firma's goedkeurde.Verder de oudere uitspraken betreffende het beslag nemen van land, de stichting van nederzettingen, en niet te vergeten bouw van de Afscheidingsmuur midden in Palestijns gebied. Weliswaar kwam en komt het hof ook weleens met wat aanpassingen of restricties, maar wat de hoofdzaken betreft is het hooggerechtshof toch een instrument gebleken dat het recht naar believen buigt in de richting van het door de Israelische regering gewenste beleid. Het is, kortom, tijd dat in de rest van de wereld het besef postvat dat Israel er geen, of hoogstens in beperkte mate, aanspraak op kan maken een rechtsstaat te zijn.

Geen opmerkingen: